Liefde. Zeventig dagen op ooghoogte


auteur: Simon Vinkenoog


bron: Simon Vinkenoog, Liefde. Zeventig dagen op ooghoogte. De Bezige Bij, Amsterdam 1965.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 127]

gerrit achterberg, dichter
[20 mei 1905 - 17 januari 1962]

Met Gerrit Achterberg leefde ik, was ik; ik schreef aan zijn onbekende geliefde, die wij met Gij en U aanspraken. Een oudejaarsavond (1946/47) in een kafé aan de Vijzelstraat, twee zeventien-, achttienjarigen - Leins en ik - schrijven een vers van Achterberg, ieder om de beurt een regel. Wat weten zij veel van de schepping, het gebeuren, dat zij het scheppingsproces getweeën durven te herhalen, imiteren? Het was nog geen spel, zoals later de vierregelige strofes die wij in Clichy speelden,

 
I join these words for four people,
 
Some others may overhear them,
 
O world, I am sorry for you,
 
You do not know these four people.
 
(Ezra Pound, Causa, Personae)

al nam de een het spel anders dan de ander, en wist ik (deze) hier noch van toeten noch van blazen...

Nauwelijks onderging ik Lucebert's manifest tegen Bertus Aafjes, dat Elseviers Weekblad weigerde, en de Groene Amsterdammer plaatste. De ‘oudere nozem’ ontdekt pas in 1964 de Vijftigers, een belangwekkend literair spel, waarin ik een kleine solo meeblies. Parisian thoroughfare. Ik lees in dit jaar het verLighte vers van Willem, en ik kom in Land zonder Nacht tegen de dichter die in Spiegelschrift-gebruikslyriek de semantische escape van het (Wie ik ben) verkoos, voordat het ik was, en hier en nu Is.

Wie niet door Achterberg is beïnvloed, kan heden ten dage in Nederland geen dichter zijn - het gold in ‘mijn’ dagen. Het heeft gegolden toen ik de leeftijd had, dat Ad den Besten, Jan Vermeulen en de anderen persoonlijk aan de dichter van hun bewondering voor zijn werk getuigden, terwijl ik (onthuller op het Plein in Amsterdam) anno januari 1948 op zoek was naar eksemplaren van de bundel Twee twintigers, waarover veel gesproken wordt, maar waaruit (terecht) weinig geciteerd. Ik heb in mijn bezit nog een toen deels overgetikt deel van die bundel, waarmee Achterberg tezamen met de andere domineeszoon Arie Jac. Dekker debuteerde (uitgave Van Slooten, Wageningen, 1924): ik zal ze niet publiceren. Wat niet goed is is niet geschreven, respekterend de wens van de dichter. Waarom ik er over schrijf?

[p. 128]

Omdat ook ik zocht naar de mens achter de dichter, die het lid van de sarkofaag had opgetild en zijn lezers een blik in de andere wereld had gegund, die voor mij uit liep door de materie, in mijn woorden van het wonder getuigde, die stof dolf en met Jezus schreef in 't zand. De dichter als profeet: Marsman's dood, die de dood luidde over zijn eigen Godsbesef, en de dood verkoos.

Achterberg zat nog in mijn Wondkoorts, waarin een aan hem opgedragen gedicht, eerbiedig vroeg ik hem toestemming; ik maakte het tijdens een tiendaags bezoek dat hij mij in Parijs anno 1950 bracht. We hadden hem van het Gare du Nord afgehaald, ik hield voortdurend en aandachtig mijn oren gespannen, mijn ogen keken mijn ogen uit, wachtend op het eerste woord, dat hij bracht in de vorm van een onafgemaakt vers. ‘Hoe vind je het?’ Ik kon slechts stamelen: ‘Ik weet het niet.’

Zijn vrouw kwam hem halen; we zijn in de regen per bus naar de Arc de Triomphe gereisd, hij keek zijn ogen uit, staande bij Frankrijks braven, de eenzame schuldbeladen Nederlandse dichter. De grote dichter, wiens vrienden mij van verraad beschuldigen, omdat ik een gedicht over hem voorlas ‘in de een of andere flikkertent’, terwijl zij de waarheid loochenen.

Achterberg was het brandpunt van bewustzijn, dat mij van andere dichters scheidde. Ik was niet klassiek opgevoed, kende geen godsdienst, was onbewust van Duitse romantici, Engelse dichters, verwarde Keats met Yeats, las nooit één regel van Byron of Shelley, een verward analfabeet ben ik, ik slijp een zuiver instrument, dat komt uit het hart van de aarde, een taal die van mij uit begint en eindigt tussen de sterren (na de dood en het licht het verblijf in lichtjaren) - mij is het weten van Rimbaud (ik raadde Ad den Besten aan Rimbaud's Lettre du voyant te lezen, gedateerd 15 mei 1871, hij heeft het schat ik vijftien jaar later nooit gedaan, trek die wonkere wolk weg, die je het uitzicht beneemt) en de kennis, ervaring aan het eigen lijf, van Antonin Artaud, die in 1936 bij de Mexikaanse Tarahumara - Indianen zocht, wat mij in de komfortabele zestiger jaren per post en pijlsnelle rode Saab in de schoot wordt geworpen. Uit de schoot gehaald. Het licht, dat alle duisternissen omspant, dat in ons schuilt en wacht om ontstoken te worden. Er is veel poetry emotion, een ander verleden, van de ‘autres horribles travailleurs’ (poesy no easy job), het leger van maudits, die zich ziende maken

[p. 129]

door alle ervaringen tot in de psychose te achtervolgen, als een boze droom die wordt uitgebannen, om te verspreiden vanuit het nieuwe weten een kennis die van het vuur en het licht is - de taal, waarnaar ook Lodewijk snakt, met in zijn hand een deel van de legpuzzel: de nieuwe taal der dichters: ‘cette langue sera de l'âme pour l'âme, résumant tout, parfums, sons, couleurs, de la pensée accrochant la pensée et tirant’, hetzelfde houvast dat de kleur Willem aan Lodewijk en Micheline biedt: een gezamenlijk beleefde werkelijkheid, die droom mag heten, visioen, hallucinatie of waarheid, werkelijkheid, leven: film, hypnose, redenering, associatieve of diskursieve logika, post-neopositiv istisch, ontwaakt, slapend, bewust, en passant, in hints, nuchter, dronken, high of verlicht beleefd, deelnemers tellende, kenners in de wereld van ingewijden.

‘Le poète est vraiment voleur de feu. Il est chargé de l'humanité, des animaux même; il devra faire sentir, palper, écouter ses inventions; si ce qu'il rapporte de là-bas a forme, il donne forme; si c'est informe, il donne de l'informe. Trouver une langue; - Du reste, toute parole étant idée, le temps d'un langage universel viendra!’

Een universele déclaration des droits (et devoirs) de l'homme voyant, le vrai croyant, waarbij ik mij - al ware het slechts een job description - kan neerleggen, als funktie.

Alleen het woord op papier kan het niet maken; ook Michaux zoekt zijn uitdrukking in een groter taal dan Nederlands, op boekdruk. De werkelijkheid zal worden één poésie faite par tous, ik verklaar dit leven nader. Als wat ik breng inform is, het komt ook van là - bas, en het doet er niet toe, op welke wijze ik de grâce ontvang. Ben ik niet jarenlang zoekende? Word ik dan niet wijzer? Mag ik spreken?

Deel ik niet mee in het lijden?