|
|
|
| |
zondag 1 maart 1964 [de vijfde dag]
Terug van Lodewijk en Stephen. Ik voel me (de drieëenheid is weer opgestaan) als de verloren zoon, maar ook ben ik de vader en dat wat hen bindt, en scheidt, vader moest ik worden om te weten waarin ik kon geloven: het leven. Voordat ik het wist; vrijuit kan ik opnieuw praten tegen de vrienden, die mij niet alleen hebben gelaten. Een tocht is ten einde, een nieuwe etappe zal kunnen worden afgelegd. Reineke huilde; een angst werd blootgelegd. Zij zal Simon moeten delen met de wereld; zij blijft nooit alleen. Geen mens is, in zijn unieke eenzaamheid, alleen.
Hoeveel verwijten tegen mij, die ik nog zal moeten uitbannen: luisteren kan ik niet, andermans woorden tracht ik te voorzien, aanvullen doe ik, ik laat merken de punch-lines te kennen, als eerste wil ik aankomen, in plaats van tegelijkertijd, of als de eerste met mezelf.
Ik kan het niet meer alleen af, plannen van het ogenblik, voor de een de kick van de beraming, voor de ander onmisbaar binnen een levenssfeer, voor de derde een alle middelen heiligend doel: er is een programma, geen programma.
Behalve lees- en leerboek is dit ook een programmablad. Een akte, met twee getuigen (best men).
In welk opzicht dan ook was Zolang te water een bevrijding; nu
| | | |
zie ik, naast de unieke kwaliteiten van de ervaringen: een levenloos boek, al is de imitatie schitterend. Het ‘materiaal’ ongebruikt, niet tot dit leven gewekt, in de oorspronkelijke staat bewaard: erts, ore, grondstof. Het hallucinerende hoofdstuk Uitvlucht voor vandaag op de tast geschreven, zonder enig inzicht in de betekenis, neemt vorm aan. Ik herken de ervaringen tussen de regels, het zijn de mijne, ik zie de eigen afstand tussen Simon V. toen en nu. Verder. Het is zelfs in dagen precies te becijferen, in vergelijkingen te beschrijven.
Het verleden rustte niet, voordat het werd verantwoord. De plaat die vernietigd wordt, maar voortdurend beluisterd: the Concerto to end all concertos, de herinnering die altijd wakker blijft. Het voortdurend afstand-doen (van de tas in de taksi, de hond in de soep) de oneigenlijke zin. Het etiket bleef bewaard. De taksirit werd betaald.
Het dolen met het dode kreng, de lichamelijke eenzaamheid, het niet-herkennen, de psychotische vervreemding, de identifi katie (met de ander, die het meisje kust), de vereenzelviging van de enige ‘hij’ die het boek kent, de dubbelganger, de thuiskomst: de zeven trappen (de werkelijkheid gaat de waarheid vooraf) en de ontmoeting met het heden anno 1952: de M. van de jaloezie, de angst, het onbekende dat nog angstaanjagend is, in plaats van aanlokkelijk als nu 1964, de zoon die al leest voordat hij de school bezoekt (vader-projektie in zoon), en de zwarte en de groene vriend: Hugo en Hans. Hugo, de kommentator. Hans, die het verhaal aanhoort, als in 1956 in de Tuilerieën luisterend naar de klachten over de ontbinding van het groene lichaam, terwijl hij zelf schreef aan zijn Sonnetten van de kleine waanzin.
Het kind, dood, gevallen engel, in de herinnering gestorven verklaard, beschilderd als voor een nieuw ritueel; in dezelfde Tuilerieën begraven, bij het Louvre waarbinnen ik nooit een stap heb gezet.
Banden van angst, waarin ik jarenlang heb opgesloten gelegen, springen los, één voor één, ik herwin de vrijheid. Bij het herlezen van ZtW besef ik, waarom de kruik moest barsten, en hoe, en waarom niet anders. Het is niet eens zelfverloochening, het is het licht dat openspringt als je gegaan bent door het Alles is angst (poëtisch voer voor bloemlezers), de angst voor de blindheid, het blindworden (Louis Braille), de geestelijke en lichamelijke impo- | | | | tentie, het leven, de dood; dezelfde ingemetselde man was ik van wie Mulisch spreekt, die op een dag met lichtsnelheid in een muur van zwart graniet zal vliegen, gemetseld in een muur gemetseld in een bunker in een kamp etcetera, de mens is vrij geworden.
