Liefde. Zeventig dagen op ooghoogte


auteur: Simon Vinkenoog


bron: Simon Vinkenoog, Liefde. Zeventig dagen op ooghoogte. De Bezige Bij, Amsterdam 1965.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

vrijdag 17 april 1964 [de tweeënvijftigste dag]

De Beatle-terrorganisator (een van de twee Formentera-jongens, die binnen een jaar miljonair zijn geworden) is bij Robert Jasper geweest; hij noemde Nederland tegen Michael mentally flat; deze verdedigde Amsterdam. Een teleurstellende ontmoeting; als R.J. nu eens zijn ideeën uiteenzette tegen zulke mensen, bereikt hij meer voor de uitwerking van zijn ideeën, dan pratend voor de bandrecorder van Ratio.

Van deze mythologische figuren (Klaas, R.J., Huub, de andere goden en halfgoden) maak ik toch geen schrijvers: de medicijnman zoekt andere middelen voor zijn uitverkorenen... Darky zal schrijven, Emmanuel, en wie weet de anderen.

[p. 369]

‘Mensen die de K niet kunnen uitspreken,’ hij lacht en gelooft me nauwelijks:

‘Gristus is gestorven aan het Gruis. Ugche, ugch, ugche - met die G (van God) van Sgeveningen, dat is onze geheimtaal, wij zijn de knechten van Klaas, wij zijn toch Hollanders? Daaraan herkennen wij toch niet-Nederlanders?’

‘Het gaat niet om de macht’ (daar wilde ik hem aan helpen, hij leidt een leven als een avontuur), ‘het gaat om de sfeer, het klimaat dat er geschapen wordt. Het gaat om het Magisch Centrum Amsterdam, ik ben het centrum niet. Als je nog niet vervuld bent, kun je alleen maar dienen. Het feest op Jagtlust: ‘Je weet wel, zo'n huis met zalen van kamers, bij de zuster van Heintje. Dat beschrijft Van het Reve in zo'n boek, dat toch weer een bestseller geworden is, dat komt toch onder het oog van heel wat mensen.’ Wij verschillen vier jaar min één dag, die ik ouder ben. Ook hij herinnert zich nog de Consi's die hem op zijn elfde in de zwarte sigarettenhandel brachten.

‘Hij beschrijft je overigens als een ekshibitionist,’ zeg ik, doelend op de Reisbrief uit het Gooi in Van het Reve's Op weg naar het einde.

‘Maar dat ben ik toch!’ En hij wijst op zijn laatste affiches: ‘die hele sfeer van pisbakken en jongetjes. Het Amsterdams Lieverdje is toch ons Manneke Pis, die stille omgang, dat is toch ekshibitionisme...’

Hij kent zich zo goed, bovendien is hij gelukkig: we volgen hem aandachtig.

Waarom is Amsterdam zijn unieke helden niet dankbaar?

 

*

 

De slaapkamer in twintig minuten gebeitst; twee matten; de matras van Lodewijk. Spiraal van Hilda. Dank. Alles past, een bliksem-maaltijd bij drs. T.B., en R.J. die me begeleidt, ik kwam hem voor de deur van Huub tegen, toen ik er een nijptang ging lenen. Nieuwe ideeën, verlangen te werken, driehonderdzesendertig steigerende pagina's.

We zijn niet naar de grote Happening gaan kijken: over enkele uren de aankomst van koningin juliana. Gedicht in de Shéhérazade. Ik luister naar de gesprekken van musici:

‘Laten we nou maar gaan spelen, iedereen loopt toch weg.’

[p. 370]

‘Omdat jullie dat gisteren zo mooi gespeeld hebben, ik kàn het niet.’

‘N. heeft twintig gulden uit de kas gehaald; hij zegt: 't is toch mijn club?’

Bassist valt uit tegen pianist, die spoor bijster is.

 

*

 

Het is soms te moeilijk de mensen te herkennen, die je zo graag hun verhaal vertellen. Als je ze eenmaal naakt hebt gezien, niemand anders erbij, en je ziet ze terug, waar anderen bij zijn, en je kunt dan gadeslaan welke kleren ze hebben aangetrokken, aan welke image ze nog willen beantwoorden, hoè ze veranderen: het is te gek voor woorden...

