Liefde. Zeventig dagen op ooghoogte


auteur: Simon Vinkenoog


bron: Simon Vinkenoog, Liefde. Zeventig dagen op ooghoogte. De Bezige Bij, Amsterdam 1965.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 305]

dinsdag 7 april 1964 [de tweeënveertigste dag]

Reineke vraag ik om raad: wat moet ik doen met die brief van de verpleegster van Achterberg? Waarom blijft de dichter zich voortdurend aan mij opdringen, wat heeft hij te zeggen? Het verleden rust niet. Ik weet het. ‘Zet de andere kant eens op’, ik wil niet alleen maar luisteren en denken, maar ook de muziek nog horen en de ademende aanwezigheid van de twee anderen: René die schrijft of tekent in de Hongkong-Diary (gelinieerd, in zijde gebonden, ƒ4, - in de Leidsestraat, met gekleurde prentjes en op elke pagina een grijze achtergrondversiering van vogels, vissen en jonken) en Reineke, die me voorhoudt het verleden te laten rusten. Ze heeft gelijk, maar waarom komt die man telkens langslopen, om me te herinneren aan wie hij is, wie ik ben? Ik breng andere gevoelens boven, houd mijn lachen niet langer in, hartelijk lach ik, gaandeweg verandert haar onrust in medelachen: ‘Waarom lach je?’

Ik hield haar de spiegel van de eigen spanningen toe, een onvoorstelbaar gebeuren in ons samenzijn; het is alsof het spiegelbeeld ver-stoort. De spiegel van onze liefde, waarin wij onszelf samen zien, moet zo zuiver zijn als de ziel (bij de Vedantim een spiegel), zo helder mogelijk en niet door verwering, gebruik en onoplettendheid aangetast. We lachen samen; ze houdt zich tegen me aan en streelt mij, laaiende passie. Hoe geil ben ik? We staan bijna gelijk van hoogte tegen elkaar, we kunnen elkaar niet aanzien, zo intens zijn de gelijktijdige verlangens.

Als er niet een derde bij was (nu jaag ik hem naar huis) lag ik al onder, naast, boven, in haar - in dit lichaam ook die hartstocht, en hoe. (René voelde het niet aan, ik neem hem niets kwalijk, hij had het niet zover moeten laten komen, dat ik hem vroeg te gaan. Het is kwart voor een, hoe laat is het Reineke? zij maakt aanstalten naar bed te gaan, de heer des huizes tikt en vrijt. René gaat eindelijk weg, ik breng mijn vrijen ten uitvoer.)

De bewustheid van de opzet besloeg de spiegel.

Ik tik, weer in haar ochtendjas gekropen achter de machine, verder. Ik heb ons door Ravi Shankar (World-Pacific 1421) laten begeleiden, we sloegen gedachtenstromen over, wadende door andere stromen van benen en lichamen en armen en handen en vingers en

[p. 306]

ik leer de tekenen kiezen, ik reis niet langer in het wilde weg, ik heb het terrein weten af te bakenen: ‘tot hiertoe heb je toegang en niet verder: dit ben ik, niet langer alleen, je bent me genaderd. Nu moet ik tot je komen.’

En ik kom, weg of niet, zet je deuren open.

Je hebt me binnengelaten, lezer, nu ga ik zitten, doe als kind aan huis, zie het met de andere ogen die jij nog mist als je mij niet op mijn woord wil geloven.

Ik bezweer je, en je demonen, je goede en kwade naturen, je hoge en lage instinkten, ik doe het wonder bovenkomen, ik haal je uit de materie, want daar hoor je niet: je hoort on top of the world, je ware ik, dat herkenbare achterhaalbare onpeilbare diepe wonder, dat ‘ik’ heet verdient geen geld, maar de hemel op aarde. Wat kan ik eraan doen? Ik geef er mijn leven voor. Ik zal het weten, want ik wil niets dan weten. Dit ben ik. Ik ben, in leven o.a. Ik ben een ware verslaggever. Steeds meer te geven,

ik blijf iedereen antwoorden,

ik laat iedereen binnen,

ik ben inderdaad een moedig schrijver (Stephen tot Michael),

want waarheen ik ook ga, ik moet altijd terugkomen

om te verhalen - dat heb ik verkozen. Dat is mijn leven.

Ik laat je niet alleen, wil ik het niet te geloven waarmaken:

het zal steeds moeilijker worden, of eenvoudiger,

maar steeds zal het zwaarder wegen van waarheid. Dit is maar half-zacht of half-sterk: dit is de eruptie van de plotselinge ongekoördineerd-geproduceerde ekstase van het weten, zeventig dagen de lakens opengeslagen.

Ik zal het weten moeten kiezen, uitdelen, rantsoeneren,

want ik moet worden verstaan. Tenslotte - sta mij toe, dat ik voor je op de knieën val, want het is voor mij een belangrijke zaak - alles in dit verhaal berust op mijn waarheid. Ik heb waarheidsgetrouwe ogen.

Alles waar. Dit is zeer zeker waar. Zo waar als op de foto, tel slechts één dimensie meer (de mens zelf), altijd en waar ik ook ga.

Ik ben drager van een extra-dimensie weten. Zie mij, als ik ga.

Ik ben vertrouwd in mijn gebaren, ik weet de massa die de mijne inneem, het volume dat ik besla; onmetelijk is de energie die in mij wordt geboren.

Dit is waar, dit is - en ik breek haast onder de last - zeventig

[p. 307]

dagen rauw, schoon aan de haak, en nog weet ik niet waarheen dit leidt.

Verontruste kollega: ‘Dat boek moet je, als je het afhebt, twee maanden laten rusten.’ Dit tik ik 16 juni over. Rust? Rust. Dit lees ik 4 oktober weer. OK.

Hij vreest voor mij, voor m'n verstand, voor het vele dat ik zou kunnen zeggen en anderen in gevaar brengen, slecht begrijpt hij dat het verhaal slechts dan waar is, als het gelezen wordt terwijl het wordt geschreven. Lees mee, lezer van vandaag, deze dag dat je ogen deze regels bereiken is het even waar als - kijk om je heen. En wat zie je? Kijk eerst naar je -