Liefde. Zeventig dagen op ooghoogte


auteur: Simon Vinkenoog


bron: Simon Vinkenoog, Liefde. Zeventig dagen op ooghoogte. De Bezige Bij, Amsterdam 1965.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

donderdag 2 april 1964
[de zevenendertigste dag]

Het gevoel kan zich vereenzelvigen, het intellekt houdt afstand.

Datgene wat ratio genoemd wordt, kan denken, redeneren - slechts met moeite kan het begrijpen, nauwelijks ingrijpen. Het gevoel is ìn, ondergaat, ervaart vlugger: ìs het andere. Totaal, gegrepen. Voelen is een zintuiglijk zijn, een proefondervindelijk weten, dat zich van tijd niets aantrekt, en de technologie ook ziet bij de Azteken (platina), de Egyptenaren (piramide met kosmische getallen) en de oude Indiase beschavingen: spreken niet de Veda's van vliegtuigen, meer dan 3000 jaar geleden? Het gevoel is autodidaktisch, ongeschoold maar openstaand voor alles, niet-geremd door ‘moderne’ wetenschappen. Het gevoel springt van de hak op de tak, het is altijd high, het spoelt mee in de intensiteit van het intuïtieve weten: de andere wereld, een andere kosmos, speelt mee in de onze. Waar het intellekt naar zekerheden zoekt, houdt het gevoel zichzelf intakt: vereenzelvigd.

‘De intellektueel benijdt je, als gevoelsmens.’ (Drs. T.B.) ‘De intellektueel zegt: als je over iets anders dan het kadaster wil spreken, kun je beter je mond houden.’

Ik wil ook de zekergestelde intellektueel bereiken, vastgehouden in zijn dogmatisch ‘verlichte’ denken, zijn superieur besef: ‘alleen dat wat ik begrijp, is waar - alleen datgene wat verklaarbaar is, aanvaard ik.’

De specialist van heden is bang voor woorden, hij eist definities, proefnemingen met aantoonbare resultaten, denkt niet voor-

[p. 280]

uit, maar achteraf. Ik geef over, ja ik laat me gebeuren: alles is waar. ‘Mij overkomen zulke dingen niet,’ zegt de intellektueel; voor hem is de wetenschap journalistiek met de afspraak van hoogste waarachtigheid, weten, niet geloven.

Je kunt je pas goed realiseren, wat de werkelijkheid is, als je die helemaal hebt kunnen loslaten. Dit is ook wetenschappelijk, dit is mijn definitie. Amilnitriet. Het vlugge bonzen. De meest onmiddellijke flash voorstelbaar. Geen tegenhouden mogelijk. Niet een uur zoethouden, pasklaar voor angst: ‘er kan je heus niets gebeuren.’ Niet hoeven leren inhaleren. In Omtrent Deedee is het de redding van de reddeloze. Te laat, verzwakt, vervluchtigd.

Geen ander bewijs nodig: tenslotte maak ik het zelf allemaal mee. Dit is pas werkelijkheid, wee mij als ik de fantasie laat losbreken!

 

*

 

Zelfs Jean Genet hervindt in Playboy (april) de God, ‘about Whom I can't speak, since I don't know much about Him.’ Hij is dezelfde, over wiens Journal du Voleur ik in mei '51 voor De Gids uit Parijs mocht schrijven. Het boek was juist uit de klandestiniteit opgedoken, z'n naam in Nederland onbekend, en ik die het argot in m'n dagelijkse omgeving herkende, een gretig lezer, als nu:

‘Most of our activities have the vagueness and vacantness of a tramp's existence. We very rarely make a conscious effort to transcend that state. I transcend it by writing.’ Sartre noemt hem Saint-Genet:

‘What could I wish for, if not for a special destiny? If I wanted to make the fullest use of my freedom, my possibilities, my gifts - the only thing left for me was to become a saint, just that: in other words, a negation of man.’

