|
|
|
| |
vrijdag 27 maart 1964, goede vrijdag
[de eenendertigste dag]
Levée du Roi: Klaas, Stephen en Huub matses etend aan mijn bed. Wat een enorme kick: het Waterlooplein. (Vergeet de Albert Cuypstraat niet). Bij lieve mensen ben ik populair. Ze verkopen mij spiegel, linnenkast, en voor Reineke de eerste snuisterijen. We betrekken een nieuwe woning, voor een jaar, weer op de Bloemgracht. Het is een wonder. Ik ben een super-toerist (de kicks van de psychedelische wereldreiziger, die langer dan tien jaar sprakeloos staat tegenover de wonderen van de bewoonde wereld), voor bezoekers een supergids. Verkoop Ira de evenementen, grachten, het Stedelijk. Geïsoleerd in zijn editorials ziet hij de mensen, niet hun natural surroundings, wel de hoeren in de ramen, maar niet Michaux.
Ik zie in iedereen een super-toerist, maar de meeste mensen kunnen niet kijken; zij absorberen slechts wat hoogst nodig is, het meest voor de hand ligt.
| | | |
Hoogseizoen: De opgebroken Leidsestraat, nieuwe buizen in gapende, open straatwonden. Dit Liefde seizoen: op het Leidseplein verft de gemeente Amsterdam spierwitte nieuwe spijkerpaden en voorsorteerpijlen. Ik sorteer voor.
Mijn remmen zijn voortdurend in reparatie.
*
De mooilelijk-, ook genaamd de isgelijkervaring.
*
‘Ik zou liever m'n mond houden (beraadslagingen voor de spiegel), ik zou liever m'n boventanden blootleggen dan m'n ondertanden, ik zou liever dat trekje niet hebben boven m'n mond, waardoor “het lijkt” alsof ik iets niet meen wanneer ik het zeg.’
*
Ik heb haar voorgoed ongeschikt gemaakt voor andere mannen. Ik reik haar het feit voorzichtig toe, ze knikt, ze beseft het terdege. Ze is gelukkig, ja, jij? Volgende week: ‘meerderjarig’. Ze leert via mij de wereld kennen, opeens hield ze van iemand, voor 't eerst van haar leven. Dat was ik. Ik kan voor het eerst van iemand houden, de waarheid is een illusie.
*
Ik onderga een vreemde sensatie, een kracht die mij verrijkt heeft stelt mij in staat te onderscheiden: een àndere Reineke die zich bukt om de gestencilde pagina's met vragen-en-antwoorden van de grond op te rapen, die zij daar een kwartier geleden heeft neergegooid. Ze richt zich daartoe uit haar zittende houding op de divan op, zet de laarzen stevig met de hakken op de grond, buigt zich langs het hoekstoeltje, strekt de arm en trekt zich weer in dezelfde houding terug, mij het papier aanreikend.
Wel te verstaan, het is een ideaal-Reineke; de echte bleef liggen - in diezelfde houding nota bene, als die andere had, voordat zij zich oprichtte, en nu opnieuw heeft, nu zij weer is gaan liggen, het is weer één Reineke. Déze Reineke, die is blijven liggen, wil het stencil niet oprapen, er zijn nog zoveel andere Reinekes in haar, die zich tegen m'n wil verzetten, die
| | | |
slechts schoorvoetend m'n wensen inwilligen, hun begeerten tegen mijn weten in werking stellen.
Het is een vreemde gewaarwording, nu ik al die Reinekes zie, even zovele Nus descendants l'escalier (de ma mémoire future), want waar haal ik haar anders vandaan? Is het een toekomstbeeld? Het is allemaal waar, ik heb haar zo vast aan mijn leven verbonden, en ik wil niets liever dan haar hier aanwezig voelen, waar ik mijn plaats inneem. Hoevelen weten wat dit moet bedoelen? Hoevelen moeten in het duister blijven, omdat ik hun taal niet kan verstaan, omdat zij zelf Gods wil niet kunnen volgen? Ja, ik verspreid licht. Het is een zwakke afglans.