‘Hoe gaat het met je boek?’ (Mr. H.K.) ‘Goed,’ zeg ik naar waarheid, nietwaar, ‘ik heb het de laatste drie weken niet over je gehad.’ Onmiddellijk een filippica, hij probeert me een notitieboekje uit de handen te grissen, belemmerend de ambtenaarschrijver het uitoefenen van zijn registrerende funktie: ‘Je bent een leuke jongen hoor, je kunt meteen in hun dienst gaan, kun je de rest van je leven vrij roken, kun je meteen alles kapotmaken, je haalt het allemaal zelf aan met je mesjoggene gedoe.’ (Hij denkt dat ik een soort Hoogseizoen schrijf, avonturen van het dak afgegild, hij heeft angst voor ‘onthullingen’, zijn ‘naam’.)

 

*

 

Avondje televisie, bij Billy en Maja, in de voorkamer. ‘Toch blijf ik erbij,’ zegt de veertienjarige als ze me naar haar moeder ziet kijken, ‘dat mama een Griekse godin is.’ Welke, weet ze niet - ze zet Oscar Brown Jr's Worksong op, Maja slaapt, een been komt uit de dekens te voorschijn, ze keert zich om in haar slaap, hoestend soms, een keer kijkt ze even naar de acht dwergjes die Willem O. Duys tentoonstelt, sluit dan weer haar ogen...

Willem O. praat met Tante Na, een van tien kinderen, allemaal daar geboren, haar moeder 84 en haar schoonmoeder 90, sinds drie jaar in de Fagelstraat (‘dat is ook niks, hè?’), zingt over de Jordaan en Amsterdam, doet haar boodschappen zaterdags op de Lindengracht, twee grote tassen vol, zit in een clubje met veertig andere Jordaan-vrouwen. Praat honderd uit. Willem heeft weer een two-shot nodig.

[p. 371]

‘Weet u, wat ik bij u zo vervelend vind?’

‘Nee?’ vraagt ze belangstellend, onderbroken in haar verhaal, wat van de wijs gebracht.

‘Dat ik u de woorden zo uit de mond moet trekken.’ (Lach naar de huiskamer.)

‘O,’ zegt ze, ‘nou eh -’

‘Nee, gaat u maar verder,’ zegt de man die zo graag voor de vuist weg mensen aan het woord wil laten, en zich ten koste van hen doet gelden.

Ze zingt (en praat) van het Rokin, waar nu de dure auto's staan, je bent veranderd mijn ouwe Amstelstad, daar ging vroeger 'n pontje, daar ben ik vaak voor 'n cent overgestoken. Herinneringen, denk ik weer, laten me in de steek: ken ik dat pontje als kind, heeft m'n moeder me erover verteld, heb ik er wel eens in de tram langsgereden, toen er nog water was? Wat nu, als blijkt dat het Rokin gedempt is voordat ik herinneringen had? Wat gebeurt er dan met me? Moet ik foto's opzoeken, zien of het afgebeelde overeenkomt met wat ik me meen te herinneren?

Andere herinneringen: als ik met Pim spreek (over 1948) en niets doe dan herinneringen ophalen, spreken wij beide over andere dingen - het is alleen de sfeer die voor ons beiden dezelfde is, en die we vergeefs proberen ons voor de geest te halen, of aan onze vrouwen over te brengen. Wie was ik toen? Welke indruk? Wie waren de anderen? Het kontakt van vroeger ontbreekt, hoevelen die ik niet (meer) groet en met wie ik toch eens een groot gevoel samen heb gedeeld. Johnny Jordaan, ontroerend (‘Toon mij je hart/o, geef mij je hand/en zeg mij dan/dat je mij wilt vergeven’). Zo onecht de gebaren zijn, overgehouden uit het Volkstoneel en wat Jordaners denken dat de Grote Italiaanse Opera is, zo echt is het gevoel, gericht op de éne persoon (zijn vrouw) die hem iets heeft te vergeven.

