|
|
|
| |
| | | |
Verschillende gedichten | | | |
9 Hoe Crachtich ick verpyn (1626)
De aanduiding L'Orangée verwijst naar de melodie of
‘stem’ waarop het gedicht kan worden gezongen.
L' Orangée.
Hoe Crachtich ick verpyn,
1
Door de waerheyd of door schyn
2
Te smooren met een coude praet,
3
't Geen vierich in myn hartje staet:
4
5
Het suyent slaapen doet vermaen,
5
't Sluymerich en 't soet,
6
Een suchje alssem bitter suycker soet.
9
Hoe ick best vergeten sou,
Het geen ick niet vergeten cost,
12
Dat ick er staeg om dencken most:
13
Jae muurt en metst in u gedacht.
14
15
En soo ghy enckel wroet,
15
Te weeren, seyd hy, dit's de beste voet.
18
20
Van het stoocke viertje quaet.
20
'k Behielt dat ick wou royen uyt,
21
Dit is het aertje van de guyt,
Die met slimme met loose treecken,
23
Wil woonen daer men hem niet hebben wil.
27
| | | | Naar de eerste druk in Minne-plicht ende
Kuysheyts-kamp, Amsterdam, I.A. Calom, 1626, fol.
h5v-h6r. ub Leiden 1497 g 22.
| |
Verantwoording
Het gedicht is in de Minne-plicht ende
Kuysheyts-kamp ondertekend met Iuff. Texelschade. R.
Visschers., wat door de uitgever moet zijn ingebracht. Dit blijkt alleen al
uit de toevoeging Iuff. die de dichter nergens hanteert. Ook gebruikt
Tesselschade Roemers R. Visschers
zelden als achternaam.
In dezelfde uitgave luiden de verzen 16 en 17 Om het
smertje,/Uyt u hartje,. Omdat /e/ en /a/ voor de /-r/ dezelfde klank
konden aanduiden, is er hier voor gekozen ‘smertje’ (v. 16) te
wijzigen in smartje, zodat de moderne lezer het rijm weer ervaart. Twee
latere drukken,Verscheyde Nederduytsche Gedichten 1653 en
De Nieuwe Haagsche Nachtegaal 1659, hebben
‘hertje’ en ‘smertje’, evenals de uitgave van Worp
(1918: 31).
De eerste versregels van de strofen zijn niet inspringend gedrukt.
Voor een beter tekstbegrip is de /vv/ weergegeven als /w/ in Wel (v. 19)
en Wil (v. 27); ‘HOe’ in vers 1 is geschrevenHoe. Het
gebruik van de apostrof en de spatie is aangepast in:
6 t'soet > 't soet
13 icker > ick er
18 dits > dit's
21 k'behielt > 'k Behielt
Een variant op staet (v. 4) in Verscheyde Nederduytsche
Gedichten is ‘slaet’ en in De Nieuwe Haagsche Nachtegaal
‘slaat’. Ook de uitgave van Worp (1918: 31) leest
‘slaet’.
| |
Notities
De opbouw van de versregels is afhankelijk van de melodie.
3 coude: tegengesteld aan vierich (v. 4).
9 alssem bitter suycker soet: parallelle
antithese; suchje is dus tegelijk negatief en positief te ervaren:
paradox. 11/2 antithetische formulering.
14 met zware antimetrie: múurt en métst
ín uw gedácht.
muurt en metst: mogelijk
enclitisch: muurt 't en metst 't. 21 contradictie
| |
Korte inhoud
De ik probeert aanvankelijk een vurige verliefdheid kwijt
te raken. Door het sluwe advies van Cupido op te volgen om de gevoelens in te
metselen, blijft de ik er juist vol van.
| |
Achtergrond
L'Orangée moet indertijd een bekend
lied zijn geweest. In de eerste druk van de bundel
Minnedichten (1624) van
Jacob Westerbaen (1599-1670) staat bij de
afdeling ‘kusies’ een Liedeken dat op dezelfde
stemme is geschreven. De eerste regels luiden: ‘Wanneer een roosje
soet/Sijn knopjes open doet’ (fol. m1r).
Dat de melodie niet alleen voor liefdesliedjes werd gebruikt, blijkt
uit het bundeltje Praktiicke van den Spaenschen Aes-sack,
verschenen in 1629 ter ere van de verovering van de zilvervloot door
Piet Heyn. Hierin komt een Gesangh
voor met dezelfde wijsaanduiding ondertekend met Druck om geluck dat
begint met ‘Vry-landers, weest verblijdt/In desen laetsten tijdt’
(fol. b3r).
Scheltema (1885) spoorde wel drie verschillende melodieën
l'Orangée op van latere tijd; de | | | | oorspronkelijke tekst
is niet teruggevonden. Het is niet bekend op welke versie
vanl'Órangée de dichter zich heeft gebaseerd.
