|
|
|
| |
| | | |
Sonnetten | | | |
1 Hoewel ick noijt en sooch pit wt der Leeuwen schoncken
(1621)
Een sonnet van
P.C. Hooft gericht aan
Constantijn Huygens inspireerde
verschillende dichters tot het schrijven van sonnetten, alle met dezelfde
rijmwoorden.
Hoewel ick noijt en sooch pit wt der Leeuwen schoncken,
1
Soo voel ick evenwel mijn geesten werden rap,
2
Gemoedicht door u Rijm, hun krachten stellen schrap
3
Om weer te krijgen 'tgeen in luijheijt was versoncken.
4
5
U suijglinck als vermindt lagh overstallich droncken
5
In weeldens vette schoot, En sooch het suchtich sap
6
Wt Coppers boesem daer de quickxe vrijerschap
7
Wt blusten met hun vier als water uwe voncken.
8
9
Noch hielt ghij d'overhant, dies stel jck u gedicht
9
Veer boven helterij Ten oorloch affgericht.
10
Die dwingen met gewelt, ghij met beleefde seeden.
11
12
Minvaders alle beij van't luckich Nederlant
12
Al wat van voeten weet moet dansen nae u Trant,
13
En wel getroffen galm op sleutel van de Reeden.
| | | |

Zorgvuldige lezing van v. 12 maakt duidelijk dat
hier Minvaders moet hebben gestaan.
| | | | Naar het handschrift, een afschrift van
Constantijn Huygens van
deschoncken-sonnetten. kb Den Haag, KBH
XLa, 8 Huygens.
| |
Verantwoording
Huygens noteerde als opschrift aanvankelijk Sonnet van Anna
Roemers Noch opden selven trant, wat hij verbeterde met behulp van Door
Joff Tesselschade en Visscher (zie diplomatische
transcriptie). Hij heeft zich waarschijnlijk vergist omdat de tekst direct
volgt op zijn afschrift van het schoncken-sonnet van
Anna Roemers. Het opschrift noch de
wijzigingen van Huygens in de verzen 4 en 12 zijn in de tekst overgenomen. Wij
geven immers waar mogelijk de oorspronkelijke versie van Tesselschade
Roemers.
4 Om weer te krijgen 'tgeen in luijheijt was
versoncken is in het handschrift doorgehaald; in de marge heeft Huygens het
vers genoteerd dat ook te vinden is in diens Otia en in
Worp (1918: 17): om kanten teghen 'tluy dat d'ijver hield versoncken.
Boven kanten staat kampen, dat is doorgeschrapt. Damsteegt
(1981: 67) en Van Koeven (1989a: 49) vinden de wijziging van Huygens een
verbetering, omdat er een grotere felheid uit spreekt en omdat het vers beter
aansluit op v .3.
12 Tot nu toe las men het doorgeschrapte gedeelte
als Mijn vaders. Damsteegt (1981: 67) oppert dat Huygens Mijn
vaders wijzigde, omdat hij zich te jong voelde om door de dichter met vader
te worden aangesproken. Wij lezen echter Minvaders, dat de rijke
beeldspraak van zuigeling en zogen verder doorvoert. Huygens' verandering in
Moetblasers, overgenomen in Worp (1918: 18), doorbreekt dit ruw en is
daarmee geen verbetering.
Enkele kleine aanpassingen maken de tekst duidelijker: de /vv/ is
weergegeven als /w/ in wt en Leeuwen (v. 1), evenwel en
werden (v. 2), was (v. 4), wt (v. 7 en 8) en dwingen
(v. 11); de /v/ als /u/ in u (v. 3, 5, 9 en 13). Spaties zijn aangebracht
in En sooch (v. 6) en van de (v. 14), en een apostrof-t in
van't (v. 12). Het handschrift geeft een /n/ als abbreviatuur in
dwingen (v. 11). De /pp/ in Coppers (v. 7) is dooreen geschreven.
Door vlekken zijn de /m/ van Rijm (v. 3) en de /d/ van dwingen
(v. 11) niet goed te lezen.
Ten slotte is er nog een variant te vinden op sooch (v. 1) in
Worp (1918: 17): ‘soock’. Deze lezing wordt niet door het
handschrift ondersteund; de werkwoordsvorm ‘soock’ past hier
bovendien niet.
| |
Diplomatische transcriptie
[-Sonnet van Anna] +<Door Joff Tesselschade>+
Roemer[-*s*] +<Visscher>+ Noch opden selven trant.
