|
|
|
| |
| | | |
16 Claes seijde tegens Trijn, wat doe je weer te Mis
(1642)
Reactie op de negatieve houding van Constantijn Huygens bij de
overgang van de dichter naar de katholieke kerk.
Claes seijde tegens Trijn, wat doe je weer te Mis
1
Bij dat Brood-droncke volck, die schatters van de Vis?
2
Trijn seij mijn lieve Claes, Ick houw mij binnen't boord
Van Sinte Pieters Schip, daer men naer't rechte Noordt
4,
En noijt zeyldt (als men doet daer buijten) bij de giss
5.
Ick hoor de waerheydt Claes, maer Gij hoordt altydts mis
6.
| | | |

Een los vel met dit handschrift is door ons
teruggevonden in het Kapucijnerklooster te 's-Hertogenbosch. Op de andere zijde
staat gedicht 20.
| | | | Naar het handschrift, waarschijnlijk een afschrift, dat
op de ommezijde het gedicht Ons beijder Vader seijdt (gedicht 20) bevat;
gevonden in het Kapucijner klooster te 's-Hertogenbosch.
| |
Verantwoording
Boven het gedicht staat: Van Iuffr. Tesselschade
wat wij beschouwen als een opmerking van een afschrijver. De versregels zijn
geschreven in de humanistische cursief.
Varianten zijn te vinden in de uitgave van Worp (1918: 244), die
zich baseert op de teksten in Jacob Westerbaens Minnedichten, p.269 en
Verscheyde Nederduitsche Gedichten ii, p.30. De belangrijkste
afwijkingen zijn: opschrift: Deuntje
3 Trijn zey, mijn lieve man, zy hebben 't rechte Noort
4 Van Sinte Pieters schip, daer raeckt niet buyten boort;
5 Zy hebben 't roer en stuur; u volck zeylt by de gis;
P. Maximilianus leest in v. 5 ‘seyldt’ en in v. 6
‘altijdt’ (Maximilianus 1952: 36).
| |
Diplomatische transcriptie
V/van Iuffr. Tesselschade
Claes seijde tegens Trijn, wat doe je weer te Mis
Bij dat Brood-droncke volck, die schatters van de Vis?
Trijn seij mijn lieve Claes, Ick houw mij binnen't boord
Van Sinte Pieters Schip, daer men naer't rechte Noordt,
En noijt zeyldt (als men doet daer buijten) bij de giss.
Ick hoor de waerheydt Claes, maer Gij hoordt altydts mis.
P. Maximilianus trof het gedicht aan in
een exemplaar van
Constantijn Huygens'
Koren-bloemen, Amsterdam 1672, dat Huygens zelf gaf aan
Roemer van Wesel (zoon van
Anna Roemers) met een opdrachtgedicht dat
hij dateert januari 1682. In het boek zat een los vel, aan weerszijden
beschreven met een gedicht van
Tesselschade Roemers. Het gedicht aan de
andere zijde is Ons beijder Vader seijdt (gedicht 20).
| |
Notities
1 Claes en Trijn komen in het werk
van
Huygens, vooral in zijn epigrammen, een
aantal malen voor. De dichter kan daar bij aangehaakt hebben. Er valt misschien
ook te denken aan een letterspelletje. In de spelling Claes en
Trijn kan een verwijzing zitten naar de eerste letter van hun beider
voornamen Tesselschade en Constantijn (Hüsken 1987: 232). In hoeverre de
namen verwijzen naar poppekastfiguren is niet na te gaan.
‘Janklaassen’ komt in de geschreven bronnen voor het eerst voor in
1672 als trompetter van de prins. Dat de figuren in de orale traditie bekend
waren, is zeker mogelijk. De dichter kan poppekastfiguren gekozen hebben als
een ironische verwijzing naar Huygens' sonnet v. 2.
2 Brood-droncke volck: ambigu: a) pejoratief:
overmoedige volk; b) dit door Gods lichaam verzadigde volk; de eucharistie
vormt een onderdeel van elke mis en kan bovendien elke dag van de week gevierd
worden.
schatters van de Vis: ambigu: a) de katholieken werden als
kenners van vis beschouwd omdat zij op vrijdag, de dag van het sterven van
Jezus, dienden te vasten. Ze mochten dan geen vlees eten, maar wel vis. b) het
vissymbool, Grieks ‘ichtus’ was voor de eerste christenen het
geheime herkenningsteken. De dichter legt bij de b)-duidingen
Claes, de fervente tegenstander van het katholieke geloof - als het ware
tegen zijn eigen overtuiging in - in de mond dat de eucharistieviering een
geloofservaring behelst die voor katholieken hun gehele leven bepaalt en dat de
katholieken | | | | de symboliek van de eerste christenen zuiverder hebben
bewaard. 4 Sinte Pieters Schip: als metafoor voor
de katholieke kerk gebruikelijk; vgl. Marnix Den Biencorf
(1858: ii, 148): ‘Derhalven soo mochte dat schuytken Petri wel
schipbrekinge lijden,...’; er is tevens een verwijzing in te zien naar
Huygens v. 11. 6 mis: woordspel dat de
verschillende houding van Claes en Trijn duidelijk maakt;
tegelijk een verwijzing naar v. 1 waardoor het geheel een cyclische bouw
krijgt.
| |
Korte inhoud
Claas verwijt Trijn haar geloofskeuze. Zij repliceert met een
woordspel op de betekenis van mis, dat voor hem ‘verkeerd’
betekent, maar dat als ‘katholieke eredienst’ haar de mogelijkheid
geeft de waarheid te horen.
| |
Achtergrond
Het sonnet van Constantijn Huygens waar de dichter op
reageert:
De tweede Tesselschade
Is Tessel op het pad na Roomen van Geneven?
Is d'afgelockte ziel in 'tpoppe-goed verwart?
Heeft menschen-mijmering bekropen 'thooghe hart?
Heeft Papen duyster licht Gods licht er uyt gedreven?
Is haer welwetenheid in 't doncker uytgewreven?
Is in haer dampigh oogh de witte Reden swart,
Het rechte spoor te slecht, het sachte jock te hard?
Is Roemers Roomens kind? O Roemer, die dit leven,
Dit slijck gewisselt hebt voor 'teewighe besitt
Van 'teewighe besien, wat toenaem geeft ghij dit,
Dit schip en goeds verlies, eer 't ancker' off ontlade?
Sij soeckt V; maer een mall, een stall-licht leijdt haer
miss;
Haer naeld is 'tnoorden quijt, sy zeilt maer bij de giss.
O min als Tesselscha, o meer als Tessels-schade!
Uit Constantijn Huygens, De gedichten deel 3, 1893.
| |
datering 1642
Als reactie op Huygens' sonnet van 15 januari 1642 moet het
gedicht in hetzelfde jaar geschreven zijn.
|
1te Mis: in de mis, t.w. in de
katholieke eredienst.
2schatters van: deskundigen op het
gebied van.
4Sinte Pieters Schip: metafoor: de
katholieke kerk.
naer 't rechte Noordt: de juiste koers; vgl.
Huygens v. 13.
daer: waar.
5bij de giss: vgl. Huygens
v. 13.
daer(...) zeyldt: samentrekking: naer 't rechte
Noordt [zeyldt] En noijt zeyldt...
6mis: a) verkeerd; b) katholieke
eredienst.
|
|