|
|
|
| |
| | | |
2 Ghelijck als onder 't Juck van sinne slavernijen
(1636)
In 1634 stierf
Allert Crombalgh, de echtgenoot van de
dichter. Het sonnet is twee jaar daarna naar aanleiding van Hemelvaartsdag
gedicht.
Ghelijck als Onder't Juck van sinne slavernijen
1
Doch ongheoorloft aenghenoemen Eyghen Last,
2
Hetgheen niet wel een blij Hoop Heemelhertie past
3
'Twelck van onhoulyck goet Qualyck is te vryen,
4
5
'tIs onRecht seij de Geest gheruste vreucht te myen,
5
Maer 't Lichaem Riep O Neen, en doopten d'Overlast
6
Met Naem van suchte-Plicht tot het in Traenen Plast
7
Soo Most de vlughe Geest van 't Logghe Lichaem Lijen.
8
9
Vandagh een stercker Geest dat van syn Aerde Licht
9
En overReed' het dus, en Eysten ander Plicht
10
Alst 't vruchteloose wrangh van Alherts smack verJaeren,
11
12
Dees deed' dat ick de Sucht weerstribbich van my stiet
12
Gheluckich was hy diese teenemael verliet
13
En op soo Heijlgh'n dach mocht Salich HEEMELVAEREN
14
| | | | Naar het handschrift van Tesselschade Roemers.
ub Leiden, Pap. 2 (Visscher).
| |
Verantwoording
Het handschrift is beschadigd, met als gevolg dat vers 3 ophoudt
na ‘pas’; de /t/ in past is door ons toegevoegd.
De volgende aanpassingen vergroten de leesbaarheid: de /u/ is
weergegeven als /v/ in slavernijen (v. 1) en Overlast (v. 6). Er is
een apostrof-t aangebracht bij de enkele /t/ in 't (v. 5, 8 en 11). De
spaties zijn weggelaten bij de woorden aenghenoemen (v. 2),
Hetgheen (v. 3), Vandagh (v. 9), overReed' (v. 10) en
deed' (v. 12).
Een variant is te vinden in de uitgave van Worp (1918: 162). Hier
is tussen Qualyck en is te vryen (v. 4) ‘[en]’
toegevoegd.
| |
Diplomatische transcriptie
Ghelijck als Onder't Juck van sinne slauernijen
Doch ongheoor[-f]<l>oft aen ghenoemen Eyghen Last,
Het gheen niet wel een blij Hoop Heemelhertie pas\\
'Twelck van onhoulyck goet Qualyck is te vryen,
tis onRecht seij de Geest gheruste vreucht te myen,
Maer 't Lichaem Riep O Neen, en doopten d'Ouerlast
Met Naem van suchte-Plicht tot het in Traenen Plast
Soo Most de vlughe Geest van t Logghe Lichaem Lijen.
van dagh een stercker Geest dat van syn Aerde Licht
en over Reed ' het dus, en Eysten ander Plicht
Alst t vruchteloose wrangh van Alherts smack verJaeren,
dees deed ' dat ick de Sucht weerstribbich van my stiet
Gheluckich was hy diese teenemael verliet
En op soo He[-l]<ij>lgh'n dach mocht Salich
HEEMELVAEREN
| [- ] | geschrapt en < > op de regel
tussengevoegd |
| \\ | beschadiging van het handschrift |
| |
Notities
Het streven naar bondigheid, het brevitas-ideaal, wordt in
deze tekst onder andere manifest in de zelfgevormde samenstellingen: hoop
heemelhertie (v. 3) en smack verjaeren (v. 11).
8 van 't Logghe Lichaem Lijen: de alliteratie
versterkt de suggestie van traagheid en daarmee de tegenstelling tot de
vlughe Geest.
teenemael kan op verschillende manieren worden
opgevat. Er kan gedacht worden aan te mael in de betekenis
‘tegelijkertijd’ (ix, 22-3) met versterking door een
(iii, 3799). de betekenisomschrijving in hetmnw bevestigt deze
mogelijkheid. Daarnaast kan te male evenals te eenenmale
‘samen’ of ‘ten volle’ betekenen (ix, 22-3).