O.D. wil maar blijven spreken over J.J.'s moeilijke jaren, hij daarentegen en daaroverheen over de successen van vandaag, in één regel heeft hij genoeg gezegd: ‘de roddel, de laster, de viezigheid die de mensen over je rondstrooien...’ Hij verklaart ook hoe hoog zijn belastingschuld was gestegen (dertigduizend gulden) en hoe hij alles weer terug bijeen heeft gesappeld.

O.: ‘Ik heb wel eens horen zeggen dat die schuld zo groot was, dat je er nooit meer onderuit zou kunnen komen.’

[p. 372]

J.J.: ‘Financieel heb ik niks te klagen, maar “het moreel”...’

O.: ‘Je hebt misschien domme dingen gedaan, toen je rijk was...’

J.J.: ‘Nee.’

O.: ‘Nou ja, misschien uit goeiigheid.’

J.J.: ‘Nee.’

Sprekend over iemand: ‘Kan ik niet op de naam komme van de senuwe natuurlijk.’

De actrice van tachtig: Magda Janssens. Er zijn zoveel rollen doorheen gegaan, dat we niet meer kunnen zien wie de mens is. ‘Ik ben de enige actrice ter wereld, die deze onderscheiding heeft,’ en ze wijst trots op een lintje, dat haar boezem siert. Blij met haar unieke lintje. Ach, had ik maar lintjes, voor iedereen een ander. Iedereen kan bij mij een onderscheiding komen halen. De image, de toneeljuwelen (costume jewelry), die ze zo grif weggeeft, omdat ze niet meer zo mooi als vroeger gemaakt worden, en ik denk aan de lelijke dingen over Else Mauhs die ze me vertelde (de maand der onthullingen in de HP, december 1963).

 

*

 

De invallen die ik wil bewaren, de verdwijnende gesprekken (‘De dingen zijn zichzelf, ik zie minder, ik verveel me niet zo.’ ‘?’ ‘Ja, de dingen zijn anders zoveel, zo ver-veel-end. Nu ik dronken ben hoef ik niet zo op te letten.’) en de verantwoordingen die ik mezelf beloof: het wordt als verslag uitgebracht, de cirkel wordt gesloten.

Er is geen speld meer tussen te krijgen. Het schittert in het maanlicht van de televisie. Het speelt zich, waar dan ook, af: in het heelal dat ieder mens in zich meedraagt. Sta klaar voor onverschillig welke reis. Heb altijd je paspoort op zak. Je moet kunnen vertrekken. Leer van Monk hoe je kunt relaxen.

Vragensteller uit Down Beat (dank je BO): ‘Dat is een van de grootste problemen in Amerika waarover we diskussiëren. Te veel vrije tijd. Wat moeten we met al die vrije tijd doen?’

Monk: ‘Relaxen.’

‘Wil je zeggen, dat je een ekspert bent in het relaxen?’

Ja.’

‘Misschien kun je onze lezers dan vertellen hoe jij het doet. Jammer genoeg lees je niet, want iedereen schrijft erover. In staat

[p. 373]

zijn om te relaxen in onze sterk overbelaste maatschappij is het onderwerp van vele boeken, artikels, pamfletten, essees, dissertasies, tesen, monografieën, doktoraten, overzichten en advertenties. Alle media zoeken naar een oplossing, en jij bezit het geheim. Je schijnt de kracht te bezitten om positief te relaxen.’

Je hoeft alleen maar te gaan liggen en alles uit je gedachten te bannen.’

‘Het moet gekompliseerder zijn dat dat,’ vervolgt de BO-Beat-verslaggever, die het meest nieuw gespelde Nederlands spreekt (dat ik dus overschrijf - ik haper op de ogenblikken, waar mijn spelling niet akkordeert met die van bijv. essees en dissertasies, maar allah), ‘want iedereen kan gaan liggen. Als jij aan het relaxen bent, is het dan niet meer zoals de Yogi aan de East Coast of de Zen aan de West Coast?’

Ik heb geen idee.’

Het verrukkelijke interview van Down-BO gaat steeds verder, dank je Lois Solomon: maar het is ook zo eenvoudig: Relax. Rust. Geef je over. Laat je gaan.