|
|
|
| |
| | | |
11 De beste tong die stemmen smeede (1630)
De dichter beantwoordt de vragen die Joost van den Vondel stelt in
een gedicht uit naam van D'Amsterdamsche Academi; hiermee drukt ze haar
betrokkenheid uit met de kerktwisten.
Antwoort
De beste tong die stemmen smeede,
1
Zong gode loff, den menschen vreede.
2
Die swygent meest haer deucht betoont,
3
Is die met vier d' Apostels kroont.
4
5
De snoodtst op aerde, deed de menschen,
5
Nae godts verborgen wysheyt wenschen.
6
De booste sprack in't heemelrijck,
Mijn macht sy d' hooghste macht gelyck.
8
In hun sticht godt zyn heerschappyen,
9
10
Die met het doen 't gelooff belyen.
10
Schyn als een Droch en dwael licht, leidt
11
Wie dat haer volght, ter duysterheit.
12
De vrome zielen te belaegen,
13
Kan Hollants zachte grondt niet dragen.
15
De Roomsche geus het smekent blad,
15
Tot brussel, ondertekent had,
16
Soo wel als d' ander, en versochter
17
's Lants vryheyt by, aen 's Kajzars dochter.
18
Den muijter die gerustheyt haet
19
20
Loost altyt een geschickte staet.
20
Daer d' eene burger 's anders mujren
21
Bestormt, die stadt en Kan niet dujren
22
Geen aerdsche god, off hy wordt by
23
Een eedt verknocht: meer schuttery.
24
25
Wat leeraers ock dien bant ontlitsen
25
Die kerven 't snoer der zeeven flitsen
26
| | | | | | | | Naar het handschrift van Tesselschade Roemers.
ub Leiden, Pap 2 (Visscher).
| |
Verantwoording
Het gedicht is in de zeventiende eeuw beschouwd als een tekst van
P.C. Hooft. Het is als zodanig te vinden in Vondels Poëzy deel 2
(1682: 188-9), waar het is ondertekend met P.C.H., de initialen van
Hooft. Afgezien van vele spelling- en interpunctievarianten heeft deze versie:
kroont (v. 4), Kaizers (v. 18), muuren (v. 21), en kan
niet duuren (v. 22), ook (v. 25) en zeven(v. 26). Vers 6 luidt:
Zoo wijs als God te weezen wenschen
Leendertz Jr. (1929: 95) beschouwt het handschrift van Tesselschade
Roemers als de door Hooft verbeterde versie.
Enkele wijzigingen in de tekst achten wij noodzakelijk. Waar de
/j/ staat voor de moderne /i/, is de letter aangepast:
4 ‘Js’ > Is
9 ‘Jn’ > In
De lange [o.] is weergegeven met /oo/ in ‘kront’ >
kroont (v. 4) en de /u/ met /v/ in ‘zeeuen’ >
zeeven (v. 26).
De verschrijving in v. 22, af te leiden uit het metrum, is ongedaan
gemaakt door in de tekst entoe te voegen: ‘die stadt Kan niet
dujren’ > die stadt en Kan niet dujren.
7 ‘int’ > in't
| |
Diplomatische transcriptie
Antwoort
De beste tong die stemmen smeede,
zong gode loff, den menschen vreede.
Die swygent meest haer deucht betoont,
Js die met vier d' Apostels kront.
De snoodtst op aerde, deed de menschen,
Nae godts verborgen wysheyt wenschen.
De booste sprack int heemelryck,
myn macht sy d' hooghste macht gelyck.
Jn hun sticht godt zyn heerschappyen,
die met het doen 't gelooff belyen.
Schyn als een Droch en dwael licht, lejdt
wie [inktvlek] dat haer volght, ter duysterhejt.
De vrome zielen te belaegen,
Kan Hollants zachte grondt niet dragen.
De Roomsche geus het smekent bla[t+]<d>,
tot brussel, ondertekent had,
Soo wel als d' ander, en versochter
's lants vryheyt by, aen 's Kajzars dochter.
Den muijter die gerustheyt haet
loost altyt een geschickte staet.
