|
|
|
| |
| | | |
15 Wat wonder ist een glas geslepen naer de kunst (1642)
In een brief reageert de dichter op een geschenk van Caspar Barlaeus
opschrift.
Wat wonder ist een glas geslepen naer de kunst
1
Doorluchticht met de gunst
2,
Van mijn Phoeeten Gloor, en naerstich ondersoecken
3
5
Dat dat vergroven kan en brengen aen den dagh
5
Het geen daer scherp in Lagh
6
Als door een kloecken bril geslepen en gevreven
7
Om blinden Ogh te geeven,
8
Doch soo daer ijts aen die doorluchte Schijn onbreeckt
9
10
Dat is dat hij te klaer mijn Hooft orakels spreeckt.
10
| | | | Naar het handschrift (calligrafie) van dochter Maria
Tesselschade Crombalgh.ub Leiden, Pap. 2 (Visscher).
| |
Verantwoording
Om de leesbaarheid te bevorderen van
gr[*.*+]<i>k[*e/c*+]<*x*> is er twee maal een /e/ toegevoegd:
griekxe (v. 4). De /u/ is weergegeven als /v/ in gevreven (v. 7) en
geeven (v. 8).
| |
Diplomatische transcriptie
Wat wonder ist een glas ge[l+]<s>lepen naer de kunst
Doorluchticht met de gunst,
Van mijn Phoeeten Gloor, en naerstich ondersoecken
Der gr[*.*+]<i>k[e/c+]<*x*>
toverboecken
Dat dat vergroven kan en brengen aen den dagh
Het geen daer scherp in Lagh
Als door een kloecken bril geslepen en gevreuen
Om blinden Ogh te geeuen,
Doch soo daer ijts aen die doorluchte Schijn
onbre+<e>+ckt
Dat is dat hij te klaer mijn Hooft orakels
s[*.*+]<p>re+<e>+ckt.
| [ +] | hieroverheen is < >
geschreven |
| a/b | onduidelijk of a of b bedoeld is |
| * * | onzeker |
| >+< >+ | boven de regel toegevoegd |
| |
Notities
Het gedicht bestaat uit twee zinnen. De eerste is een uitroep van
verwondering over het ene geschenk (v. 1-8), de tweede geeft aan dat het andere
geschenk desondanks niet begrepen kan worden. In beide zinnen wordt de typering
doorlucht(icht) (v. 2 en 9) gebruikt. Een woordspel waarin ook de woorden
Gloor (v. 3) en Schijn (v. 9) meespelen door de dubbele betekenis
‘doorschijnend’ en ‘stralend’. Uit de op het
gedicht volgende belofte dat zij later ‘het panegijricus
oordeel’ zal vellen, mag misschien worden opgemaakt dat de dichter de
Panegyris, de lavdibvs Eminentissimi Cardinalis Armandi Ioannis Plessiaci,
Richelii Ducis, Franciae Paris etc. van
Barlaeus kreeg. Dit boek moet vergezeld
gegaan zijn van een leesinstrument. Het enkelvoud glas (v. 1) en als
door een kloecken bril (v. 7) maken het aannemelijk dat het om een loep
gaat. Het feit dat het glas (v. 1) (d)oorluchticht (is)
met de gunst van mijn Phoeeten Gloor. en naerstich ondersoecken Der griekxe
toverboecken wettigt het vermoeden dat Tesselschade Roemers een loep
ontving die al door de schenker was gebruikt. De gunst, Van mijn Phoeeten
Gloor, te weten van Caspar Barlaeus, straalt erin door, evenals het
ondersoecken Der griekxe toverboecken. Dit duidt dan op de werkzaamheden
van Barlaeus als classicus; voor
Tesselschade Roemers zou het een zinloze
actie zijn. Tevens geeft de dichter met de woordgroep griekxe
toverboecken haar eigen onwetendheid op dit terrein te kennen;
toverboecken moet dan gezien worden als een ironische omschrijving voor
teksten waar zij geen zinnige betekenis aan kan hechten; het woord
griekxe verwijst enerzijds naar de taal die C. Barlaeus zeker bestudeerd
zal hebben, anderzijds naar een taal die iemand volstrekt vreemd blijft.
