|
|
|
| |
| | | |
14 Prijst vry den Nachtegael (1642)
Het lied is geïnspireerd op een passage in Giovanni Battista
Marino's Adone en op muziek gezet door Johan Albert Ban.
Onderscheyt, tusschen een wilde, en een tamme zangster.
Ter eeren vande Jonk-vrouwe MARIA PILT, Uytnemende Zanghster.
Prijst vry den Nachtegael,
1
Verlust, en schatert uyt:
3
Een Zingendt veedertje en een ghewiekt gheluydt,
4
Gauw, nae het tiereliertje
7
Der vlugge luchtigheydt, van 't oolijck vroolijck diertje.
8
9
Wiens tjilpendt schril geluydt
Gelijck een orgel fleuyt,
10
Veel losse toontjes speelt;
11
En met een tongh alleen, als duyZendt tongen queelt.
12
13
Zyn hoogh' en laeghe Zwier,
13
Van 't helle schelle Zoetje,
15
Vermeestert al 't gesang van 't Zingend' springend' goetje.
16
17
Een diertje, wiens ghelaet
17
In ZeldtZaemheydt bestaet:
18
Om dat het niet en heeft
19
Als Zangh, die maer een maendt in 't gantsche jaer en leeft.
21
Maer 't meeste wonder, dat
Zijn roem ooit heeft gehadt,
Is, dat Zoo kleyne leeden
Herbergen Zulk een kracht van die luytruchtigheden.
23
| | | |
25
Maer wilde Zanghster Zwijght
25,
Uw' tjukken heeft gheen klem;
27
Noch komt niet by den aardt van Rosemondtjes stem.
28
29
Die nae een liever trant,
29
Doet luyst'ren het verstandt,
Met wisse maat, en snikjes,
31
Die vriend'lijckheytjes sluyt in vaster toone strikjes.
32
33
Wiens reden-stem vertaalt,
33
En waardiger onthaaldt
34
De geesjes van 't ghehoor:
35
En hipp'len doet de Ziel van 't hartje tot het oor.
Van minnelijke treeken,
39
Doet onderscheidelijk verscheide tongen spreeken.
40
41
Geen veelheit ons verveelt,
Hoe veel haar keeltje queelt:
Maar eenen versschen lust
43
Bekoort het grage oor, als 't maar een snikje rust.
44
45
't Is ZeldtZamer geneught
45
Die staagh op nieuw verheught,
46
Geen stemmigheyt Zoo lustigh,
47
Als deeZ', die Zoomers is, en 's winters even rustigh.
48
Het ydel galmen by dit woorden Zielen is.
52
| | | |

Uit I.A. Ban, Zangh-bloemzel. Amsterdam,
1642.
| | | | Naar de tweede druk in Jacob Westerbaen,
Minnedichten. Amsterdam, Joost Hartgersen, 1644, p.272-3. ub
Amsterdam 408 g 24.
| |
Verantwoording
De tekst is niet overgenomen uit de eerste druk in Johan Albert
Bans Zangh-bloemzel, Amsterdam, P. Matthijsz voor L.
Elzevier, 1642, p.xix-xxxiii, omdat de versregels daar
doorlopend onder de notenbalken zijn genoteerd en aan de melodie zijn
aangepast, bijv.:
7 tie-re li-re li-re li-re li-re li-re li-re li-re
li-re liertje'
De andere verschillen betreffen alleen de spelling.
In de Minnedichten springen de eerste versregels van de
kwatrijnen in; het gedicht is cursief gedrukt, behalve Nachtegael (v. 1
en 50). Wij hebben de cursivering opgeheven en om het onderscheid te handhaven
Nachtegael schuin gedrukt. /VV/ is weergegeven als /W/ in
Wiens(v. 5, 9 en 33) en Wat (v. 51). Een apostrof is aan de losse
/t/ (v. 21) toegevoegd. In het opschrift is het afkortingsteken boven de /e/ van
‘tussche’ opgelost.