Daer d' eene burger 's anders mujren
bestormt, die stadt Kan niet dujren
geen aer[tse+]<dsche> god, off hy wordt by
een eedt verknocht: meer schuttery.
wat leeraers ock dien bant ontlitsen
Die kerven 't snoer der zeeuen flitsen
| | | |
Aen Sr Joost vande Vondele woonende inde Trouw inde Warmestrat
om te bestellen aen myn Heere De Heere Hooft Drossaert tot Muyden
| [ +] | hieroverheen is < > geschreven |
| |
Notities
De zachte grondt (v. 14) in Holland gebruikt de
dichter als metafoor: de Republiek heeft nog weinig fundament, zodat er
voorzichtig gehandeld moet worden, zeker in godsdienstige kwesties. Het
gedicht bevat vele buitentextuele verwijzingen. Allereerst naar de bijbel, in
de verzen 1-4 naar Kerstmis en Pinksteren, in vers 6 naar de zondeval en in
vers 7-8 naar de hoogmoed van Lucifer. De geschiedenis van de jonge
Republiek komt eveneens aan de orde. In 1566 werd in Brussel aan
's Kajzars dochter (v. 18), de landvoogdes
Margaretha van Parma, die namens
Philips ii de Nederlanden
bestuurde, een petitie aangeboden waarin onder andere verzocht werd om
verzachting van maatregelen tegen ketters. Dit Smeekschrift was door edelen van
verschillende geloofsrichtingen ondertekend (v. 15-18). De dichter houdt lezers
een spiegel voor door te wijzen op de eensgezindheid van de katholieke en
protestantse edelen in de zestiende eeuw. Ook de actualiteit krijgt een
plaats in het gedicht, waar de dichter stelt dat predikanten de schutterij niet
mogen ophitsen tegen het gezag (v. 24). Het Antwoort reageert
nauwgezet op de vragen in D'Amsterdamsche Academi; zo is v. 1-8 een
uitgewerkt antwoord op de vraag in v. 3, v. 9-12 een antwoord op v. 4, v. 13-14 op
v. 5-6. Ook diept Roemers de door
Vondel in v. 12 gebruikte beeldspraak
uit. Vondel beschouwt de eedt als een bandt (v. 14) die niet
straffeloos losgemaakt kan worden; in het Antwoort wordt de metafoor
overgenomen en uitgebreid met het snoer dat de zeven pijlen, dwz. de
zeven gewesten, bijeen houdt (v. 25-6).
| |
Korte inhoud
Inspiratie uit de bijbel en het voorbeeld van samenwerking van
katholieken en protestanten in de geschiedenis moeten mensen ertoe brengen af
te zien van godsdienstdwang en -twisten om de eenheid in het land te
bewaren.
| |
Achtergrond
In de periode 1628-1630 lopen de godsdiensttwisten in Amsterdam zo
hoog op dat
Frederik Hendrik er persoonlijk aan te
pas moet komen om kalmerend op te treden. De contraremonstrantse predikant
A.J. Smout (overleden 1646) is een van
degenen die vanaf de preekstoel tegen de prins en vervolgens tegen de
Amsterdamse stadsregering uitvaren. In januari 1630 wordt Smout verbannen. Eind
maart stelt de dichter Joost van den Vondel als woordvoerder van de Amsterdamse
Academie een ‘prijsvraag’ op die hij eerst laat voordragen en
vervolgens als los blad (plano) in druk laat verspreiden. Dat als prijs een
prinsenroemer wordt uitgeloofd, is een duidelijk politieke daad. Mede door
Vondels tekst laait de strijd opnieuw op, zodat de stadsregering zich
genoodzaakt ziet zowel de vraag als de antwoorden te verbieden
‘streckende tot vermeerderinghe en voedinghe van den haet der Ingesetenen
deser Landen’ (Poelhekke 1953: 234). | | | |
Joost van den Vondel
D'Amsterdamsche Academi aen alle
poëten en dichters der vereenighde Nederlanden, Liefhebbers van de goude
vryheyt.
d'Antwoorden moeten ingebracht worden, voor den eersten van
Somermaendt, synde de dach onser verkiesinge, als Apollo te recht sal sitten,
om den prys te geven diense verdient.
Apoll, op Helicon geseten,
Vraeght al syn heylige Poëten:
Wat beste en slimste tongen syn?
Of waerheyt salich maeckt of schijn?
