|
|
|
| |
| | | |
5 Als het vernuft begreep het zang'righ hoogh geschal
(1642)
Als lofdicht opgenomen in het bekende liedboek
Zangh-bloemzel (1642).
Aen den Erenfeste hoogh geleerden Heere,
Myn' Heere
IOAN ALBERT BAN, Der beiden Rechten Doctor, op zyne Zangwerken
opschrift.
Als het vernuft begreep het zang'righ hoogh geschal
1
Van u gerymt geluydt, 't wierdt boven maght gedreven
2
T'omhelzen meerder kracht als 't lyff was kracht gegeven;
3
'T vertilden zigh aen 't geen de vlugge geest beval.
4
5
En denkend' dat hier is te wachten in dit dal
5
Niet beters woud' de ziel ten hemel zigh begeven,
6
(Om met een zoeten mondt te scheiden uit dit leven)
7
Waer nimmer slechter toon 't gehoor onthaelen zal.
8
9
En oft nogh schoon geviel, dat yemandt zoght te streelen
9
Het swaer ontroert gemoedt, om uw wys nae te quelen:
10
Ik stopte d'ooren toe gewent tot beter zoet.
12
Ghy kunt den lichten geest van't lodzigh lichaem deelen,
12
En weder door uw klank 't geschifte zamen heelen,
13
Onsterfelyke Ban die duyzend Echoos voedt.
14
| | | | Naar de eerste druk in Ioan Albert Ban,
Zangh-bloemzel. Amsterdam, P. Matthijsz., 1642, fol. **1r. ub
Leiden, 1203 b 18.
Worp (1918: 245) noemt een handschrift in de ‘Leidsche
Bibliotheek’; dit is niet te vinden.
| |
Verantwoording
De tekst is in
Zangh-bloemzel cursief gedrukt; alleen het
opschrift (met uitzondering van Myn' Heere) en Ban (v. 14) staan
in romein. Om het onderscheid te handhaven zijn in deze uitgave Myn'
Heere en Ban cursief weergegeven. De versregels 1, 4-5, 8, 11 en 14
waren ingesprongen.
Er is een spatie aangebracht in 'T vertilden (v. 4); de
hoofdletter /L/ in ‘ALs’ (v. 1) is genormaliseerd.
Een variant op onthaelen in v. 8, ‘ontraden’, is
te vinden in Jacob WesterbaensMinnedichten, 1644 (Van
Koeven 1989a: 161).
| |
Notities
Een thema in dit sonnet is de scheiding van geest en lichaam onder
invloed van de muziek van Ban. Bij de geest horen noties als hoogh
(v. 1), vlugge (v. 4), hemel (v. 6) en lichten (v. 12). Bij
het lichaam horen begrippen als dal (v. 5), swaer (v. 10) en
lodzigh (v. 12). Voor de niet-lichamelijke kant van de mens gebruikt
de dichter de woorden vernuft (v. 1), geest(v. 4), ziel
(v. 6), gemoedt (v. 10). De vraag is of de begrippen die het hogere
vertegenwoordigen als synoniemen moeten worden opgevat. Veenstra (1968: 51) doet
dit in zijn analyse van een tekst van
P.C. Hooft niet. Hij onderscheidt de
vegetatieve, sensitieve en rationele ziel. De wijze waarop Roemers de begrippen
gebruikt, vergt nader onderzoek. De scheiding van geest en lichaam vormt
ook het thema in gedicht 2. 9/10 De vertaling van
om met ‘door’ is dubieus. Een andere mogelijkheid is, dat er
in v. 10 is samengetrokken op: dat yemandt zoght. De vertaling luidt dan:
dat iemand probeerde het hevig ontdane gemoed te troosten, en (probeerde om) uw
wijs na te zingen. 11 De dichter gaat hier over op de
eerste persoon. 14 De onsterfelijkheid van de kunstenaar
door zijn werk is een algemene renaissance-topos. Aan P.C. Hooft wordt in
gedicht 17 met dezelfde bewoordingen lof toegezwaaid. onderschrift: Dit is
het enige gedicht dat is ondertekend met Teszela. Dit is een
woordspeling op de naam Tesselschade, die vooral door Barlaeus en Huygens
onderling gebruikt werd.
| |
Korte inhoud
De ik richt zich tot Ban vanwege diens geweldige muzikale
mogelijkheden. Zijn muziek is in staat de geest in hoger sferen te brengen.
