Liefde. Zeventig dagen op ooghoogte


auteur: Simon Vinkenoog


bron: Simon Vinkenoog, Liefde. Zeventig dagen op ooghoogte. De Bezige Bij, Amsterdam 1965.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

maandag 22 juni 1964 [de eerste dag]

Het is zo eenvoudig, als maar kan. Niets is te gek. Ik heb uitgevonden, dat alles kan en mogelijk is. Het idee ‘gek’ berust op een semantisch misverstand. Er bestaat geen gek, geen norm, geen maatstaf, geen regel. ‘Gek’ wordt bepaald door de maatschappij, die zich bij de grootste gemene deler heeft neergelegd als mass-gebend.

Er bestaat niets tegenover de demokratie, behalve de anarchie in een wereld zonder maatstaven (en dus tussen volwassenen) en de meritokratie.

Misschien wordt de laatste nog eens psychedelisch teweeggebracht; het zou een zegen zijn voor de mensheid. Men zou het idee van Joe Adams in praktijk kunnen brengen (Psychedelic Review 2) iedereen psychotische episodes te laten doormaken, zodat men ‘van binnenuit’ weet wat onder ‘gek’ wordt verstaan, nu er zo gesmeten wordt met woorden als psychopaat, pathologisch, hysterisch, hallucinatoir, die een pejoratieve betekenis hebben gekregen. Ook de psychotische mens is een mens. En wie spreekt van gelijkheid moet ook de anders-denkende of-handelende een kans geven. Laat de maatschappij geregeerd, be-

[p. 374]

stuurd, gehandhaafd en bedongen worden door progressieve of reaktionaire, immer profiterende persoonlijkheden, die slechts dan in de herinnering blijven voortleven als er een daad van geweld gepleegd, een vrede gesloten, een wet ondertekend moet worden, de menselijke geest bevindt zich het meest intens bij de geniale uitvinders, wetenschapsmensen, en kunstenaars, waarvan er (in verschillende boekwerkjes) zo'n tweehonderdvijftig in de loop der eeuwen geteld zijn.

Heiligen, goed, vooruit, altijd Outsider als bij Colin Wilson Ingewijde als elders bedacht. Het voortbestaan van de mens heeft van hen afgehangen, van de mate waarin de mens zijn kosmos kon vatten: Euklides, Ptolemaeus, Galilei, Copernicus, Newton en Einstein. Van zijn relatie tot ‘God’ hangt zijn ontwikkeling af.

Dit is, besef ik voor iemand als ik, glad terrein. Het is tastend weten, het is een zoeken naar woorden, die niet mogen worden misverstaan. Ik zeg: er bestaat een kleinste gemene veelvoud, dat is de faktor waarop dit boek getoetst kan worden, mag worden, moet worden. Het verklaart, eenmaal ondervonden (het is een praktisch weten, niet een dat ik kan leren. Zoals Huub zegt: ‘ik wil ze best de spijker geven waaraan ze hun jas willen hangen, ik wil zelfs de spijker wel voor ze in de muur slaan, maar de jas zullen ze zelf moeten ophangen.’) alles>.

Maar dan ook niets minder, want er is één enkel ogenblik aanwezig (geheten ook bij mij: eeuwigheid, anderen: clair-voyance, een derde en zestienduizendste: intuïtie, de eerste de beste: high) waarop zoveel indrukken tegelijk aan het werk zijn gegaan (schiften en organiseren, verbanden leggen en kombineren, deduceren en abstraheren - dat alles duizendmaal vlugger dan anders op een verveelvuldigd groter oppervlak - de herseninhoud) dat de zintuigen zich hebben volgeslorpt: de grens is vervallen: niets meer waar en onwaar, niets meer normaal en abnormaal, niets meer dood of levend, niets meer niets òf alles.

Dan heeft het geen zin meer te doorgronden - want er is geen grond meer (en zeker niet in de onvoorspelbare gedragingen van onze medemensen), het is een verschrikkelijk swingende en overal openstaande wereld waarin nog zoveel gekke dingen kunnen gebeuren, als maar mogelijk. En on-mogelijk.

Want niets is onmogelijk, Adamski is op de maan geweest, en meer dan drieduizend jaar geleden vloog prins Raman in een

[p. 375]

‘Hemelse Wagen’, en had hij de beschikking over het verschrikkelijkste aller wapenen, dat ook nu de mens nog kent: het atoom. Waarin alle energieën van de wereld liggen opgesloten, en dat is de keuze.

