|
|
|
| |
donderdag 9 april 1964
[de vierenveertigste dag]
Wat is een wonder? Wie in wonderen gelooft, heeft het eeuwige leven.
| | | |
‘You're always looking at yourselves.’ (Don tegen Ewald en mij.)
Natuurlijk, wij willen altijd onder woorden brengen, wij willen altijd weten wat er met ons gebeurt. Wij willen terugkomen, om te vertellen, zelfs al zijn we Ergens Anders (Somewhere Else); ik probeer niets te verdonkeremanen.
Cremer en het statussymbool: ‘Ik heb geen huis.’
‘Vind je dat niet belangrijker dan een auto?’
‘Nee, waarom?’
‘Een huis is een noodzakelijkheid, een auto een statussymbool.’
‘Ben jij soms zo goed, met je scootertje?’
‘Ik beoordeel geen mensen, en zeker niet naar hun maatschappelijke bezittingen.’
Het wonder bestaat als een feit, het staat geboekstaafd, het is beschreven, de eeuwigheid - alsof het (wat het is) een vanzelfsprekend feit is, wat het is, het wonder. Zoals elke ervaring. Elke ontmoeting met de mens.
Het eeuwige leven laat zich niet op de mouw spelden, als het eerste het beste melkbrigadiersbrevet; het is niet minder dan het totale verlies van tijd- en ruimtebesef, het is inderdaad het hier en het nu.
Ik ben getuige van een wonder. Het zal verklaard kunnen worden, uitgelegd, daar ben ik zeker van, morgen een deskundige, over een maand ben ik het vergeten, maar het blijft een wonder, omdat het onderdeel was van een ogenblik, dat zich bevestigd zag door mijn woorden, mijn aanwezigheid.
Nikolaas hier deze avond, als eerste van een selekte schare liefhebbers: Karel, Adriaan, Michael en Eduard P. De pseudo-energie, door amfetaminen in zijn wezen (persoonlijkheid of essentie) vrijgemaakt, een vicieuze cirkel, want leidend naar verslaving,† doet hem zeggen: ‘Ik kan geen mening meer hebben, ik zie overal het tegendeel van in.’
| | | |
Het is een onnoembaar punt in het leven, het weten, het denken, dat ik heb meegemaakt, waar niets tussen de keuze van goed en kwaad overblijft, waarbij de mens voorbij de grens van zijn machinale handelingen (denken, voelen, lichamelijk weten, de hartstochten, de driften, het intellektueel begrijpen) een groot aantal dingen tegelijkertijd te verwerken krijgt, met Gods genade: de overgave, het geduld, de liefde, de aandacht, de onderwerping, het vertrouwen in de eigen oprechtheid: het vinden
| | | |
van een doel,† het uiteindelijk besef dat welk middel dan ook een instrument is, zó bewust te gebruiken dat die opstanding van de mens wordt bereikt, waarbij het Koninkrijk der Hemelen binnen ieders bereik ligt.††
Ik druk me in termen uit, die voor velen onaanvaardbaar, voor sommigen onverstaanbaar, voor anderen niet-aantoonbaar zullen zijn.
Maar het is mijn heilige overtuiging, gesterkt door 36 jaar persoonlijk doorleefde ervaringen - dagelijks weet ik meer daaruit te ontdekken -, een onbevooroordeeld kennisnemen van menselijke uitingen en reflekteren over de opdracht die de mens op zich heeft genomen, dat het Godsbesef deel uitmaakt van het menselijk bestaan, dat de mens pas zichzelf kan worden in zijn persoonlijke verhouding tot God, en dat hij in die relatie, waarin verantwoordelijkheid, rechten en verplichtingen samenvallen, zijn hoogste toppen kan bereiken: het leven in een wereld van daadwerkelijke vrede - een vrede, die niet meer de tegenstelling is van de oorlog, maar een ‘blijvende’ toestand waarin de mens onbekommerd zijn hogere opgave kan vervullen: de beleving, hart en ziel, van de goddelijke liefde.
