|
|
|
| |
| | | |
6 Dat Bareleus pen, soo met mij om wou springen
(1644/45)
De dichter zendt de zieke
P.C. Hooft dit sonnet mogelijk vergezeld
van een tekst van
Caspar Barlaeus en een tekst van
Constantijn Huygens, waarin zij wordt
aangevallen op haar geloofskeuze.
Aen mijn Heer Hooft.
Dat bareleus pen, soo met mij om wou springen,
En praten revel-kal, gelijck ons vastaert doet,
2
Misschien die kluchticheijt veranderde het bloet,
3
'Twelck alle staticheijt niet machtich is te dwingen.
4
5
Ick leedt om uwent wil; want voor de sieckelingen
5
En baet altijt geen teughs van wijsheijts gore goet.
6
Een soetelijcker Arst de kuur uijtwercken moet.
7
Moria meent hij most het heijlsaem deuntien singen.
8
9
Men boert U af de plaegh; verlaetse u, mijn Heer,
9
Sij is gelijck de doot, ghij krijghtse nimmer weer.
Moed moet gehouden sijn, al was de quael noch grover
11
12
Als vierdendaechse koorts, die schuijmt de swarte gal.
12
Denckt hoe gesontheijts feest die vierdach smaecken sal.
13
'Tgeen eens maer lydtbaer is, dat lyen komt men over.
14
| | | | Naar het handschrift, wellicht een zeventiende-eeuws
afschrift. ub Amsterdam, Vdl.Hs. iii C 4.
| |
Verantwoording
We weten niet van wie het handschrift afkomstig is dat op
één vel staat met een brief van
Tesselschade Roemers aan
P.C. Hooft. Leendertz (1928) meent dat
het een zeventiende-eeuws afschrift is. Van de afzonderlijke brief bestaat nog
een handschrift, waarschijnlijk een autograaf, in de kb Den Haag,
ka clxxia-c8. omdat Worp (1918: xlvii -xlviii) zich op dit
laatste handschrift heeft gebaseerd, is het sonnet hem ontgaan.
Voor een beter tekstbegrip is de /V/ weergegeven als /u/
in bareleus(v. 1) en zijn de punten in de verzen 5 en 9, die de
functie hebben van de hedendaagse puntkomma, ook weergegeven als puntkomma. In
komt men (v. 14) is een spatie aangebracht.
| |
Diplomatische transcriptie
Aen mijn Heer Hooft.
Dat bareleus pen, soo met
mij om wou springen,
En praten revel-kal, gelijck ons VASTAERT doet,
Misschien die kluchticheijt veranderde het bloet,
'Twelck alle staticheijt niet machtich is te
dwingen.
Ick leedt om uwent wil. want voor de sieckelingen
En baet altijt geen teughs van wijsheijts gore
goet.
Een soetelijcker Arst de kuur uijtwercken moet.
Moria meent hij most het heijlsaem deuntien singen.
Men boert U af de plaegh. verlaetse u, mijn Heer,
Sij is gelijck de doot, ghij krijghtse nimmer
weer.
Moe[t+]<d> moet gehouden sijn, al was de quael noch
grover
Als vierdendaechse koorts, die schuijmt de swarte
gal.
Denckt hoe gesontheijts feest die vierdach smaecken
sal.
'Tgeen eens maer lydtbaer is, dat lyen komtmen over.
| [ +] | hieroverheen is < > geschreven |
| |
Notities
1 Dat: Muller (1922: 221) vat dit op als
‘gesteld dat, indien.’ 3 De gewone
zinsvolgorde van de hoofdzin is verlaten. Dit is metrisch niet nodig. Het heeft
als effect dat kluchticheijt dezelfde plaats in de versregel inneemt als
staticheijt (v. 4), zodat de tegenstelling benadrukt wordt.
8 Moria: vgl.
Erasmus, Moriae
Encomium (Lof der zotheid); het vers is mogelijk een citaat.
