Liefde. Zeventig dagen op ooghoogte


auteur: Simon Vinkenoog


bron: Simon Vinkenoog, Liefde. Zeventig dagen op ooghoogte. De Bezige Bij, Amsterdam 1965.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 495]

naschrift

Einde eerste konfrontatie. Genoeg ruimte (één lichaam met een nieuw naambord aan de deur geschroefd) en alle tijd. Nu is de tijd. Alles zit erin; het gaat erom alles eruit te halen. Een konfrontatie van binnenuit, ik bouw mee aan nieuwe spel-situaties. Alleen in de overgave ligt de toekomst: het onverwachte, het onvergankelijk ware. De vogel is nog niet uit zijn ei gekropen, hij tikt tegen de laatste schalen - Prometheus draagt Phoenix een taak over. Blijf stelen van de goden: leven (biochemici: nog tien jaar?). Leg de weg af, die van jou is - zeg ik tot mezelf, want ik heb voor niemand anders geschreven.

Ik ben er bij om het zelf te kennen, dit zijn de uren waarop vrienden samenkomen vanwege het herkennen: het zijn getekenden. In het gezelschap van goede vrienden als Hermann Hesse: ‘Buiten was de “werkelijkheid”, buiten waren straten en huizen, mensen en inrichtingen, bibliotheken en studiezalen - maar hierbinnen was liefde en gevoel, hier leefde het sprookje en de droom. En toch leefden wij in het geheel niet van de wereld afgesloten, wij leefden in gedachten en gesprekken vaak midden in de wereld, slechts op een ander veld. Wij waren van het merendeel der mensen niet door grenzen gescheiden, maar slechts door een andere manier van zien. Onze opgave was, in de wereld een eiland te verbeelden, misschien een voorbeeld, in elk geval te leven als de aankondiging van een andere mogelijkheid.’

Demian, Siddharta, vriend en gids - ook van Huub, en zijns-gelijken. Een volmaakte machine is de mens, zijn lichaam is een volmaakt werktuig en zijn geest - die zijn wereld schept - kent geen grenzen. De nieuwe dimensie heeft geen enkele grens. Het is een zuiver persoonlijke wetenschap, die ik graag kontroleer aan de hand van de werkelijkheid. Ik heb het nimmer beschaamd gezien. Ik denk straight. Ik funktioneer zoveel ik kan. Vergeef me mijn lapses: ik vecht tegen de onvolmaaktheid, als tegen het grootste kwaad. Goed en kwaad - mocht ik er mij om hebben bekommerd, haal dan nu de schouders op: àlles is goed. Maar lig je dan toch door je geweten geplaagd, stel je de vraag waarvan het antwoord alleen bij jou ligt: ‘Wat kan ik eraan doen?’ En laat je niet, Simon, door vooroordelen leiden: wie goed doet, goed ontmoet. Er zijn geen andere spelregels. Je kunt de werkelijkheid

[p. 496]

niet veroordelen, noch de mensen - je kunt ze beter leren zien. Want het blijven de ópen tijden, het is de wedergeboorte van een planetair bewustzijn. Geloof de tekenen, luister:

Het gaat om oorlog of vrede. Het gaat om de enige keuze. Het gaat om ons leven. Het gaat om ons werk. Het gaat om de toekomst. Het gaat om de techniek van de liefde.

Ik geloof in woorden, die genezen. Ik ga mensen met woorden wakker schudden, ik zal mensen aan het denken zetten. Want er is maar één ding, dat de mens heeft te doen: zijn ogen open zetten. Voor recht en onrecht, voor angst en liefde. Lijf voor lijf zal ik de mensen de zelfmoord ontnemen: opvoeden tot léven.

Een kracht bezit ik, die mij zegt dat het goed is. Uit veler namen spreek ik geheel namens mijzelf. Ik leer dagelijks kommuniceren. Dit is een proeve van kommunikatie. Dit is een revolutie van de geest: dit is het einde van het tijdperk angst. Dit noem ik liefde.

 

Amsterdam, februari-november 1964