Hoeveel slachtoffers tussen religie en rebellie, hoeveel gestorven aan misverstanden, de hoekse en kabeljauwse twisten aller tijden. In de overgave aan het leven, waarin de onvermijdelijke dieptepunten, het lijden en de pijn, ligt het bewustzijn van het ware zelf, dat op het stervensmoment tot volledige ontwikkeling kan komen, om - hoe dan ook - een nieuw leven te beginnen.
Leven is de voorbereiding tot de dood.
Leven met de dood is leven. Leven met angst voor de dood is levenloosheid.
| | | |
De regels van Antonin Artaud, in de inleiding tot Spiegelschrift-gebruikslyriek (mijn laatste dichtbundel, uit 1962) vergezellen mij, als leidraad, waarheen ik ook ga:
‘Aller au Thibet pour moi, c'est d'abord écraser le Thibet de l'âme, l'Himalaya de l'âme dans mon corps et faire de mon corps un Himalaya où les esprits de haine ne pourront plus accéder jamais. Toutes les âmes qui m'aiment seront-elles aussi d'autres Himalayas à côté du mien et que j'aiderai à exister contre la haine qui a voulu les perdre et n'a cessé de les rabaisser.’
In november '56 bleef schrijver dezes, in India voor een tweemaandelijkse UNESCO-konferentie, steken in het bergdorpje Nainital. Drie dagen rust: een station-car met James aan het stuur en vier UNESCO-employés, onder wie ik, langs ongebaande wegen en dwars door rivieren noordwaarts (onderweg enkele malen stoppen: met een geweer schoot een reisgenoot grote vogels omlaag), maar de Himalaya heb ik slechts van een afstand, en nooit van bovenaf gezien; het dorpje zelf, de berg en het meertje, waaraan ons houten hotel, lagen al op grote hoogte - de rit per auto vanuit New Delhi, een lange dag, ging voortdurend in hoger sferen, wij zagen voortdurend in verre verten gevaarten van 6, 7, 8000 meter oprijzen die altijd op een te verre afstand bleven om ‘majestueus’ boven ons uit te rijzen.
Hoe hoog was ik, en hoe vlak of gewelfd de groene hoogvlakte voor me? Afstanden waren zonder enige betekenis, er hingen geen wolken, het was een blauwe hemel met de horizon ver voor mij, onder ooghoogte. Maar die horizon toonde niet, zoals alle andere horizonten die ik in mijn leven heb gezien, een duidelijke grens tussen hemel en aarde,† er was geen onderscheid.†† De sneeuwwitte toppen van de Himalaya gingen teloor, rechts en links, overal in mijn gezichtsveld - achter mij de niet zo hoge berg, die ik beklommen had, begroeid met bomen, een weg die zich van links naar rechts àchter mij uitstrekte, waaraan later een boerderij; we zijn op het dak geklommen, zo steil was de helling, we hebben er, Georges Ravenot en ik, in het op het dak drogende hooi gelegen, op onze ellebogen kijkend naar het wonder van de Himalaya voor ons, de hemel boven ons, een rust die door geen mens in eeuwen was verstoord, ontoegankelijk en in
| | | |
oppermacht aanwezig: we hebben foto's genomen, het komt niet over, ik zie nu pas wat ik toen zag. Het is een nieuw wonder.
Ik was niet aan de rust toe, die ik nu voel bij het bezien van de foto's, maar hoe onrustbarend toch nu, juist nu, nog het verlangen de Himalaya te beklimmen, hoe dan ook, aan de psychedelische parachute in de vrije val - via de vele andere transcendentale belevenissen.
