|
|
|
| |
| | | |
12 Thessaliaensche konst om 't Maen-licht te doen dalen
(1636)
De dichter reageert op een Latijnse redevoering en een begeleidend
gedicht in het Nederlands, beide toegezonden door Caspar Barlaeus.
Aen de E. Heere Proffessor C. barleus, doen hy my sijn
Oratie van de wonderen des Hemels toesont
opschrift
Thessaliaensche konst om 't Maen-licht te doen dalen
1
Door sneege schranderheyt, in Tesselscha noyt viel.
2
Maer ghy kunt op de Aerd den heelen Hemel halen,
En staende-houden met een Wonder-kracht der Ziel,
4
5
Wout ghy den Treck van die Caracters doen vertaelen,
5
Licht of ick mee wat Lichts des hoogeheyms onthiel.
6
| | | |
Naar de eerste druk in Jacob Westerbaen,
Minnedichten. Amsterdam, Joost Hartgersen, 1644, p.269. ub
Amsterdam 408 g 24.
| |
Verantwoording
De cursivering van de zes versregels is ongedaan gemaakt;
daarentegen zijn de oorspronkelijk ongecursiveerde woorden cursief afgedrukt.
De tweede, vierde en zesde versregel waren ingesprongen.
In v. 1 is ‘THessaliaensche’ weergegeven als
Thessaliaensche; ‘VVonder-’ (v. 4) en ‘VVout’
(v. 5) als Wonder- en Wout.
| |
Notities
2 sneege: pleonastisch epitheton. De
prolepsis in Tesselscha accentueert de woordspeling met
Thessaliaensche (v. 1) en de tegenstelling met ghy (v. 3).
4 Hierin is een verwijzing te lezen naar Jozua
10: 12-3, waar op bevel van Jozua de zon en de maan stil staan, totdat
de strijd is beëindigd. 6 Licht en
Lichts: annominatio.
| |
Korte inhoud
De dichter laat
Caspar Barlaeus weten geen macht over de
maan te hebben, terwijl hij de hele hemel naar de aarde weet te brengen met
zijn rede. Als hij die voor haar zou vertalen, zou ze er wellicht ook iets van
begrijpen.
| |
Achtergrond
Begeleidend gedicht van Caspar Barlaeus bij de zending van zijn
Latijnse oratie die hij op 11 februari 1636 had gehouden.
Aen d'achtbare Joffrou Tesselscha Roemers
Thessaliaensche Vrou, die met u soete dichten
1
Proserpinam vermeucht selfs uijt de hel te lichten,
2
Ghij hebt de maen verruckt, ghij hebt de son ontspoort,
Ghij hebt het starrelicht door uwen glants bekoort.
5
De puijck van 't Haegsche hoff, van naem en daet
Stantvastich,
5
Valt u, verlichte Vrou, met duijstre schaduw' lastich,
6
Hij komt, en steeckt u maer een schaduw in de handt
om van u wederom te krijghen 't licht te pandt.
De ooghen van u hooft verdonckert ghij met kunsten,
10
En Muijdens heerschappij beschijnt ghij met u gunsten.
10
De dwingelant van 't Oost, de geestighe Reael
11
Verheucht hem in u deucht, en glinstert door u strael.
Het raeckt al uijt syn snor, als ghij begint te spoocken,
U pen, u tongh, u geest kan Eunier pappiens koocken.
14
15
Doch syn dees' Goden dus hoochwaerdigh met u naem
Ist wonder dat ick soeck te rijsen door u Faem?
Naar het handschrift. ub Leiden, Hug.37 C.Barlaeus,
Carmina 46-90, genummerd 200.
| | | |
Op het gedicht van Tesselschade Roemers reageert Caspar Barlaeus
weer met een als compliment verpakte weigering haar een vertaling van De
coeli admirandis te leveren:
Aen de selve
Als ghij kundt door u cracht de Maen om leegh doen daelen,
Als ick kan op der aerd den hemel brenghen neer,
Soo is het noodeloos den hemel te vertaelen.
Want daer den hemel is, zijn taelmans in geen eer.
Naar het handschrift. ub Leiden, Hug.37 C.Barlaeus,
Carmina 46-90; genummerd 201.
| |
datering 1636
naar de rede De coeli admirandis van Barlaeus.
|
opschriftOratie: redevoering, hier in
druk.
van de wonderen des Hemels: nl. De coeli admirandis, de
Latijnse titel van de redevoering.
1Thessaliaensche: a) woordspeling met
de naam Tesselschade; b) verwijzing naar Thessalië, het klassieke stamland
van de toverij; vgl. v. 1 van het Nederlandse gedicht van Barlaeus op p.
72.
2sneege: snedige
( xiv, 2283).: lb/} in... viel: viel binnen
( xviii, 322); nl. nam bezit van.
4staende-houden: a) stil doen staan
( vi, 1151); b) in stand houden ( vi, 1151).
5 Wout...vertaelen: voorwaardelijke
bijzin bij v. 6.
Treck: a) lijn (van geschreven letters)
( xvii, 2413); b) hier ook: betekenis.
Caracters: a) letters
( vii, 1575); b) toverspreuken ( vii, 1576).
6Licht of: wellicht dat
( viii, 1957).
mee: ook ( ix, 330).
wat
Lichts: enig licht; met partitieve genitief.
hoogeheyms:
samenkoppeling in de genitief van hooge en
heym;
hooge: a) zich op grote afstand van de grond bevindende
( vi, 1005); b) verheven ( vi, 1009); c) duistere
( vi, 1010); heym: a) geheim ( vi, 474); b) woning
( vi, 474). De samenkoppeling kan dan bv. betekenen ‘hoge
woning’ dwz. hemel, en ‘duister geheim’ dwz. de
onbegrijpelijke tekst van de Oratie. onthiel: conjunctivus: kon
gaan bevatten.
1Thessaliaensche is volgens Van Gool
(1949: 80-109) geen verwijzing naar het landschap Thessalië dat in de
literatuur bekend stond om zijn natuurschoon, maar naar het klassieke stamland
van de tovenarij. Wat deze Thessalische toverij betreft kon Barlaeus putten uit
teksten van onder anderen Horatius, Ovidius en Vergilius. Dat de typering als
tovenares aan Tesselschade Roemers wordt gegeven, acht Van Gool een blamage
voor Barlaeus. Geen enkel antiek dichter zou zoiets hebben gewaagd.
2Proserpinam: accusatief; Proserpina
verbleef een gedeelte van het jaar in de onderwereld (Ovidius
Metamorphosen v, v. 568-571).
5Stantvastich: toespeling op
Constantijn, de voornaam van Huygens.
6Constantijn Huygens vertaalde enige
gedichten van John Donne voor Tesselschade Roemers; zie hiervoor gedicht 3
achtergrond.
10hooft en Muijden(s):
verwijzing naar P.C. Hooft.
11Reael: Laurens Reael (1583-1637)
was van 1616 tot 1618 gouverneur-generaal van Oost-Indië.
14Eunier: heks ( iii, 4263 sv.
eunjer).
|
|