De Min die de dichter in dit lied sprekend opvoert, is de
Nederlandse benaming voor het liefdesgodje dat in het Latijn Amor of
Cupido heet. In de mythografie is dit blote jongetje met vleugeltjes en
pijl en boog de uitvoerder van de bevelen van zijn moeder
Venus. Hij maakt mensen verliefd door zijn
pijlen via de ogen in het hart van zijn slachtoffers te schieten. In de
renaissance waren de verrichtingen van Venus en
Cupido populaire thema's.
Door de invloed van de Italiaanse neoplatonisten raakte het door
Plato genoemde onderscheid tussen twee soorten liefde opnieuw bekend: de
hogere, immateriële liefde en de lagere, zinnelijke liefde. In de
literatuur is het ventje de standaardaanduiding voor de liefde in het algemeen;
in de schilderkunst kan hij op twee verschillende manieren worden afgebeeld:
een Cupido met een blinddoek staat voor de wellustige liefde, zonder blinddoek
voor de hogere liefde.
De vermogens van Cupido vormden bij uitstek een geliefd thema in
liederen. Dit lied van Tesselschade Roemers is in verschillende
zeventiende-eeuwse liedboekjes opgenomen. Cupido speelt daarnaast een grote rol
in de liefdesemblematiek. In dit soort emblemata staat niet zozeer de morele
les voorop, het zijn eerder illustraties van de krachten en uitwerkingen van de
liefde. Vaak hebben deze emblemata een luchtige, erotische ondertoon. Op bijna
alle prenten is de afbeelding van Cupido terug te vinden, met zijn pijlen en
vaak ook met zijn blinddoek. In 1618 verscheen bij
Willem Jansz. Blaeu in
Amsterdam als een soort verzamelwerk het boekje Thronus
Cupidinis, de troon van Cupido, waarin bijna alle motieven uit voorafgaande
emblematabundels zijn terug te vinden, naast een verzameling liefdeslyriek
(Porteman 1977: 98-102 en De la Fontaine Verwey 1968). Roemers zal dit boekje
zeker gekend hebben. De eigenschappen die zij aan de liefde en de Min
toeschrijft, zijn bijna allemaal terug te vinden in de emblemata. Natuurlijk
gaat het hier om motieven en beschrijvingen die op dat moment gangbaar waren in
het literaire milieu. Zo stelt de dichter de liefde voor als een vuur dat in
het hart brandt en dat onmogelijk te blussen is (v. 3-4) en smaakt de liefde
bitter en zoet tegelijk (v. 9). Aan de macht van Cupido valt niet te ontkomen
(v. 22-7).
Volgens K. Porteman liggen de posities van man en vrouw tegenover de
kracht van de liefde in de petrarkistische literatuur ‘honkvast’:
hij is het slachtoffer, de zich overgevende slaaf, zij is de machtige
tovenares, die onberoerd lijkt door de liefde (Porteman 1977: 65-6). De door de
liefde in verwarring gebrachte ik is dus traditioneel een man. De
dichter kan zich aan dit beeld hebben aangepast. Er is dan, evenals in gedicht
22 een mannelijk lyrisch ik, of de dichter plaatst zich als vrouw in een
mannenpositie.
| |
datering ten laatste 1626
naar de publikatie in Minne-plicht (1626). Leendertz Jr.
(1929: 111) dateert 1624.
|
1verpyn: tracht ( xx,
1844).
2Door...schyn: bepaling bij Te
smooren (v. 3).
3smooren: doven
( xiv, 2200).
coude: nuchtere ( vii, 5838).
4vierich: vurig.
staet: lees
hierachter een komma.
5suyent: sussend ( xvi, 543 sv.
sujen).
doet vermaen: deelt mee ( xx, 1085 sv.
vermaan).
6't Sluymerich en 't soet: hendiadys:
de zoete sluimering; indirect object bij doet vermaen (v. 5).
7genuchje: beetje genot
( iv, 1583 sv. genugte).
8geduchje : beetje vrees
( iv, 638).
9Een...soet: een vleugje dat zo bitter
als alsem en zo zoet als suiker is; bitter en soet:
post-adjectieven; alssem : bitter kruid ( mnw i, 369).
10De Min: personificatie: Cupido, de
liefdesgod ( ix, 747).
13Dat: omdat.
staeg:
voortdurend ( xv, 10).
14Jae: hier begint de directe rede van
de Min (v. 10).
muurt en metst in: tautologie; metsel in
( ix, 1256 sv. muren); imperatief.
u: uw; zo ook in
v. 17.
u gedacht: waar u steeds aan denkt.
15soo: indien.
wroet:
ploetert.
18voet: wijze van handelen
( xxii, 367).
19luste my: trok mij aan
( viii, 3347).
20stoocke viertje: t.w. de Min
(v. 10).
quaet: post-adjectief.
21dat: wat.
royen uyt:
verjagen ( xvii, 1393).
23met slimme met loose treecken:
zelfcorrectie: met slimme (nee,) met loose treecken.
loose:
bedrieglijke ( viii, 2900).
treecken: listen
( xvii, 2282).
24Dwingelantjes gril: de
wispelturigheid (v, 760) van de Min; bijstelling
bij slimme(...) loose treecken (v. 23).
|
|