Aan de einder de besneeuwde, gekromde horizon die zijn geheim niet prijs gaf: waar begon de hemel, waar eindigde de aarde? Ik kan niet vliegen, de ruimte die voor mij open lag was onbegaanbaar. Ik werd door alles teruggehouden: ik had geen vleugels, was acht jaar te jong, geloofde in grenzen en het reisgezelschap dat naar New Delhi terug moest keren met mij, een dag later - wij waren internationale ambtenaren. Wat had de Himalaya mij te zeggen, behalve de fysieke bevangenheid? Ik wist weinig af van hoogten en ik stond er te ver van af, om op een andere manier onder de indruk te zijn dan als de toerist, die zich laat kieken. De kiekjes blijven de herinnering bewaren, helpen mijn ogen opnieuw te kijken; ik had nog te weinig geklommen - zie ik nu -, te weinig had bewust plaatsgevonden, ik was nog niet mijzelf. Ik bleef op de drempel steken, binnen handbereik, wist het gebaar niet te maken, kende de overgave nog niet. Ik ben mijzelf, dwz. ik leer mijzelf kennen.
*
Nikolaas, die niet weet hoe de Himalaya van zijn ziel te beschermen tegen de aanvallende geesten van de haat, weet niet te kiezen tussen de woorden van de psycholoog (hij is vijfde jaarspsychologiestudent) of de muziek van de musicus, die hij ook is. Welk instrument? Soms denkt hij, dat slechts het woord van God komt, en de muziek des duivels is, een uiting van verdoemden.
‘Is het niet zo,’ zeg ik, ‘dat woorden intellektueel uiten wat muziek per pure emotie overbrengt, en doet de schilder weer niet geheel iets anders, meer lichamelijk, zintuigelijk?’
Waarom geen genezing door de muziek geprobeerd, is niet het dansen de muziek van het lichaam, een beweging waarin het levensritme schuilt? De dans een religieus ervaren van geest en lichaam tezamen, ongescheiden?
| | | |
Dan komt hij op de gedachte, over muziek te gaan schrijven, hij zegt dat Hans van Sweeden hem altijd verbood over muziek te spreken: het wonder moest onaangetast blijven.
‘Ik moet over die angst heen,’ zegt hij, ‘ik zou het eigenlijk moeten opschrijven om niet te vergeten.’
Ik reik hem het papier toe: ‘Schrijf het dan op.’
Hij begint te schrijven, de bloknoot op de knie.
Ik kijk naar zijn steile, gekreukeld-intelligente handschrift. Hij ziet mij kijken: ‘De fysieke aktie van het schrijven is me al onaangenaam,’ zegt hij weer en blijft praten.
Ik raad hem aan zich te ontspannen, achter mijn bureau te gaan zitten, gun je schrijvende hand zoveel mogelijk rust, leg je pols zo ontspannen mogelijk op een plat vlak, gebruik je pen als het penseel waarmee de Chinezen hun vlugge, bezonken schrift schilderen.
Hij zet zich neer, en schrijft: ‘Vergeet de angst voor het praten over muziek. Schrijf er desnoods over.’
Hij is klaar, scheurt de pagina uit m'n bloknoot, ik voeg hem vanaf de divan, glimlachend, toe: ‘En er nu onder schrijven: geen woorden, maar daden.’
peng! Rinkelekink...†
Op het ogenblik dat ik de zin beëindig: ‘daden... (geen tijd voor antwoord, nadenkende stilte, komma, aanhalingsteken sluiten, reaktie) knalt de ruit voor het bureau, scherven rinkelen achter het gordijn naar binnen. Nikolaas springt op van de stoel, schuift onderhand achteruit, wat zeggen we?
Ik blijf, doodstil, onbeweeglijk luisteren, voelen, denken, ondergaan:
wat gebeurt hier?
Dan schuif ik het zwarte gordijn opzij, we zien: een bijna volmaakt rond gat, als een q met de haak rechtsonder, ongeveer vijftien centimeter in doorsnee, vlak voor de plaats waar de stoel staat voor het bureau, dat voor het raam staat, de achter het bureau gezetene kijkt erdoor naar buiten.