*
De zijden Chinese jas voelt koel aan op m'n verhit lichaam. Ik bezocht haar als een zachte bries over een trillende horizon, ik nam in kracht toe, het is gevoeld geworden. Haar adem altijd in, als ik kom, en uit als ik uit, één in de overgave.
*
‘Subud is innerlijke handeling, geen dogma. Uiteenzettingen betreffende Subud moeten worden beschouwd als aanwijzingen voor de zoeker, niet als autoritaire uitspraken.’
Ik heb nog geen enkele uitspraak gedaan in deze pagina's die ik moet schrijven om ruimte te maken voor het werk zelf, dat volgt. Via dit schrijven vind ik een weg, sinds mijn hart klopt, klopt er een ritme dat weg heeft gevonden in dat wat ik schrijf; ik heb het jarenlang niet herkend, het is weer aanwezig, in zo zuiver mogelijke gedaante. Nu ben ik mij aan het bevrijden.
Wat ik niet onder woorden kan brengen heeft God geschapen.
Ik denk niet langer normaal te kunnen onderscheiden van abnormaal.
Deze maatschappij leeft aan de rand van de afgrond en de chaos.
‘Het enige wat in het begin vereist wordt, is een geduldig en oprecht verlangen om de diepere levenskrachten te ervaren, waardoor sommige pretenties en valse levenswaarden zullen verzwakken en wegvallen. Eerst ervaring, daarna verklaring.’
*
| | | |
Ik leer geloven in eenvoudige woorden. Ik heb ze niet uit voorraad voorradig. Ieder zal zelf moeten vinden. Als hij maar zoekt. zoek!
(Eén eeuwigheid is alles niets behalve mijn tikkende aanwezigheid, aanslagen op mijn netvlies, gehoortrommels en dit, een hoofdpijn links boven achterwaarts mijn rechteroog, een soort derde oog dat naar binnen en naar buiten tegelijk uitschuift, een kaleidoskoop met niets dan uiteinden. Kijkgaten.)
‘Uiteenzettingen moeten worden gezien als aanwijzingen voor verder onderzoek en niet als officiële uitspraken.’
*
Het smeltpunt der wegen; hetzelfde kruispunt, andere middelen. Dit is niet mijn intuïtie maar van de automaat die voor zijn machine van het onbekende praat, in het bewustzijn geboren, openbaar gemaakt, bewust, vol liefde.
Dit is om te beginnen geen journalistiek, omdat het niet wordt toegepast maar toepassing vraagt. Zoals ik moet leren aanpassen: in oprechtheid, met geduld, in onderwerping en vertrouwen.
*
Nog blaas ik hoog van de toren. Nog konstrueer ik vragen en problemen. Ik durf schrijven van problemen van groot belang. Het gaat om mensenlevens, om de wereldvrede, om de redding. Ik trap tegen een Heilig Huis, ik ben het evenaren. Ik verkondig een boodschap.
*
Leef, zeg ik, leef. Leef er goed van; neuk, zeg ik, neuk. Geen tijd meer voor ‘vieze woorden’, tijd dringt voor schone daden. Ik was mijn onschuldig water in je handen, ik ben een mens, volmaakt onvolledig, deel van een geheel.
*
Om dit leven te bereiken moet de mens zich onderwerpen aan het hoogste in hemzelf: de goddelijke impuls, die zowel aan het begin van de schepping als aan het einde van de tijd staat. Ik citeer ten dele een brochure, ik ben een truth-mixer. Ik drink
| | | |
mijn waarheid bitter. Wat verlangt God van mij? Wat wens ik? Wie?
*
Laat me niet
afleren
ontkennen ontwennen
miauwen dansen slingeren niezen schreeuwen gnuiven gillen hoesten huilen geeuwen snotteren brullen zingen knarsetanden rochelen sissen handenklappen bewegen blaffen ademen gapen huiveren kakelen bulderen schuifelen grienen luisteren proeven ruiken tasten voelen
|
|
|