Hoewel ick noijt en sooch pit vvt der Leeuvven schoncken,
Soo voel ick evenvvel mijn geesten vverden rap,
gemoedicht door v Rij*m*, hun krachten stellen
schrap
[-om weer te krijgen 'tgeen in luijheijt vvas
versoncken]. =<om kanten +<[-kampen]>+ teghen 'tluy dat d'ijver hield
versoncken.>=
V suijglinck als vermindt lagh overstallich droncken
in weeldens vette schoot*,* Ensooch het suchtich
sap
vvt Coppers boesem daer de quickxe vrijerschap
vvt blusten met hun vier als water uwe voncken.
Noch hielt ghij d'overhant, dies stel jck v gedicht
veer boven helterij*,* Ten oorloch affgericht.
die *d*vvi-gen met gewelt, ghij met beleefde
seeden.
[-Min*-*vaders] =<Moetblasers>= alle beij vant luckich
Nederlant
Al wat van voeten weet moet dansen nae v Trant,
en wel getroffen galm op sleutel vande Reeden*.*
| [- ] | geschrapt |
| +< >+ | toegevoegd boven de regel |
| =< >= | toegevoegd in de marge |
| * * |
onzekere lezing |
| - | abbreviatuur |
| | | | | |
Notities
1 pit wt der leeuwen schoncken: Hooft
noemt in zijn sonnet merg als voedsel voor de mythologische held
Achilles.
4 weer te krijgen: de formulering maakt duidelijk
dat dit sonnet niet Roemers' eerste gedicht was. 5 De
metafoor van de zuigeling uit het sonnet van Hooft (v. 1 en 5-6) past de dichter
op zichzelf toe.
vermindt: het wnt geeft als enige
betekenis ‘verliefd geworden’ (xx/2, 1435 sv. verminnen).
Worp (1918: 17) annoteert: ‘weer tot bedaren gebracht’. Tot nu toe
is steeds aangenomen dat de dichteres verliefd was. In Gedichten deel 2
(1827: 74) maakt Groebe enkele opmerkingen bij dit vermindt:
‘Roemer Visscher maakte van dit zelfde verminnen, op gelijke
wijze, gebruik, om een kind te beschrijven dat door te veel zog wierd
overstelpt. Zoogen werd in zijn tijd uitgedrukt door minnen.’ Het
voorvoegsel ver- heeft hier blijkbaar de betekenis van
‘over’. De dichter is niet noodzakelijk verliefd; zij heeft met
volle teugen, tot ze als het ware overvoerd was, genoten van het
Koppermaandagfeest. 7 Copper: personificatie van
het Koppermaandagfeest; Koppermaandag is een feestdag op de maandag na
Driekoningen, onder andere gevierd door het drukkersgilde.
vrijerschap: het wnt (xxiii, 718) geeft hier de
betekenis ‘de ongehuwde jonge mannen (als verzamelnaam)’ en
‘ongehuwde staat (van een man)’; waarschijnlijk had de dichter niet
alleen jonge (ongehuwde) mannen op het oog, maar vermaakte zij zich in het
gezelschap van jongelui, vrouwen en mannen. 8 vier als
water: paradox. 13/14 Een stilistisch hoogstandje:
sleutel betekent ook ‘muzieksleutel’. Deze geeft op de
notenbalk de toon aan waarvan die van de noten kan worden afgeleid: het
verstand als toonaangevend voor de zang-, dans- en dichtkunst.
| |
Korte inhoud
De lyrische ik wordt door voorafgaande gedichten (van P.C.
Hooft en C. Huygens) geïnspireerd om zelf eveneens te gaan dichten. Dit
kost haar moeite, omdat ze juist Koppermaandag gevierd heeft. Dat het haar toch
lukt, is te danken aan de wijze van overtuigen, die niet (als bij Achilles) met
geweld gepaard gaat. De leiding van Hooft en Huygens berust op geestelijke
bekwaamheden.
| |
Achtergrond
P.C. Hooft zond zijn sonnet aan
Constantijn Huygens toen deze zich in
januari 1621 klaarmaakte om als secretaris van een gezantschap naar Engeland te
gaan. Deze beantwoordde het gedicht met een sonnet dat dezelfde rijmwoorden
heeft. Dit is het begin van een literair spel waaraan ook
Tesselschade Roemers en haar zus
Anna Roemers meedoen. De reeks staat
bekend als de schoncken-sonnetten.
| | | |
Sonnet van P.C. Hooft: ‘Aen Heere Constantijn
Huighens’
Men voede'Achilles op, met mergh wt leeuweschoncken
Dies siedende'oorloghsucht reed door sijn leeden rap.