Dit ogenblik: twee uur 's nachts, de kachel (die weer op loeihitte heeft staan branden) is uitgegaan, ik heb het gordijn weer opzijgeduwd om het gat te zien en te beschrijven; er is naderhand nog een stuk glas vanuit de bovenkant van de cirkel uit de ruit
| | | |
gevallen, toen we het raam openschoven - door de gebroken ruit strijkt een koele nachtwind over m'n knieën.
We hebben de rest van de avond gelegpuzzeld, geprobeerd door middel van de bijeengeraapte scherven het gat te hervormen, het is gelukt: in het midden een ongeveer anderhalf centimeter groot, waarlijk ontbrekend gat (ontbrekend, aanwezig in de vorm van duizenden kleine splintertjes die op vensterbank en vloer liggen).
Ze vormen het bewijs van de aanslag, gepleegd vanuit de geest (‘laten we er lering uit trekken, de daad zien als de bevestiging van het woord, en verder niet naar een verklaring zoeken’ - Adriaan) of vanuit een van de ramen aan de overzijde, de achterkant van de huizen aan de Marnixstraat, of uit een van de tussenliggende tuinen.
Onmiddellijk na het gebeurde keek ik uit het raam, de scherven vielen naar binnen, komt de handeling (het breken van een ruit) dan van buiten? Wat is de relatie tussen binnen (mijn woorden, die de daad oproepen) en buiten (de daad die m'n woorden bevestigt)? Een causale of finale beschrijving? Wat wil ik? Enkele verlichte vensters, zonder overgordijnen, meestal keukens, uit een ervan buigt zich twee hoog een vrouw een ogenblik voorover naar beneden alsof ook zij het geluid van de knal en het daaropvolgende glasgerinkel heeft gehoord.
Ik haal Maja, Billy erbij. Ik klop op hun deur, kondig niets aan dan: ‘Kom kijken naar het wonder, dat bij mij is gebeurd.’ Ze kijken, ik leg ze uit hoe het gebeurde. ‘Een omen,’ zegt Billy. ‘Het noodlot?’ vraag ik verbaasd. ‘Nee, niet het noodlot,’ korrigeert ze mij.
Ik zoek op bij Van Dale: een voorteken, goed of kwaad.
*
Ik besluit het ‘raadselachtige gebeuren’ (hoe wonderen degraderen), ‘het geval’ (wanneer begint een gebeurtenis een geval te worden?) aan te geven bij de politie. Ik wil vereeuwigen, denk ik: een kwartier later, tegen halftien 's avonds, de voors en tegens zijn overwogen. Met Nikolaas stap ik naar het politiebureau Leidseplein.
‘Als ik 't goed heb, komt er 'n S. voor?’ vraagt de dienstdoende, als ik eerst mijn achternaam heb gegeven. Het adres wordt
| | | |
genoteerd, de ligging aan de tuinzijde, de man schrijft (terwijl ik geen oorzaak heb durven noemen, alleen het gevolg vermeld: het bewijs, dat ik in een grote papieren envelop bij me heb): ‘ruit buks.’
‘Dan toch hoogstwaarschijnlijk?’ opper ik.
‘We mogen toch wel aannemen, dat u de waarheid spreekt?’
Mijn waarheid durft geen buks te veronderstellen, laat het wonder, de steen, de hitte, alles nog open. Ik dien geen aanklacht in, tegen X, ik wil alleen maar weten, waarom? Wat?
Hetzelfde antwoord krijg ik weer, als ik vraag of ik nog bezoek krijg om het gat te bekijken (de glasscherven worden ook geen blik waardig gekeurd):
‘Dat hoeft niet, u spreekt toch de waarheid?’
‘Nee, ik heb geen kogeltje gevonden.’
‘We zullen het muteren,’ wordt mij aangekondigd.
‘Wat is dat?’
‘We zullen er een vermelding van maken in het rapport, gaat iemand kijken.’
