Liefde. Zeventig dagen op ooghoogte


auteur: Simon Vinkenoog


bron: Simon Vinkenoog, Liefde. Zeventig dagen op ooghoogte. De Bezige Bij, Amsterdam 1965.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 285]

maandag 6 april 1964 [de eenenveertigste dag]

Ik kom met mezelf in het reine; onttrokken aan de dagelijkse verplichtingen, schuif ik langebaanwerk op de langere baan (de vertalingen), weiger journalistieke opdrachten en handel (niet alleen ten behoeve van dit boek, maar ook van mijzelf - altijd goed voor later, straks, nu - ik blijf handelen zoals toen, pas, nu 2) zo min mogelijk cybernetisch, zo bewust-intuïtief als maar kan. Het dagboek groeit niet langer als onderdak en onderkomen voor de feiten (soms zocht ik ze op, tot en met heden), maar de feiten zijn de neerslag van mijn handelingen in de maatschappij, waarin ik leef.

De enige hel is die je zelf op aarde maakt. Het hiernamaals bestaat uit één groot leven waarin de volmaaktheid wordt bereikt. Hoe volmaakter hier op aarde, hoe eerder voltrekking van de eeuwigheid.

Ik geloof niet meer in mijn hel, ik streef naar volmaaktheid.

L'enfer, c'est les autres. Wie heeft het gezegd? Het is juist (gezegd).

Wout (21, studie wis- en natuurkunde: de romantiek der kernfysika - na twee jaar medicijnen; in 't verschiet: psychiatrie) ontdekt politiek; alle verbanden zijn hem nu klaar. De strijd tussen Sovjet-Unie en de VS ziet hij tot in hun psychiatrische opvattingen weerspiegeld, de opvattingen over menselijke refleksen. Pavlov. Afkomst en omstandigheden, erfelijkheid, de volkskommune, de opvoeding, speelgoed voor generaals, kommunisme, demokratie (‘Wist ik er maar iets beters tegenover te zetten’) en de woningbouw. ‘Die ministers weten ook niets, waarom pakken ze de woningbouw niet aan als de Delta-werken. Daar zetten ze toch ook geen kleine aannemertjes aan, die ondertussen van de noodwoningbouw miljonair worden. De groot-industriëlen zijn de pressure-groepen, Philips, Unilever, AKU, Shell, het zijn de regeerders. Laten ze een man als Zwolsman nemen voor de bouw.’ Wat doe je eraan? vraag ik - ik weet het tenslotte ook al zo lang (ongeveer).

‘Ik praat erover met belangrijke mensen, heel af en toe ontmoet ik die, of ik praat erover met mensen die nu nog niet belangrijk zijn, maar het worden.’ Hij doelt op z'n dispuut; hij is zo kinderlijk-serieus-oprecht als zijn leeftijd én tegelijkertijd de ken-

[p. 286]

nis der psychedelica vanaf 17 het veroorloven. Ook hij door een weten geschraagd; hij ziet een doel voor ogen. Hoed je, professor K. - de wetten van stof en ruimte, tijd en energie zullen worden omvergegooid. Druivensap wordt na de inwijding geestrijk vocht.

‘Het is jammer, dat jij niet meer kwaad wordt,’ zegt hij, ‘dit soort dingen zou toch opgeschreven moeten worden. Ik schrijf wel eens heel goed, als ik erg kwaad ben.’

 

*

 

Word ik niet kwaad? Ik ben vaak genoeg kwaad geweest, maar als ik naga: waarom? Om onrecht, hoe heb ik me niet ingezet (denk ik) voor de jongetjes die onschuldig voor een half jaar of langer in de gevangenis terechtkomen omdat ze marihuana roken; hun leven gefnuikt door de vernedering, de reklassering en de nieuwe verstandhouding ouders-maatschappij-school-studie. Of ze maken het, en hoe. En dat hebben ze dan niet aan de maatschappij te danken. Maar aan de bewustzijnsverruimende middelen, die nu nog staan op een lijst van fiktieve taboes. Geen gezond taboe. Geen werkelijk taboe, maar een verdringing van angsten, gevoed door een slechte voorlichting en een negentiende-eeuwse moraal. Een negentiende-eeuws denken, dat vastlag vóór Freud, Einstein en Hiroshima.

Ik preek een nieuwe moraal. Ik open de kerken voor andere inwijdingsfeesten (‘gospel and jazz’ zijn nu zulke lapmiddelen), ik geef je een nieuw doel in je leven, het bestaat niet uit woorden, het vooronderstelt een onmiddellijk àndershandelen: je gaat er iets van maken. Neem iets prettigs in het onmiddellijke vooruitzicht, je gaat iets nieuws kopen, stel je hele leven op het prettige gevoel in; klaag je nood tegen een ander, en zie dat jij de enige bent die de nood kunt lenigen. Weet de anderen te gebruiken, laat je helpen zoals ook jij straks weer kunt helpen. Want we zijn niets zonder elkaar, we maken het alleen als we afhankelijk worden; en ik spreek niet van een maatschappij als deze, waarin de mens eerst volkomen onafhankelijk moet worden, wil hij ontkomen aan beperkingen van afkomst, milieu en opvoeding - ik spreek van later, straks, nu -

dit zijn twee kwade invallen. Ik word nooit kwaad. Nee, want ik word wel eens kwaad. Ik maak me kwaad als het onnodig slecht gaat met het goede.