5
Of dwang van vrome Christen-sielen
Niet streckt om Hollandt te vernielen?
Of vryheyt niet en was de schat
Waerom men eerst in oorloogh tradt?
Of oock in wel bestierde steden
10
Een oproermaecker wort geleden?
10
Of huyse-plondren vesten sticht?
11
Of d'eedt geen burgery verplicht?
En of sich leeraers niet verloopen,
Wanneerse desen bandt ontknoopen?
15
Wiens antwoordt kortst en bondichst is,
En klaerst in dese duysternis,
Dien sullen d'ACADEMIHEEREN
Met eenen PRINCENROEMER eeren:
18
Daer Pallas, met haer diamant,
20
In sne den Veldheer van het landt,
20
Die met 's Hartogenbosch gaet strijcken,
Daer Mauritz tweemael af most wijcken.
Uit J. van den Vondel De werken deel 3, wb,
Amsterdam 1929, p.296.
| |
datering 1630
naar de datering van het gedicht van J. van den Vondel.
|
1smeede: vormde
( xiv, 2076).
2 Zong...vreede: vgl. de lofzang van de
engelen bij de geboorte van Jezus (Lucas 2: 14).
3Die: degene die; degene: t.w. De
beste tong (v. 1).
meest: het meest
( ix, 418).
betoont: laat blijken
( ii, 2235).
4die...kroont: nl. de Heilige Geest die
vurige tongen op de hoofden van de apostelen deed verschijnen bij het
Pinksterfeest (Handelingen 2: 3).
vier: vuur.
5 snoodtst: boosaardigste
( xiv, 2403).
6 Nae...wenschen: wensen zo wijs te
zijn als God (vgl. Genesis 3: 1-5).
8De...gelyck: nl. Lucifer die zich
gelijk wenste te stellen met God (Jesaja 14: 12-14).
sy: aanvoegende
wijs.
10met het doen: in de
praktijk.
11Droch: bedrieglijke verschijning
( iii, 3403).
12Wie dat: degene die.
haer:
t.w. Schyn (v. 11).
13De...belaegen: nl. de vervolging van
mensen met een ander geloof.
15Roomsche:
rooms-katholieke.
het smekent blad: nl. het Smeekschrift der Edelen
(1566).
17Soo wel als d' ander: evenals de
ander, dwz. de protestantse geus.
18versochter (...) by: verzocht
hiermee; het ond. De Roomsche geus (v. 15) is samengetrokken.
's
Kajzars dochter: nl. de landvoogdes Margaretha van Parma die het
Smeekschrift aannam.
19Den...haet: prolepsis:
lijd.vw.
gerustheyt: rustige omstandigheden
( iv, 1699).
20een geschickte staet:
ond.
geschickte: ordelijke ( iv, 1731).
21Daer: waar.
mujren: lees:
muren.
22dujren: lees: duren; in stand blijven
( iii, 3668).
23aerdsche god: (wereldlijk)
bestuurder.
by: door.
24eedt: nl. eed van trouw aan het
wettige gezag door de schutterij waarvan de geldigheid door de predikanten,
leeraers (v. 25), betwist werd.
verknocht: gebonden
( xx, 374).
meer schuttery: samentrekking: zoveel te meer
wordt de schutterij by (e)en eedt verknocht.
25Wat leeraers ock: welke predikanten
ook maar.
dien bant: t.w. die eedt
(v. 24).
ontlitsen: losmaken ( viii, 3329 sv. lus).
26kerven: doorsnijden
( vii, 2486). snoer: nl. band om de ‘pijlenbundel’ van
de provincies die gezamenlijk de Republiek ( zeeven flitsen)
vormen.
flitsen: pijlen.
10oproermaecker: in het bijzonder van
toepassing op de predikant A.J. Smout.
11huyse-plondren: nl. de aanval op de
vergaderplaats van de remonstranten bij de Montelbaanstoren.
18PRINCENROEMER: a) vorstelijke
roemer; b) roemer met beeltenis van Frederik Hendrik.
20den Veldheer van het landt: nl.
Frederik Hendrik, die in 1629 's-Hertogenbosch had
bedwongen. ondertekening: Yver: de zinspreuk van de Amsterdamse
Academie.
|
|