*
Dit is maar een kleine ‘mutatie’ (in een rapport); we zijn niet veel wijzer geworden. Andere mogelijke oorzaken worden in de loop van de avond geopperd: de spanning van het glas, door verschil koude (buiten) - warmte (binnen).
Ik heb me als een slachtoffer gedragen: ‘Volgende keer schieten ze raak,’ lach ik, en wijs op mijn oog. Ik koester dienaangaande geen enkele angst, overigens, voor mij blijft het een (boven) natuurlijk gebeuren. It's all in the (same) game.
*
Zovelen voelen zich geroepen te schrijven, over dezelfde onderwerpen. Wat moet ik ze raden? Schrijf over jezelf, begin aan je eigen leven, gebruik geen tweedehands kennis, probeer te weten te komen voor wie je schrijft, doe het vooral zo eenvoudig mogelijk -
en als hèt onderwerp ter sprake komt, let dan nog meer op: gebruik geen molekulaire strukturen als je niets van scheikunde weet, teken alleen dan als je kunt tekenen, weet het verschil tussen suggestie, subjektieve waarneming, oorzaak, gevolg, dis- | | | | kursieve logika, weet dat de stoutste fantasie nog altijd werkelijkheid is. We schrijven: werkelijkheid.
‘Ik weet het allemaal, maar ik kan er niets mee maken.’ Dan is het schijnkennis, Eduard, dan ben je je verantwoordelijkheden nog niet bewust - en je bent niet de eerste (de beste) die ik dit hoor zeggen. Het weten houdt bovenal in het kennen van jezelf. Want kennis is vaak het opwerpen van een barrikade tussen jezelf en het handelen. Vluchten, depressies, blue and sad, hoofdpijn wordt paranoia. Hoe is de verhouding tot je moeder, E.?
(Ik maakte zijn sinterklaasavond mee, we zaten in het restaurant waar hij borden waste om er voor niets op een kamer te kunnen wonen, onverwacht kwam zijn moeder binnenstappen met wat kleine cadeautjes, een jonger broertje aan de arm. Verlegen pakte hij (26) de boodschappentas uit, een voor een uit het papier halend (op mijn aandringen: ‘Je mag je moeder toch niet zo maar weg laten gaan? Drinkt u toch 'n kopje koffie mee, mevrouw’): een worst, een blikje soep, een pakje sigaretten, een paar sokken, e.d.).
‘Ze is ziek geweest,’ vertelt hij, ‘ze voelde zich niet goed.’ Hij kwam op bezoek, zette koffie voor haar, laat haar alleen achter, gaat het huis uit, komt 's avonds terug, merkt een vreemde sfeer op, ‘ze richten amper het woord tot me.’ Opeens het woedende verwijt van zijn moeders vriend: ‘Wat heb je in de koffie van je moeder gedaan? We bellen de politie op, hoor, we zeggen dat ze je spullen moeten doorzoeken!’
*
Ik kan slechts spreken door mijn leefwijze. De Engelsman Michael heeft zich door Robert Jasper de komst van Klaas laten verkopen: iedereen Sinterklaas, altijd bereid tot geven, elke dag de Klaas-liefde, de laatste der heiligen die wonderen volbrengen. ‘Iedereen gelooft toch in Sinterklaas? Ook de volwassenen, anders zouden zij het geloof toch niet aan hun kinderen doorgeven?’ vraagt hij me bijna wanhopig. Hij werkt als arbeider bij Luycks, wil uitvinden wat hij met zijn sociologische opleiding uit Manchester kan doen.
‘Werken er meer buitenlanders?’