De onbekendheid van de dichter met Latijn en Grieks verwoordt zij in v. 10
met orakels spreeckt. Ondanks het leesinstrument dat de mogelijkheid
geeft de (Latijnse) tekst van Caspar Barlaeus te lezen, blijft het voor haar
volstrekt onverstaanbaar. | | | |
Het gehele gedicht wordt gekenmerkt
door ironie. De dichter ontvangt een cadeautje, waar ze uitbundig de lof over
zwaait. Het geschenk wordt echter waardeloos, omdat de mogelijke bedoeling, dat
ze er het geschonken boek mee zou kunnen lezen, nergens op slaat: ze beheerst
het Latijn niet. Het lijkt dan merkwaardig dat de dichter wel spreekt van
mijn Phoeet(..) (v. 3). Dit wordt verklaarbaar binnen het briefkader van
de dichttekst. De voorafgaande passage luidt:
Myn Heer Naer dat ick in het diepste memory hol van Tessela
gekoemen was, om de Alckmaersce Eusebia haar oorde[e]l aff te eyscen,
soo heeftse geantwoor[t] met luchtige zin: (Worp 1918: 255).
Hieruit blijkt dat de gesuggereerde spreker van het gedicht
Eusebia is, de klassieke heilige wier naam ‘de godvruchtige’
betekent. Pas in de tiende regel die de ommekeer geeft, wordt ook de
Eusebia-voorstelling verlaten; mijn Hooft is nu het hoofd van de dichter
zelf.
| |
Korte inhoud
Uiting van verwondering over een instrument dat nog de glans van
het eerdere gebruik voor tekstwetenschappelijk werk met zich draagt en het voor
een slechtziende mogelijk maakt te lezen. Met behulp van het instrument wordt
echter nog duidelijker dat het tweede geschenk, een boek in een vreemde taal,
onbegrijpelijk blijft.
| |
Achtergrond
In een eerder gedicht (gedicht 12) aan Caspar Barlaeus vinden we
eveneens een reactie van de dichter op het toesturen van een Latijnse oratie.
Ze vraagt daarin om een vertaling. Barlaeus had zijn werk toen vergezeld doen
gaan van een gedicht waarin hij haar voornaam in verband brengt met een
Thessalische tovenares. In haar antwoord daarop ontkent ze slechts haar
tovergaven. Hier schrijft ze de tovergaven aan Caspar Barlaeus zelf toe.
| |
datering 1642
Aangenomen mag worden dat dit gedicht een reactie is op de
lofspraak op Jean du Plessis van C. Barlaeus uit 1641. In haar begeleidende
brief zegt Tesselschade Roemers dat zij na de ‘pannekoeck daegen (...)
het panegijricus oordeel (zal) vellen’. Dit moet betekenen dat
haar antwoord na de vasten van 1642 is geschreven.
|
opschriftPanegyris, de lavdibvs Eminentissimi
Cardinalis Armandi Ioannis Plessiaci, Richelii Ducis, Franciae Paris etc.:
Lofspraak op de verdiensten van Z. Emin. Kardinaal Armand Jean de Plessis,
hertog van Richelieu, pair van Frankrijk etc.
1-t: voorlopig ond. verwijzend naar:
een...geeven (v. 1-8).
naer de kunst: vakkundig.
2Doorluchticht: doorschenen (naar
viii, 3157 sv. lucht v en naar viii, 3182 sv. luchtig
ii).
3mijn Phoeeten: zwakke verbuiging: van
mijn poëet.
Van...ondersoecken: samentrekking: Van mijn
Phoeeten Gloor en [Van mijn Phoeeten] naerstich ondersoecken.
de
gunst, Van(...) Gloor: omkering kern en bepaling: de vriendelijke
glans; gunst: vriendelijkheid ( v, 1290); Gloor: glans
( v, 145).
5dat: t.w. een
glas(...)toverboecken (v. 1-4).
vergroven: vergroten
( xix, 2267).
6scherp: ternauwernood (leesbaar)
( xiv, 511).
7 Als: zoals.
kloecken:
krachtige (naar vii, 4179).
8geslepen...geeven: part.constructie
bij een kloecken bril; lees: (bril) die geslepen en gewreven is
om...
9 soo: indien.
doorluchte:
a) doorschijnende ( iii, 3005); b) verheven
( iii, 3005).
Schijn: werkelijke verschijning ( xiv,
613); bedrieglijke gedaante ( xiv, 617).
10hij: t.w. die doorluchte
Schijn (v. 9).
te: zeer.
mijn Hooft: indirect object;
voor mijn verstand.
orakels spreekt: in raadsels spreekt.
|
|