Liefde. Zeventig dagen op ooghoogte


auteur: Simon Vinkenoog


bron: Simon Vinkenoog, Liefde. Zeventig dagen op ooghoogte. De Bezige Bij, Amsterdam 1965.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 136]

vervolg 8 maart 1964 [een lange dag!]

Drie jaar woonde ik in het huis, waar Bert Schierbeek ook werkte; in dezelfde kamer bewogen gedachten zich regelend, nachten boven papier gebogen zoekt de schrijver het woord, de oorsprong van het woord, niet en wel wetende waarvandaan het komt, waarheen het gaat. Het supreme woordenspel, dat namen geeft, en niet geeft om speling of spelling, maar van binnenuit beweegt, als alle kreten en handschriften van dichters en heiligen, visionairs en hallucinanten, kommunikanten en biechtelingen, knarsetandend, kennend een overgave - soms meer, soms minder als de anekdote de overhand neemt, de anderen, soms mindert concentratie, ruilt de confessie zich in voor een illusie, de grote illusie.

 

*

 

Sleutel 1. Gebod voor waarneming. Drie dimensies: verleden, heden, toekomst. Ruimte, tijd, beweging. De vierde dimensie voorbij: aan de ene kant het feit, aan de andere de fiktie (feiten in spiegels), verdeel het gegeven en geef het een boven - en ondergrondse uitwerking. Deel de resultaten mee: een klein facet van de werkelijkheid. Direkt en indirekt, nu of nooit.

Op elk niveau een boek. Tot velen sprekend. Te zeggen blijven. Te leren. Baren en openbaren, groeien en rijpen. Schrijven is niets dan waarnemen.

 

*

 

Identifikatie. Ik verkeerde met het verkeerde ik op staande voet en heterdaad: in Land zonder nacht (1952) het motto van René Char: hij laat het gedicht getuigen, dat uit de roepstem van het worden en de angst van het weerhouden geboren wordt, en uit zijn put van modder en sterren omhoogstijgt. Bijna stil, laat Char zijn gedicht getuigen, dat er niets in hem was, dat werkelijk elders bestond, in deze eenzame en opstandige wereld van tegenstellingen. In braille leefde ik (embossed literature for blind use only), niet de kleuren, maar de vorm der letters. Ik kon niet in wonderen geloven, nu zou ik blind kunnen worden en zien. Want ik geloof.

Niet in het woord geloof ik, de andere namen die ik vals heb

[p. 137]

aanbeden, het land zonder nacht, louter licht, waarvan ik het bestaan verwachtte: het is zover, in deze nacht waarin ik oog in oog sta, tenslotte, met het licht in zijn oorspronkelijke versie.

Hinkstapsprongen door de jaren. Niets dan leegte had ik te bieden: ‘verliest Vera, wint Rory, verliest etc.’ Gedeelde eenzaamheid, alleen in de regen was ik thuis, een passief vegeteren, de afstand die mij scheidde te tellen in lichtjaren. Ik bleef in leven, maar het leven ontging mij. Ik moest mij eerst weer vinden, via de oorlog en de liefde, de moederschoot, de elektroencefalogrammen van het ekshibitionisme, die mij hier deden belanden. God zij dank!

De tijd staat op springen, hoe oppervlakkig is de ooggetuige, spellend tussen de woorden zijn verslag, mensen waren mismaakte gestalten die als poppen op mijn ontwaken wachtten, monsters, dreigend met een straffende zon (tot 1962 verbrandde ik jaarlijks mijn huid). Ik ben tot in de zon geklommen, dacht ik in stoute hoogmoed, niets dan een hand die uit een vlam gebaart, geluid dat enkele vierkante meters lucht en lichtledigheid bewoont, niets anno toen. Angstaanjagende verhalen, die rust vinden in de postume versies van Ralph & Phil. Vraag naar het waarom. Vulgarisator, eksplicateur, de moeite waard, het liegen van de waarheid.