‘Yes - they call it Piccalilly Circus!’
| | | |
Het boek van Møller: Stimulantia (Leopold, 1951) voor velen stimulerend lezen. Pagina 60: Wat is de roes? Op de primitieve kultuurtrap het aangewezen middel om in kontakt te komen met wat wij het bovennatuurlijke noemen, voor de natuurvolken op zichzelf niet meer bovennatuurlijk dan iets anders. Tijdens de roes ziet men in de toekomst en worden de toekomstige gebeurtenissen aangekondigd. Tijdens de roes begeeft de ziel van de medicijnman zich naar verre streken of nemen geesten bezit van zijn lichaam en spreken door zijn mond. Tijdens de roes ontvangt de gunsteling openbaringen van de machten, die hem later in de strijd om het bestaan zullen bijstaan.
Pagina 61: De roes is niet alleen verbondenheid tussen de mens en zijn godheid, maar ook tussen de mensen onderling, als deelnemers aan een ritueel, de roes is heilig: het druivensap van de Dionysosvereerders was het bloed van de godheid. (Overeenkomsten: de hostie van het r.-k. ritueel, de peyote in Mexico etc.
Pagina 64: Hasjiesj een met vet of honing bereid extract van de gewone hennep (cannabis sativa), de bekende plant waarvan de vezels gesponnen worden, oorspronkelijk thuis in Zuid-Rusland, Turkestan en India (bhang) waar hij vermeld wordt in het artsenijboek van Sucruta uit de eerste eeuw na Christus, en reeds in de grijze oudheid wordt hij in Shu-Ch'ing, een van de oudste klassieken genoemd.
Pagina 88: Bij de Baloeba's in de Kongo gaf het hennep-roken aanleiding tot het ontstaan van een soort sekte, welker leer enige tijd tot staatsgodsdienst verheven is geweest. Gedurende deze periode werden alle fetisjen verbrand en tovenarij en heksen-processen afgeschaft; de aanhangers der nieuwe leer waren verenigd in het geloof dat hennep het enige middel was dat voor tegenslagen in het leven behoeden kon. Naakt en met gladgeschoren schedels verzamelden zij zich des nachts, om onder inachtneming van bepaalde ceremoniën aan het henneproken deel te nemen, iets dat echter later door het Europese gezag is verboden, wegens de nadelige gevolgen voor de volksgezondheid.
(Dat wil ik nog wel eens nazien: de nadelige gevolgen. Ik geloof er geen steek van; wat ik wel geloof is dat tovenarij en heksenprocessen, ook in deze maatschappij, kunnen worden afgeschaft als men in plaats van alkohol en tabak de hennep als genot-middel gaat invoeren.)
| | | |
Een aktieve maand is dit, ik verhuis naar het voorlopig laatste adres van mijn omzwervingen. Gisteren de stalen kast met vier laden, waarin niets dan papieren, het zwarte houten bureau met laden vol niets-dan-papieren verhuisd, ondertussen mijn boekenkast opgezet met niets-dan-boeken-en-papieren. Wie zijn uw vrienden?
Ik dacht raad te kunnen geven, maar het is altijd goed als het niet nodig blijkt te zijn.
Als je een probleem aan een ander voorlegt, krijg je een antwoord of het probleem lost zich op. Als je het antwoord krijgt, heb je de oplossing nog niet; die heb je pas, als je de vraag juist stelt. Bergson, Wiener, ja Nikolaas.
De raad in casu: ‘Je kunt niet zeggen dat je alles al weet, je weet niets en je zult het pas weten op het ogenblik dat je sterft.’
Een lam antwoord (ik ben moe, stuur Eduard weg, hij heeft getekend en geschreven, ik heb hem driemaal laten weten dat hij niet tegen me moet spreken, als ik tik - maar hij vertelde zulke ontroerende verhalen, dat ik wel luisteren moèst. Hij trekt z'n laarzen weer aan, maandag vertrekt hij naar de Spaanse vlieg): ‘Hoe kon ik je in énkele woorden zeggen, dat ik ook dàt al weet? Dat weet ik toch óók, dat hoefde ik er niet bij te zeggen.’ Eduard af.
