Liefde. Zeventig dagen op ooghoogte


auteur: Simon Vinkenoog


bron: Simon Vinkenoog, Liefde. Zeventig dagen op ooghoogte. De Bezige Bij, Amsterdam 1965.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

terug naar de goede vrijdag de 27e maart 1964
[de eenendertigste dag]

en reutelen en rennen en springen en kruipen en schoppen en krijsen en hijgen en rochelen en roepen en

niets menselijks is mij vreemd. Ik ervaar wat ik onderga, nu, na weer 70 dagen (play-back op 9 juni) in de latihan, als nu, opnieuw.

Associeer Reineke met rein, trembling and chaste, huiverend en kuis, trillend en rein - het zijn goede woorden. Rein is de volmaakte liefde. Dit ogenblik duurt niet, het bestaat, ik heb het met kracht geladen, schroei een brandgat in de eeuwigheid het is sinds lang vergeten ik spreek niet van korte of lange duur, ik raak de termen kwijt.

 

*

 

Zal ik ooit nog kunnen schrijven? ‘Woorden helen.’

 

*

 

Ik ben ook maar 'n glazenwasser. (Play-back half uur later - ik herlees een gedicht, dit:)

 

*

 
Ik weet het: Reineke is mijn laatste liefde.
 
Mijn eerste liefde; zij is de Enige.
 
Ik heb mijzelf zoveel liefgehad.
 
Ik heb mijn ijdelheden lief. Neem ze mij af.
 
Er staat nog zoveel naam in dit woord.
 
Zoveel niet uit de eerste hand gehoord.
[p. 245]
 
Zoveel gestolen bloed, zweet en andermans tranen.
 
Zoveel niet beleefd, zoveel vergeten,
 
zoveel niet liefgehad, zoveel oordeel
 
en vooroordeel uitgekreten. Zoveel haat.

*

 
Ik ben nog geen kracht. Ik spreek nog Tegen.
 
Maar leer mij zelf lopen.
 
Laat mij zelf mogen weten.
 
Laat mij telkens opnieuw blijven zoeken,
 
maar laat mij scheppen uit het Alles
 
en niet langer uit het Niets,
 
niet uit ellende, maar uit liefde,
 
niet uit radeloosheid maar uit weten,
 
want ik kan nog met zoveel woorden helen.

*

 

Het helende woord. Haat in de vorm van leedvermaak. Hoe schept men uit het Alles? Wat is ellende? Ik vraag René het Hoe en Wat. Hij geeft het antwoord, zonder m'n vraag te kennen, gevouwen, de vraag verborgen duwde ik hem pen en papier toe: Hier René. Hoe - (hij wist waarom het ging). En wat. (Zoveel dat ik mij nu 2 afvraag wie ik was 70 dagen geleden: de kommer voorbij is het ook moeilijk je in die ander, die jezelf was, in te leven. Bij dit schrijven verbrand ik tweemaal dezelfde schepen achter mij. Voor de tweede en gewaarschuwde lezer is éénmaal niet genoeg.) Ik noem het Nu 1, Nu 2. (9 juni)

 

*

 

De antwoorden van René verliezen nu 2 hun betekenis, gesteld in nu 1 vandaag.

 

*

 

Ik kan nog de taal hernemen, wuivend met de uitslag door het park in de ochtend - met de dichters van deze tijd. Ik spreek nog - wie ben ik die spreken kan? ()

Ik leg mij bij het leven profiterend neer. Levend deel ik mee. Geen persoonlijkheidsverheerlijking. Ook ik. Juist ik, ik, kan alleenzijn. Alleen Zijn. Dat ben ik. Waar ben ik?

[p. 246]

‘It is useless to speak in glowing terms of Subud, for what is needed is the experience.’

 

*

 

Ik zal in de resterende dagen afscheid nemen van de problemen, die mij hier aan het schrijven hebben gehouden. Dit is maar voorspel. De waarheid komt altijd achteraan. Eerst moet ik dit bevechten, op de knieën, voor deze overstroming nog ruim een maand de tijd. Dan ga ik verder. Dit als startblok. Niet te zwaar om als een blok aan mijn been te blijven hangen, niet te licht - ik moet van de grond komen. (Bij het wakker worden)