De schrijfwijze van de /z/ als /Z/ in dit gedicht is een gevolg van
de gecalligrafeerde /z/ in het handschrift van Tesselschade Roemers.
| |
Notities
Het gedicht is onderverdeeld in 13 strofen van 4 versregels. De
strofes over de Wilde Zanghster, de nachtegaal, en die over de Tamme
Zanghster, Maria Pilt, hebben een parallelle bouw. De tweemaal zes strofen
kunnen vaak tot in detail met elkaar vergeleken worden. De vele adjectieven met
vergrotende trap in de tweede reeks geven de voorkeur van de dichter duidelijk
aan. De conclusie wordt in de laatste strofe alleen indirect geformuleerd. De
hoorders wordt gevraagd door vergelijking tot een voorkeur voor een van beide
te komen. In de vorm worden de beide zangsters geheel verschillend tot
leven gebracht; de suggestieve waarde van klankherhaling speelt daarbij een
overtuigende rol. De lichtheid en luchtigheid van de Wilde Zanghster
worden gesuggereerd door quinkelere (v. 5), tjilpendt schril (v. 9)
en helle schelle (v. 15); opgewektheid in tiereliertje (v. 7),
vlugge luchtigheydt (v. 8), oolijck vroolijck(v. 8), lieffelijk
ghetier (v. 14) en Zingend' springend' (v. 16). De klankherhalingen
bij de Tamme Zanghster zoals in vertaalt (v. 33) en waardiger
onthaaldt (v. 34) geven eerder de suggestie van stemmigheid. In het
binnenrijm dat door het hele vers heenspeelt, komt de klankwaarde het sterkst
tot uiting. 4 Een Zingendt veedertje en een ghewiekt
geluydt: De betekeniselementen vormen een chiasme. Het adjectief in de
eerste woordgroep is tot subject in de tweede gemaakt en andersom.
15 't helle schelle Zoetje: metonymia: de
nachtegaal heeft een helle schelle stem.
28 Rosemondtjes stem verwijst naar de liefelijke
zang uit de mond van Maria Pilt. Rosemondje is een poëtische, aan het
petrarkisme ontleende naam die veel bij dichters voorkomt.
36 van 't hartje tot het oor: de menselijke muziek
is niet alleen een lust voor het oor, maar voegt daar een diepere waarde aan
toe. 38 Leendertz Jr. (1929: 113) stelt voor de komma uit
v. 39 hier te plaatsen. 40 onderscheidelijk
verscheide: annominatio. 41 veelheit ons
verveelt: annominatio.
| |
Korte inhoud
De kwaliteiten van de nachtegaal en de zangeres Rosemondtje
worden vergeleken. Hoewel de bewondering voor de zang van de nachtegaal groot
is, krijgt de menselijke stem van de zangeres een grotere waardering, omdat
niet alleen het oor maar ook het verstand met vreugde naar haar | | | |
kan luisteren. Daarbij is de menselijke zang niet aan een bepaald seizoen
gebonden. Een ieder moet maar voor zichzelf uitmaken wie van de twee het meest
te waarderen is.
| |
Achtergrond
Voor het gedicht heeft Tesselschade Roemers zich laten inspireren
door de Italiaanse dichter
Giovanni Battista Marino (1569-1625),
wiens originele, maar vaak gekunstelde manier van dichten in heel Europa werd
nagevolgd. Zo nodigde
P.C. Hooft, ook een bewonderaar van
Marino,
Tesselschade Roemers in 1634 uit om een
aantal dagen ‘Marino [-] helpen lezen.’ (Hooft De
briefwisseling, brief 628).
Navolging van Marino is te vinden in de zevende zang van zijn epos
Adone (1623), waarin de unieke zangkunst van de
nachtegaal wordt bezongen (stanza's 32-37). Tesselschade Roemers' beschrijving
van de Wilde Zanghster is een zeer origineel dichtstuk, en
tegelijkertijd een prachtig voorbeeld van imitatio. De belangrijkste
voorbeelden van haar, nu eens letterlijke, dan weer parafraserende navolging
zijn: 4 Een Zingendt veedertje en een ghewiekt
gheluydt: una piuma canora, un canto alato (37, 8): een zingend
veertje, een gevleugeld gezang. 10 Gelijck een orgel
fleuyt: bij Marino worden vijf instrumenten genoemd: cetra flauto liuto
organo e lira (34, 8): citer, fluit, luit, orgel en lier.
12 En met een tongh alleen, als duyZendt tongen
queelt: e trasforma una lingua in mille lingue (32, 8): en vormt
één tong om in duizend tongen.
16 Vermeestert al 't gesang van 't Zingend' springend'
goetje: che par maestro del'alato stuolo (32, 6): zodat hij de
meester schijnt van het gevleugeld volkje. 17/8 Een
diertje, wiens ghelaet (i)n ZeldtZaemheydt bestaet: che s'ode sì,
ma si discerne apena (33, 2): (een muzikaal wonder), dat men weliswaar
hoort, maar nauwelijks te zien krijgt. 23/4 dat Zoo
kleyne leeden (h)erbergen Zulk een kracht: Chi crederà che forze
accoglier possa animetta sì picciola cotante? (37, 1-2): wie zal
geloven, dat zo'n klein zieltje zulke krachten in zich kan herbergen?