Het wordt moeilijk, wonderen vermoeien, een plantje waarvan ik de naam ben vergeten siert mijn bureau, roodpaarse bloemen rond dito bloembodem, kern, of kroon: een doffe glans, bestofte fluwelen bladeren. Het leeft.
|
†wat is verslaving? Een afhankelijkheid van het lichaam, de geest? Wat in Nederland onder verslaving verstaan wordt is een ziekte, waarbij de gebruikers ‘tot geestelijke en lichamelijke wrakken’ worden.
Wat mij treft in het betoog, dat mr. Van Renesse gisteren gehouden heeft tegen een 26-jarige magazijnbediende, is dat hij wél de diagnose stelt: ‘verslaving’, maar geen geneesmiddel aanwijst. De jongen krijgt gevangenisstraf: ‘dat doet hem goed.’
Dat denkt trouwens ook de jongen (‘maar goed dat ik tegen de lamp ben gelopen’), maar helpt men hem daarmee van zijn verslaving af, worden de oorzaken weggenomen? Komt de jongen, na zijn detentie, in een hospitaal terecht, of in een andere inrichting waarin hij van zijn verslaving kan genezen? Nee; verondersteld wordt dat de jongen - in die maanden gevangenis - wijs genoeg is om zijn ‘slechte vrienden in Phonobar, Shéhérazade en Cotton Club’ in het vervolg te mijden. Hij wordt weer in de maatschappij teruggeworpen, mét de ziekte, waarvan men hem niet heeft afgeholpen (terwijl hij ook nog ‘verstandig’ moest worden in die tijd, dmv. rekreatie, gymnastiek, wasknijpers aan papiertjes knijpen, zakjes plakken, luchten, tuinieren, in de keuken helpen, en andere voor zijn geestelijk welzijn zeer bevorderlijke bezigheden), mét de mogelijkheden tot ‘opnieuw tegen de lamp lopen’. Of, wat zegt u, de jongen is niet verslaafd? Hij kan immers in de gevangenis zes, negen maanden zonder zijn amfetaminen, zijn dexedrine-preparaten van Brocades Stheeman? Zonder te vervallen tot wrak, tot slachtoffer van de ‘dope’? Dan is hij niet ziek, niet verslaafd, en ook niet strafbaar. Quod erad demonstrandum. Hij is wél ziek, als hij niet zónder kan, en over enige tijd na afloop weer eens wordt gegrepen: dan moet er iets komen. Op dezelfde pagina van dezelfde krant waarin ik het verslag lees: overwogen wordt een inrichting waar de managersziekte kan worden genezen. Wat eist meer slachtoffers, de dope of de managersziekte? Laten we toch de oorzaken genezen, en niet de ziekte-alleen, door middel van ‘straf’, en ‘ernstige waarschuwingen’. De maatschappij hoort niet alleen te genezen, maar bovenal te voorkomen. Laat zij zien, in hoeverre zij tekortgeschoten is ten opzichte van deze jongen. Laat zij van hem leren, hoe een andere verslaving te voorkomen. Taak voor de Zus en Zo Stichting.
†Twee versies strijden om niet-identieke bewoording.
Ik verbeter voortdurend, sla zinnen bij het overtikken over, breng soms een andere zin aan, onderbreek, ga na ‘of nog klopt’. 95%. High score.
Er stond ook eerst: waar niets dan de keuze tussen goed en kwaad overblijft, wat bedoel ik nu? Ik begrijp soms ‘de bedoeling’ niet meer, ik voeg dan bij: ‘voorbij de grens’ in plaats van: ‘voorbij zijn machinale handelingen’.
Ik voeg bij ‘de aandacht’, ‘het doel’ kan ik niet door andere woorden vervangen.
††‘van het lichaam’ ipv. ‘van de mens’; zin versneld, en uit eerste versie één keer bereikt worden vervangen door liggen-binnen-bereik.
††Er is geen onderscheid!!
†Als iemand de onomatopee wil verduidelijken, graag!
|
|