Niemand anders kan zijn muziek zo mooi ten gehore brengen.
| |
Achtergrond
De katholieke geestelijke en jurist
Johan Albert Ban (1597/8-1644)
publiceerde in 1636 twee Latijnse verhandelingen op het gebied van de
muziektheorie. Toen hij zijn werk ook in het Nederlands wilde uitgeven, kreeg
hij van
René Descartes en
Constantijn Huygens de raad eerst een
voorbeeld te geven van de praktische toepassing van zijn systeem. Ban ging op
dat voorstel in en een aantal vrienden, onder wie
Tesselschade Roemers, verschafte hem
liedteksten (zie gedicht 14). In 1642 verscheen de bundel
Zangh-bloemzel, voorzien van drempeldichten, waaronder het sonnet van
Tesselschade Roemers. Het laatste gedeelte is een korte versie van een
| | | | (nooit volledig verschenen) theoretische verhandeling:
Kort Sangh-bericht.
Gedicht 24 is eveneens een lofdicht op Ban.
| |
datering ten laatste 1642
naar de publikatie in Zangh-bloemzel.
|
opschrift Erenfeste: eerwaarde
( iii, 3905 sv. eerentfest).
der beiden Rechten Doctor: Ban
was doctor in het wereldlijk en kerkelijk recht.
op zyne
Zangwerken: Ban was tevens uitvoerend musicus, muziektheoreticus en
componist.
1Als: toen.
vernuft:
geestelijke vermogens; nl. van de dichter; personificatie.
begreep:
a) omvatte ( ii, 1428-9); b) begrip kreeg van
( ii, 1430-31).
zang'righ: melodieus ( xxvii, 934/5);
ook: uit zang bestaand.
hoogh: a) verheven; b) van de hoge
tonen.
2u gerymt geluydt: uw
liederen.
3meerder kracht: iets wat krachtiger
was.
als: dan.
4'T: t.w. 't lyff
(v. 3).
vertilden: enkelvoudige persoonsvorm bij onderwerp
'T.
vlugge: lichte, vrije; evt. ook: snelle
( xxi, 2515); vgl. lichten (geest) (v. 12).
beval:
verl.tijd van ‘bevelen’: gebood ( ii, 2325).
5dit dal: het aardse leven, tegenover
de hemel.
6Niet beters: onderwerp bij
hier...dal (v. 5); lees achter beters een komma;
Niet:
niets.
denkend...beters: part. constructie bij de ziel
(v. 6).
7met een zoeten mondt: mooi
zingend.
8Waer: t.w. in de hemel
(v. 6).
slechter toon: minder fraaie toon (dan van Ban).
9oft nogh schoon geviel: als het zich
voordeed.
zoght te streelen: probeerde te troosten (naar
xv, 2154).
10om: door.
wys: a) melodie;
b) wijze van componeren ( xxvi, 477 en 465).
nae te quelen:
na te zingen ( viii, 742).
12lodzigh: logge en trage
( viii, 2548).
deelen: scheiden
( iii, 2336).
13't geschifte: het uiteen gehaalde;
t.w. geest en lichaem (v. 12).
zamen heelen: verenigen,
heel maken.
14 Onsterfelyke Ban: a) aanspreking van
Ban; b) woordspeling: Ban in de betekenis van betovering
( ii, 950).
duyzend echoos: zeer vele ( iii, 3637)
weerklanken ( iii, 3758).
voedt: voortbrengt
( xxii, 74).
ondertekeningondertekening: Teszela:
woordspeling op Tesselschade.
|
|