Tussen wapens van vernietiging en instrumenten voor de vrede: krachtcentrales en industrieën, die van de Sahara, de Gobi en andere woestijnen oases van welvaart kunnen maken. Niemand hoeft te hongeren. Elke mens die van de honger krepeert sterft als slachtoffer van zijn medemens. Van de mannen hoog te paard, die hun koppen steken in machtspolitiek, prestige-gedingen en partijpolitieke tuttelarijen.

Het zijn ook vaak de onwetenden, die nooit denken hebben geleerd, en van hun ervaringen niets wijzer worden; die zich in stand houden door de debiliteit der meesten, hun voorsprong wegens betere ‘opleiding’, afkomst, omstandigheden, door hun uitbuiten op ‘slimme’ gronden: hun gladde liegen, hun gehuichelde geloofsovertuiging, hun ingebeelde oprechtheid. Of door de macht van dreunende laarzen, demagogie, propaganda.

Jazeker, ook dit is demagogie. Alle publicity, van Madison Avenue tot Prawda, is hypnose, gericht op een doel. Mijn doel is het goede. Het naar binnen keren en dan weer naar buiten: wie daar zit loopt naast je, wie tegenover je staat (Eichmann, Gandhi, je vader, Martin Luther, Sade, je stiefmoeder, de Gaulle): je bent het zelf.

Want stel je in zijn plaats.

Stel je in zijn plaats. Je kunt niets anders.

Ja, je kunt anders; dan doe je hetzelfde: beter, en de haat zul je zien branden als een hel waaruit je zult kunnen vluchten, want je hoeft niet te branden.

Je kunt àltijd blijven leven. Als je leert leven.

Op het veelomvattende begripsniveau van het kleine kind bijvoorbeeld, dat nog met zuivere ogen de wereld bekijkt: ‘kinderen en dronken mannen zeggen de waarheid’ en niets om je voor te schamen.

Want je leeft vóór de zondeval, je bent zojuist, een fraktie van een ogenblik gezien in de loop der tijden, geboren. Misschien is het wel ditzelfde begenadigd ogenblik. Ik leef met je mee.

Laat me leven. Ik schrijf vanuit een roes, laten we die zo noemen. Lees eerst Nietzsche. Dit is een lichaam op lichaams-

[p. 376]

literatuur (sprekend met Huub vanavond over de sensore deprivatie, uitleggend aan de omstanders de tank gevuld met een substantie op lichaamstemperatuur, beging ik deze prachtige verspreking) waarin adrenaline geen paniek, maar liefde verwekt. Het ìs een hersenspoeling, maar ten goede. Ik ben het zelf. Ik breng het over.

Ik ben niet je projektie van mijn image op mij, ik ben mijzelf. Ik weiger elk vooropgezet oordeel. Je zult me moeten nemen zoals ik ben.

Je moet iedereen nemen zoals hij (op zijn best) is. Op zijn gekst. Op zijn jofelst. Op zijn geniaalst. In zijn allerbeste momenten. In zijn meest gelukkige ogenblikken. Is.

Zo moet je jezelf eens nemen; zoals je dan bent. Weten Wie Je Bent.

Kijk, ik schrijf hier een boek, je bent er al een aardig eind in gevorderd, als je hiertoe bent gekomen, zonder ophouden. Je hebt een stuk met me meegeleefd, bedankt voor de belangstelling, werkelijk. Maar mij is er natuurlijk méér aan gelegen, in dit boek wil ik zo'n beetje (en dat is onmogelijk) opeens alle wetenschap stoppen, die mij de laatste jaren geworden is.

Ik weet langzamerhand niet alleen wát ik zeg, maar ook waaróm, en hóe, want ik heb de gelegenheid gekregen in dit innerlijk te duiken, waarover ik mijn leven lang de beschikking heb gekregen.

Ik heb veel ‘mooie’, veel ‘lelijke’ dingen gezien. Ik heb ‘goed’ ontdekt, en ‘kwaad’ ontdekt. Ik heb de angst, die mij begeleid heeft, zien verdwijnen, om plaats te maken voor de titel van dit boek. Het is niet eens zo gemakkelijk als het hier, in enkele zinnen geformuleerd, zou kunnen lijken. Het is een moeizaam groeiproces geweest, het verloopt via vele weerstanden, frustraties, inhibities en andere defensieve mechanieken.

Ik ben een mechaniek, dat volmaakt wil funktioneren.

Ik funktioneer schrijvend, handelend, levend.

Er staat je nog veel van me te wachten. Ik ben nog lang niet uitgepraat.

Ik durf zelfs zeggen: take it or leave it. Je sluit alleen jezelf buiten. Buiten de toekomst. Buiten het leven.