Het is het enige antwoord op de uitzichtloosheid, het enige antwoord ook op het verwaterde geloof van de socialistische, utopistische vaderen, de breuk door de oorlog veroorzaakt, even noodzakelijk als de dodenkampen. Het geloof van vandaag en morgen is niet langer dat van gisteren, het is niet van vader op zoon overgekomen, niet per generatie, dit zijn de nieuwe vaders, passend in hun vrouwen. Wanhoop doorleefde ik om ‘de innerlijke leegte’, een chaos die ik nieuwe vormen wilde doen aannemen, alsof het een kostuum naar maat was. Opgesloten in een leven, een sociaal en liefdesleven waaruit ik niet te redden was: de poëzie gaf mij daarom niet de gelegenheid een ander leven te leren kennen, dat ik in mijn schooljaren nooit heb laten sterven, maar waarvan ik ooit dacht dat het in de poëzie vorm kon vinden.
Ik werd gedwongen proza te schrijven, wat ik daarvoor nooit gedaan had, op een enkel verhaal na, dat omstreeks 1948 is verdwenen. Gevecht om verloren zaak, heet het, Lekkerkerker moet het zich kunnen herinneren. En waar is de bakkerslanddag, eigen eksperiment, uit 1946? Met het schrijven van ZtW gaf ik te kennen in statu nascendi aanwezig te zijn, maar ik erkende geen vaderschap, ruimte opengelaten, nooit ingevuld, een alibi, pas onder de loep van het heden te herkennen als een ster van eerste grootte, mijn grootte, het eerste materiaal voor de handlanger van vandaag, die mij steunt in een groot ondernemen: het vrijmaken van de mens. Ik zal alle methodes, die mij ten dienste staan, gebruiken - jarenlang heb ik mijn wapens gewet, ik ken de lagen en hindernissen, achter en voor mij (er is maar één avant-garde), de talloze franc-tireurs, die mij niet alleen kunnen laten, omdat ik een der hunnen ben, een jongere in een andere traditie dan die, tegen welke de vijftigers vochten, de poëzie die geen traditie werd maar verloochening van alle eigenschappen, die de poëzie maken tot een macht over grote woorden, de waarheid, of die nu van Achterberg is, Marsman, Slauerhoff, of Gorter - om me bij deze taal te houden.
| | | |
‘Zoals jij je bioskoop hebt, hebben wij God.’ Dat geloof kan ik van m'n vader niet aannemen, en mijn weten had alleen voor mijzelf waarde, ik kon nog nauwelijks mijzelf bereiken, mijn ervaringen niet aan de man brengen in een wereld waarin ik zelf nog kind was, de verbindingen verbroken.
Het water was sterker, waarin ik als kind in deze zelfde Bloemgracht reed met een fiets, waarop ik zo hard mogelijk reed om het uur (een kwartje?) zo lang mogelijk te doen duren. (‘De snelheid levert meer statistiek, data, chorussen, meer inside information.’)
Ja, ik zwem - voorbij de tijd van ongewenste zwangerschappen, abortussen, ongelukjes, moetjes, het hokken, de kanker der gevoelens, en het ander gangreen: wondkoorts, koud vuur, bederf, verrotting. De angst op het voorhoofd geschreven, en het is niet voor niets geweest. Ik gaf al te kennen dat ik opnieuw kon beginnen in een niet of nauwelijks veranderde wereld: ‘ik hoef maar één pas opzij te doen en ik sta in een andere werkelijkheid, ik hoef niet op mijn passen terug te keren, ik beleef avonturen die niet zijn na te vertellen, liefde en vrijheid en Chinese gedichten, Spaans vuur en Ierse krankzinnigheid...’ (Laatste pagina Zolang te Water.)
Begin 1964, meer dan tien jaar later, moest Klaas me de kaakstoot geven, die mijn werkelijkheid de ene pas opzij brengt, waar ik nú leef: niet meer op mijn passen terug om te begrijpen, maar om het gebeuren van nú te herkennen aan de voortekens van toen. Ik kàn avonturen navertellen. Ik kàn in liefde en vrijheid leven. Alles ligt erin besloten: de poëzie, I Tjing, het Ibizencer licht, de afgrond van Beckett, de situaties van Michaux. Ja, dit is mijn werkelijkheid - zie mij aan en benijd mij. Ik heb weer lief, ik ben één en ‘zelfs die ene bestaat niet’. (Kazantzakis) Ik hul mijn lieve lezers in een mantel van vertrouwen: laat je gaan, wees jezelf, het leven is een voortdurend verbazen, dat ik voor jou leven zal inblazen, leer mij lezen, want ik ben niet de enige. Wij zijn allen aan elkaar gelijk. Ik heb een belangrijke mededeling, vrees niet. Ik geef je de vrijheid, onvoorwaardelijk, machines zullen voor je werken, je bent geschapen om in verantwoordelijkheid te genieten. Geniet, zonder mij (leg dit weg, en loop naar buiten), of met mij (lees verder), maar laat het komen, zoals ik ook naar jou wil luisteren - omdat ik nù leer luisteren.
|
|
|