Van rusten wierdt hij mat: van woelen frisch: en schrap
Stondt hij veel liever, dan hij stack in lust versoncken.
Maer Huighens inborst, die voor sógh heeft
opgedroncken
Der eedle konsten, klaer en sinnesujvrend sap,
Vlamt op het eerlijck' fraey. Waer nae sijn vrijerschap
Wt allen ijver rent, geprickt van heilghe voncken.
Dies luistren nu sijn lujt, sijn stem, sijn streelend dicht,
Nae wetten van dien geest op alles afgericht.
Nae dese schickt zich't pujck zijnre'wtgeleesen zeeden.
Doch dit's maer voorspel. T'hans de welvaert van sijn landt
En vrijgevochten volck, aenstellen wil haer trant,
Op maetslagh eener siel soo vol van rijm en reden.
Uit Uit Hoofts lyriek. Ed. C.A. Zaalberg. Den Haag
1981: 73.
Sonnet van Anna Roemers
Dit heb ick noch gelickt uyt d'uijtgesopen schoncken
Daer van mijn stram verstandt en stijve pen werdt rap,
Niet weerde Vrijenden om mijn selfs te stellen schrap
Tegen u lieden geest; dan lach ick laegh versoncken
Jn diepe hovaerdij; Maer om dat jck gedroncken
Van suijver vriendtschap heb het smaeckelijcke sap,
Soo ben ick blij dat ick de groene vrijerschap
Met rijpe manheijt heb in vrienschap doen ontfoncken.
Gelijck mint sijns gelijck, beij sijt ghij door u dicht
Vermaert, en beyde in geleertheijt affgericht;
Ook beijd' uijtmuntend in verstand en brave zeeden.
Waer vintmen zulcke twee int gansche Nederlant;
Want soo de eene speelt, gaet d'andere sijn trant
Dat ghij dan vrienden zijt is (dunckt mij) meer als reden.
Uit De gedichten van Constantijn Huygens I. Ed. J.A.
Worp. Groningen 1892: 199.
| |
datering 1621
naar de datering van het sonnet van P.C. Hooft.
|
1pit: merg (XII, 2014); vgl. het sonnet
van Hooft v. 1.
wt: uit; ook in v. 7 en 8.
schoncken:
beenderen ( xiv, 794 sv. schonk).
2Soo: toch
( vi, 885).
werden: worden.
3Gemoedicht door v Rijm: part.
constructie: omdat zij door uw gedicht zijn
aangemoedigd;
gemoedicht: aangemoedigd ( ix, 944 sv.
moedigen);
v: uw; ook in v. 5, 9 en 13.
stellen schrap:
strijdvaardig op te stellen ( xiv994 sv. schrap).
4versoncken: weggezakt
( xx/2, 2400 sv. verzinken).
5als vermindt: omdat ze overvoerd was;
het gebruik van ‘als’ voor een part. constructie onderstreept de
verklarende of causale functie.
overstallich: overmatig
( xi, 2050).
6sooch...boesem: dwz. genoot met volle
teugen van Koppermaandag.
suchtich: ongezonde ( mnw vii,
2399-2400).
7Coppers: van Koppermaandag, een
feestdag (zie notities).
daer: waar.
quickxe:
jolige ( viii, 806 sv. kwiksch).
vrijerschap: (mannelijke)
jongelui ( xxiii, 718).
9Noch: nochtans ( ix, 2049 sv.
nog).
dies: daarom ( iii, 2589).
10Veer:
ver.
helterij...affgericht: heldendom dat op de strijd is gericht
( vi, 503); verwijzing naar Achilles in het sonnet van
Hooft.
helterij: heldendom.
12Minvaders: voeders; niet
gelexicaliseerde samenstelling naar analogie van
‘min(ne)moeders’.
13Al wat van voeten weet: elke
mensenvoet en versvoet.
moet dansen (...) op sleutel van de Reeden:
moet, zoals u, op de juiste toon van het verstand dichten.
|
|