Er is geen ander leven dan een bewust vooruitziend leven. Je zult elk ogenblik zélf moeten kiezen (en weten, want je kunt elk

[p. 377]

ogenblik beginnen, al is het beternu): dit is vooruit, en dit - helaas soms - is achteruit kijken, denken, handelen.

Er bestaat maar één waarlijke revolutie, die dit leven kan vervolmaken en de mens van zijn angst bevrijden, dat is die van de geest. De openstaande geest.

Want de geest, die openstaat, kent geen angst. Ziet vooruit.

 

*

 

En als je de geest gaat openzetten, zoals Van Ree, Thüring en Barendregt dat in 1959 deden met hun ‘wetenschappelijke’ LSD-proefnemingen in het Wilhelmina Gasthuis van Amsterdam, dan mag je aan het eksperiment geen ‘angstige verwachtingen’ laten voorafgaan.

Voor de meeste mensen, zelfs de meest zich-objektief-wanenden, houdt het woord eksperiment ‘angst’ in; overgebracht op een psyche die aan stoornissen blootgesteld zal worden, richt deze projektie Heisenbergiaanse afwijkingen aan: de angstprojektie van de psychiater in de proefpersoon, die de angst inherent aan zijn psychose kan achten (wat volgens het proefschrift bij verschillende personen het geval is geweest), en dus niet in staat zal zijn een objektief verslag van zijn belevenissen uit te brengen, alsmede een objektief oordeel over zich te kunnen laten vellen.

Het proefschrift is gekleurd hierdoor, het is in verkeerde taalkonstrukties blijven steken. Het is een Smalle Wetenschap. Bevooroordeeld.

De werking van adrenaline: het is zo eenvoudig.

Het verwekt paniek bij labiele persoonlijkheden;

het geeft inzicht aan gezonde mensen.

Geluk inderdaad een funktie van de gezonde mens, De Vaal. Ik dank je voor de korte en bondige formulering. Dat ik het weet zonder geforceerde psycho-analyse of idem zoveel jaar studeren in dorre boeken, dank ik aan de middelen en mijzelf.

Dat ik bovendien nog hallucineer, tussen de zwarte toetsen het vilt blauw zie oplaaien (de kleur van het blauwe kussen op de houten stoel onder mijn billen), ik vind het een wonder. In dat wonder wil ik dagelijks leven. En Huub: ‘Liever profeet dan professor.’

Soms vraag ik mij af: is dit alles geheimtaal? Dat is het niet.

[p. 378]

Iedereen kan het verstaan, ik wil tot iedereen spreken. Maar veel verlang ik, dat wil ik toegeven, en het is niet noodzakelijk me overàl te volgen, want waar ik ging was ik ook alleen, had ik niemand om op te steunen, de raad kwam altijd achteraf, de les pas later. Ik had vanzelfsprekend vrienden die mij hielpen, maar de weg naar in-zicht leg je toch zelf af, ook door schade en schande.

Maar hoe groots zijn de openbaringen!

Ik kan niet verder tikken, mijn buurman van beneden is twee keer langs onze (tweede) verdieping de trap op en af gegaan, wandelde doelloos op zolder rond, de tweede keer stak ik het ganglicht aan, hield hem aan op de gang: ‘Kan ik u ergens mee helpen?’

‘Nee,’ zei hij, en liep verder. Weer moest ik hem aanhouden, het hoge woord ‘tikken’ kwam eruit. ‘Maar waarom zegt u dat mij dan niet, in plaats van boven mijn hoofd heen en weer te gaan lopen?’

Hij had geen antwoord dan (twee keer): ‘'s Nachts slaapt men. Overdag tikt men,’ zijn handen krampachtig. Ik zal een noiseless machine moeten kopen.

Welterusten, lieve mensen, buren.

(Dinsdag 23 juni 1964 - om halftwaalf gewekt door Watch-tower-predikers; ik koop wat lektuur, ‘wat een boel boeken’, ‘ik schrijf zelf een boek over God’, ‘maar dan moet u dit lezen!’ en ik koop ‘Toegerust tot ieder goed werk’, Hollandish van ‘Equipped For Every Good Work.’ Zoek ik onmiddellijk Hosea in op; raadt Nagel mij aan. Waarom?)

Terug naar 17 april, de tweeënvijftigste dag.

Geef je ogen de kost. Er is altijd meer te zien. Begrijp, waarom.

Zie, hoe het gebeurt. Zie hoe de mensen handelen en reageren.

Ze laten zoveel zien. Zoveel is er aan mensen te zien.

Het is een wonder, waarover geen dichter ooit raakt uitgesproken.

Het is eerder gezegd:

‘You would not find out the boundaries of the psyche, even by traveling along every path; so deep is its measure and meaning.’ Heraclitus.