 

*

 

Ik heb Alle Tijd. Ik was hiervoor aanwezig, ik kom nog na en nader. Niet schuldig, niet heilig, niet te veel spreek ik van Zen, voel T.B.'s bezwaar aan: er wordt te veel nonZens over gezegd. Bovendien kun je het dichter bij huis halen. In die drie dagen op het hoofdbureau was Alan Watts m'n enige metgezel; ik leidde

[p. 281]

een nòg ander leven dan al beschreven. Lezend, voederend, rondlopend, op mijn hoofd staand, nauwkeurig de cel aanvegend, staand, liggend, hurkend, ruitjes tellend (ik ben het aantal ver geten) beleefde ik het wuwei van het niet anders kunnen leven.

Ik probeerde mij te ontdoen van gevoelens van spanning, en de onzekerheid voor mij als richtinggevend te zien, alert opspringend als ik mee moest voor een verhoor, het eten aangereikt, de kleine routinerituelen volbracht; het luikje vijfmaal daags gedurende enkele ogenblikken de enige kommunikatie: aan de andere kant een hart, dat ik niet heb horen kloppen. Na de eerste keer het kontakt met ‘de ander’ radikaal verloren, de individualiteit opgegeven, zonder naam.

Wat een kinderwereld, nauwelijks bij machte een stem, ik wilde aan niets anders denken dan dit en mijzelf. Was ik niet God geweest? Rauw ligt de ervaring aan de bloedende groeve, dat vieze liefdeloze vreten, die ongelikte kleffe boterhammen, die gestoomde melk, die vernederingen (‘kunt u doortrekken?’), (‘mag ik wat velletjes toiletpapier?’), het einde van een periode waarin adjudant H. een vaderrol speelde: ik heb er veel van meegenomen, ik heb eraan overgehouden, ben er niet slechter van geworden. Meer afkeer van vrijheidsbelemmering. Vrijheid is het enig ware goed.

Ik hoef niet te fantaseren (ik kan niet fantaseren), het is eigen weergave, eigen ogen - niet die van een martelaar of miskende, maar die van een gretige kijker, alle sluiers opzijtrekkend, die van de zintuigen, het daarin-begrepen organisch ageren en reageren, de emoties niet meer beschouwende, de gevoelens niet langer dikterend, intellektualiserend, een afscheid van het stuurloze zelf.

At loss. At all times.

Leer ervaren de overgave, want er is niets anders.

Onderga het aan den lijve, je hebt maar één lichaam gekregen, van geboorte tot later.

Dit is maar een reisgids, de weg zelf moet ieder voor zich vinden.

Maar begeef je op weg, blijf niet op de plaats staan.

De gids heeft geen theorie.

De gids is bestemd voor de praktijk van het leven.

Hij staat, ook hij staat slechts aan het begin.

[p. 282]

Hij is er, in mij zo aanwezig, als maar kan.

Hij leert niet over-vliegen, of installeren, dit is geen inwijding, dit is nauwelijks een poging iets aan te richten (geen alchemie nog - de transmutatie), het is de onthulling van een werkelijkheid, de dankbaarheid voor het vele dat in mij schuilt,

en een raad: leer je zelf kennen.

De ingezonden brieven die ik zelf schreef waren van Herman de Veer uit Utrecht. Ik ontdekte dat hij 500 jaar geleden meehielp de Utrechtse Willem Arntsz-stichting op te richten, nadat ik mij van het ‘zelf-gevonden’ pseudoniem al meerdere keren had bediend. Het is een fase in één werkelijkheid.

De bandrecorder is geen verslaggever, stem en woord zijn niet de enige realiteit. Er is nog zoveel om mee te beginnen!

Het begin is gemaakt. Leer denken in andere termen. Neem meer aan. Sluit je niet af. Leer lachen, ontspannen, het begin is gemaakt.

Er is maar één been dat de volgende stap zet,

het andere,

het is óók het jouwe.

Gebruik beide benen.