11 moed moet: annominatio
12/13 vierdendaechse/vierdach:
antithetische annominatio. 14 eens: de dichter kan
hier wijzen op het eenmalige lijden van P.C. Hooft. Het is ook mogelijk dat ze
de koortsaanvallen van Hooft en de aanvallen op haar geloof beide van
tijdelijke aard acht.
| | | |
| |
Korte inhoud
De dichter probeert Hooft te bemoedigen in zijn ziekte. Zij
veronderstelt dat de tot haar gerichte teksten hem zo doen lachen dat dit tot
zijn genezing bijdraagt. Dan zou ze niet voor niets onder de aantijgingen
geleden hebben.
| |
Achtergrond
In een brief aan Caspar Barlaeus vraagt Tesselschade Roemers onder
andere zijn oordeel over de kerk (Worp 1918: 291-2). Barlaeus legt deze vraag
voor aan Constantijn Huygens die zijn antwoord geeft in een gedicht.
Uit v. 1 en een brief van Barlaeus aan C. Huygens (Hooft De
briefwisseling, brief 1241) is af te leiden dat Tesselschade Roemers een
aparte reactie van Barlaeus heeft ontvangen. Rond de jaarwisseling 1644-1645
heeft zij het sonnet aan P.C. Hooft gezonden in een pakket (Inleiding,
p. 14). De begeleidende brief luidt:
Mijn Heer Hooft---
siet hier metter haest beantwoort u
E staetlyck swijgen ende ons Vastaerts revelkal. Ick meen hy my Dees vuyle
dranck toe sendt om u E daer mede te genesen Dochten schaet niet alst u E maer
baet doet laghter maer eens om en schudt de kors van u lever het is
genoech aen Ue vrindinne
Tesselschade Roemers
Uit P.C.
Hooft De briefwisseling, brief 1240.
| |
datering december 1644/januari 1645
Het gedicht van
Huygens waarop de dichter reageert,
dateert van 14 december 1644 (Huygens De gedichten deel 4 (1894: 8); de
brief van
Barlaeus aan Huygens over de zending van
het sonnet naar
Hooft is van 17 januari 1645 (Hooft
De briefwisseling, brief 1241).
|
2 revel-kal: onzin
( xii, 644).
vastaert: Constantijn Huygens;
vertaling van Constanter, de Latijnse variant van zijn
voornaam.
Dat...doet: elliptische zin; mogelijke aanvulling: Ziet
hier Dat bareleus... bareleus: de eerste /e/ is
ingevoegd vanwege het metrum.
3veranderde: optativus: kan
veranderen.
het bloet: het (zieke) bloed; nl. de toestand van P.C.
Hooft; vgl. sieckelingen (v. 5).
4staticheijt: staat tegenover
kluchticheijt (v. 3); nl. van Hooft zelf.
dwingen:
beteugelen.
5leedt: enclitisch: leed het: verdroeg
het ( viii, 2202).
6altijt geen teughs: niet altijd een
teug.
gore goet: onsmakelijke drank ( v, 418 en
v, 333).
7Arst: variant van ‘arts’
( ii, 705).
uijtwercken: ontwikkelen
( xvii/3, 2299).
8Moria: personificatie: de zotheid (zie
Notities).
9Men...plaegh: laat men de ziekte door
lachen van u verjagen (naar iii, 188 sv. boerten);
boert:
adhortativus.
11noch: nog.
grover: heviger
( v, 897).
12vierdendaechse koorts: koortsziekte
waarbij elke vierde dag een aanval optreedt.
schuijmt: zuivert
( xiv, 1157).
swarte gal: het lichaamsvocht waaraan
zwaarmoedigheid werd toegeschreven ( iv, 144 sv. gal).
13Denckt: gebiedende wijs:
bedenkt.
die vierdach smaecken sal: van die feestdag
( xxi, 329) zal genieten ( xiv, 2034).
14eens maer: slechts eenmaal
( iii, 3849 sv. eens).
komt men over: komt men te
boven.
|
|