Geduid als predicatief attribuut zou dit betekenen dat hy (Allert) de
aarde ten volle, dwz. naar lichaam en ziel beide, verliet.
| |
Korte inhoud
De lichamelijke pijn vanwege de rouw om Allert staat haaks op de
geestelijke verwachting van het hemelse leven. De wending zit in het besef dat
Jezus op Hemelvaartsdag met geest èn lichaam | | | | naar de hemel
is gegaan. Dit geeft de mogelijkheid het geluk van de overledene te ervaren.
Zijn sterfdag is in het licht van Hemelvaartsdag een feestdag.
| |
Achtergrond
De Hemelvaart van Jezus wordt onder andere beschreven in
Handelingen 1: 9-11. De lichamelijke opstanding van Jezus en zijn hemelvaart
zijn in de christelijke traditie het fundament voor het geloof in een
lichamelijke wedergeboorte. Dit wordt als artikel elf uitgedrukt in de
apostolische geloofsbelijdenis: (Ik geloof in de) wederopstanding des vleses.
Voor de dichter was dit een belangrijk geloofsgegeven. Vergelijk hiervoor
gedicht 21 v. 5: met syn volle lee'n herbooren om te hooren.
| |
datering 1636
P.C. Hooft reageert op het sonnet van de dichter op 10 mei 1636 in
een brief aan haar die begint met de woorden ‘U.E.sonnet met
zijn'hemelvaert overstijght de wolken’ (HooftDe briefwisseling,
brief 778).
|
1Ghelijck...slavernijen: elliptische
zin; mogelijke aanvulling: Ik voelde mij Ghelijck als...
Ghelijck
als: zoals.
sinne slavernijen: niet gelexicaliseerde
samenstelling; sinne: lichamelijke gevoelens.
2Doch...Last: elliptische zin;
mogelijke aanvulling: Doch het was...
aenghenoemen: lees:
aangenomen: op mij genomen ( ix, 1825).
Eyghen: zelfgekozen
( iii, 3985).
3wel: goed ( xxv,
908).
Hoop Heemelhertie: hartje dat hoopvol uitkijkt naar de
hemel.
4'Twelck...vryen: (hartje) dat maar
weinig behagen schept in sterfelijke zaken.
van:
door.
onhoulyck: niet duurzaam ( vi, 1138), dwz. sterfelijk.
Qualyck: nauwelijks ( viii, 687 sv. kwalijk).
vryen:
behagen ( xxiii, 699).
5onRecht: verkeerd
( x, 1768).
gheruste vreucht: metonymia: vreugde van een
rustige zekerheid (naar iv, 1697).
myen: mijden.
6doopten d'Overlast Met Naem van
suchte-Plicht: mogelijke vertaling: noemde de zware last
rouwplicht.
doopten: doopte; enkelvoudige
persoonsvorm.
Overlast: zware last ( xi, 1821).
7suchte-Plicht: niet gelexicaliseerde
samenstelling.
het: t.w. 't Lichaem (v. 6).
8Soo: op die manier.
Most:
moest.
van: ten gevolge van.
Lijen: lijden.
9Vandagh: vandaag.
dat: t.w.
het lichaam; dubbelzinnig: ook in verband te brengen met de lichamelijke
hemelvaart van Christus.
Licht: optilt ( viii, 1968);
praesens historicum.
10overReed':
overreedde.
dus: aldus ( iii, 3673).
Eysten:
eiste; enkelvoudige persoonsvorm.
11Alst: lees: als; dan.
wrangh
van Alherts smack verJaeren: verdriet vanwege de herdenkingsdag van Allerts
plotselinge dood.
12Dees: t.w. een stercker Geest
(v. 9).
Sucht: rouw; vgl. v. 7.
13diese: die se; se: t.w. de
Aerde (v. 9).
teenemael: a) op dezelfde tijd ( mnw 9,
22); b) ten volle ( iii, 3799).
14Heijlgh'n dach: (christelijke)
feestdag.
|
|