Maar er is meer. In een tweede gedeelte (stanza's 40-56) vertelt
Marino over een muzikale wedstrijd tussen een luitspeler en een nachtegaal,
waarbij het vogeltje uiteindelijk niet opgewassen blijkt tegen de virtuositeit
van de muzikant. Het diertje sterft en wordt begraven in de luit als
doodskistje. De uitslag van de wedstrijd is geheel in overeenstemming met de
Renaissance-opvatting, dat de kunstvaardigheid van de mens de natuur
overstijgt.
Hoewel er in het tweede gedeelte van Tesselschades gedicht geen
letterlijke navolging van Marino meer is aan te wijzen en het bovendien niet om
een echte wedstrijd tussen de Wilde enTamme Zanghster gaat, heeft
zij toch de grondgedachte van Marino overgenomen: de zangkunst van de
nachtegaal haalt het niet bij de virtuositeit van de zangeres.
| |
datering ten laatste 1642
naar de publikatie in Zangh-bloemzel.
|
1vry: gerust ( iv, 1698 sv.
gerust).
3 Verlust: behaagt
( xx, 1050).
schatert uyt: het uitschatert
( xvii/3, 1457)
4Een...gheluydt: tweemaal pars pro
toto: de nachtegaal.
5Zoet: liefelijk ( MNW
VII, 1480); post-adjectief.
6luystre: lees: luisteren.
7Gauw: snel ( iv, 350)
dwz.gretig; postadverbium bij luystre (v. 6).
nae:
naar.
8luchtigheydt: ook: beweeglijkheid
( viii, 3182).
oolijck: onaanzienlijk ( xi, 10),
onooglijk ( xi, 13).
10gelijck een orgel fleuyt: a)
samentrekking: zoals een orgel fluit (en) Veel losse toontjes speelt
(v. 11); b) samengesteld substantief: orgel-fleuyt: orgelpijp
( iii, 4584); ond. bij speelt (v. 11).
11losse: ongedwongen
( viii, 2962).
13Zyn...Zwier: kan duiden op zingen en
op vliegen.
15Zoetje: nl. de nachtegaal.
16Vermeestert: overtreft
( xx, 1270).
't Zingend' springend' goetje: metafoor: de
vogeltjes.
17ghelaet: uiterlijk voorkomen
iv, 1026); dwz. zichtbaarheid.
18In...bestaet: zeldzaam is
( ii, 2105).
23kracht van die luytruchtigheden: die
krachtige geluiden; omkering kern en bepaling.
26na uw' adem hyght: snak naar adem
( vi, 746); imperatief.
27klem: betekenis
( vii, 3846).
28Noch...by: is ook niet te vergelijken
met.
komt: is te vergelijken
( vii, 5202).
Rosemondtjes: t.w. van de Tamme
Zanghster.
29Die: betr.vnw. bij Rosemondtjes
stem (v. 28).
nae: naar.
trant: manier (nl.van
zingen).
31wisse: vaste ( iv, 2108 sv.
gewis).
snikjes: ogenblikjes rust (niet langer dan een kwartnoot)
( xiv, 2357); zie ook v. 44.
Die: betr.vnw. bij
Rosemondtjes stem (v. 28).
32vriend'lijckheytjes: kleine
bekoorlijkheden ( xxiii, 574).
sluyt: insluit
( xiv, 1964).
33Wiens: van wie; t.w. van
Rosemondtje (v. 28).
vaster toone strikjes: versieringen
( xvi, 75) met regelmatiger tonen (dan van de Wilde
Zanghster).
reden-stem: zang met betekenis.
vertaalt:
vertolkt ( xx, 974).
34onthaaldt: bejegent
( x, 1861).
35geesjes: subtiele geestelijke
vermogens.
't ghehoor: a) de toehoorders ( iv, 875); b) het
horen ( iv, 870).
39minnelijke: beminlijke
( ix, 778).
treeken: kunstgrepen
( xvii, 2281).
40onderscheidelijk: duidelijk
( x, 1452).
tongen: talen ( xvii, 1044).
43versschen: nieuwe
( xx/1, 2153).
44grage: gretige ( v,
513).
45't: t.w. versregel
46.
geneught: genoegen.
47stemmigheyt: a) stemgeluid; b)
ingetogenheid ( xv, 1416).
48deeZ': t.w. de stem van de Tamme
Zanghster.
rustigh: krachtig.
50Van: over.
uw: u; t.w.
Rosemondtje (v. 28), de Tamme Zanghster.
52ydel: lege
( vi, 1401).
zielen: bezielen ( iv, 2215
sv.gezield).
|
|