|
|
|
| |
| | | |
20 Ons beijder Vader seijdt, wiens Woord de Waerheijdt is
(1644/45)
De dichter reageert op het gedicht van Constantijn Huygens
Tesselschades Vraegh nopende de kerck. Myn' weder-vraegh, gedateerd 14
december 1644.
Tesselschades Antwoordt
Ons beijder Vader seijdt, wiens Woord de Waerheijdt is
1,
De Kercke is mijn Bruijdt, Ick geef s'U tot een Moeder,
Met last haer zin te doen, en niet naer ijders giss
3;
Die Haer daer niet voor kendt, is dat geen bastaerdt-broeder?
4
5
Waer is uw Moeder doch? Gij noemt'er mij wel een
5,
Die Godt belooft heeft dat geen Duijvels kracht sal hind'ren
6,
Maer scheldt se echter vuijl, en stelt 'er klaerder geen
7.
Dat's immers geen bescheijdt van rechte echte kind'ren
8.
Het Vader-noemen, dat uw kindtsheijdt ons verwijt
9,
10
Sijn Tucht-vaêrs die het wicht eerbiedigh leeren
spreecken
10
Van beijd sijn Ouders: Dus de Moeder-Kerck belijdt
11,
Of d'Opper-Vader sal't in't derde Maeghschap Wreecken
12.

Een los vel met dit handschrift is door ons
teruggevonden in het Kapucijnerklooster te 's-Hertogenbosch. Op de andere zijde
staat gedicht 16.
| | | | Naar het handschrift, waarschijnlijk een afschrift, dat
op de ommezijde het gedicht Claes seijde tegens Trijn (gedicht 16)
bevat; gevonden in het Kapucijnerklooster te 's-Hertogenbosch.
| |
Verantwoording
Boven het gedicht staat: Tesselschades Antwoordt wat wij
beschouwen als een opmerking van een afschrijver. De versregels zijn geschreven
in de humanistische cursief. De /vv/ is weergegeven als /w/ in verwijt
(v. 9); de /é/ als /e/ in Wreecken (v. 12).
Het gedicht is voor het eerst in druk verschenen in Maximilianus
(1952: 38). Op enkele punten wijkt deze versie af van onze transcriptie:
‘Last’ (v. 3), ‘noemt er’ (v. 5), ‘ze’ en
‘er’ (v. 7); de /vv/ is opgelost in ‘verwijt’ (v. 9).
| | | |
| |
Diplomatische transcriptie
Tesselschades Antwoordt
Ons beijder Vader seijdt, wiens Woord de Waerheijdt
is,
De Kercke is mijn Bruijdt, Ick geef s'U tot een Moeder,
Met last haer zin te doen, en niet naer ijders
giss;
Die Haer daer niet voor kendt, is dat geen
bastaerdt-broeder?
Waer is uw Moeder doch? Gij noemt'er mij wel een,
Die Godt belooft heeft dat geen Duijvels kracht sal
hind'ren,
Maer scheldt se echter vuijl, en stelt 'er klaerder
geen.
Dat 's immers geen bescheijdt van rechte echte kind'ren.
Het Vader-noemen, dat uw kindtsheijdt ons
vervvijt,
Sijn Tucht-vaêrs die het wicht eerbiedigh leeren
spreecken
Van beijd sijn Ouders: Dus de Moeder-Kerck
belijdt,
Of d'Opper-Vader sal't in't derde Maeghschap
Wréecken.
P. Maximilianus trof het gedicht aan in
een exemplaar van
Constantijn Huygens'
Koren-bloemen, Amsterdam 1672, dat Huygens zelf
gaf aan
Roemer van Wesel (zoon van
Anna Roemers) met een opdrachtgedicht dat
hij dateert januari 1682. In het boek zat een los vel, aan weerszijden
beschreven met een gedicht van
Tesselschade Roemers. Het gedicht aan de
andere zijde is Claes seijde tegens Trijn (gedicht 16).
| |
Notities
1 Hoewel het gedicht een scherpe aanval is op de
denkbeelden van
Constantijn Huygens, wordt met
Ons het gemeenschappelijk geloofsgoed voorop gesteld.
wiens
Woord de Waarheijdt is: deze bijv.bijzin staat verwijderd van het
antecedent Ons beijder Vader. Dit en de sterke alliteratie maken de
inzet zeer krachtig. 5 De vraag aan Constantijn Huygens
naar zijn Moeder veronderstelt een accentuering van uw; de hierdoor
ontstane antimetrie versterkt de tegenstelling tussen de dichter en de
aangesprokene. 6 Het vers onderbreekt als bijv. bijzin de
zinselementen die door Maer (v. 7) tegenstellend verbonden worden; dit
heeft tot gevolg dat de zin als vanzelf enigszins geïsoleerd gelezen wordt
en daardoor een zwaarder effect krijgt. 8 Met het
binnenrijm in rechte echte kind'ren benadrukt de dichter de houding die
kinderen tegenover hun ouders dienen te hebben en die zij bij Constantijn
Huygens mist.
In de tekst heeft de dichter vele bijbelcitaten verwerkt:
1 In het hogepriesterlijk gebed (Johannes
17) spreekt Jezus als zoon tot de Vader. Daarin staan de woorden:
‘Heilig hen in uw waarheid; uw woord is de waarheid.’ Het gebed van
Jezus verwoordt tevens de hoop op eenheid van alle gelovigen als bewijs van
Gods liefde. Daarnaast kan zeker ook gedacht worden aan II Timotheus
2, waar het ‘Woord der waarheid’ (vers 15) staat bij de
oproep ‘dat zij geen woordenstrijd voeren hetwelk tot geen ding nut
is’ (vers 14). 2 De bruidsmetafoor is een zeer
algemeen christelijk beeld, gebaseerd op Openbaring 21: 9b:
‘Kom herwaarts, ik zal u tonen de Bruid, de Vrouw des Lams’, waarin
Jezus als Lam wordt voorgesteld. 2 Voor de kerk als moeder
(vgl. ook v. 11) bestaat geen bijbelse grond; de beeldspraak dateert uit de
vroeg-christelijke traditie. 9 In Lucas
9: 1 wordt verteld dat Jezus zijn discipelen uitzendt: ‘en (Hij)
gaf hun kracht | | | | en macht over al de duivelen’. Dit wordt vaak
als het begin van de christelijke kerkvorming geduid.
10 De tucht als positief opvoedingsmiddel wordt vooral in
Spreuken gepropageerd, onder andere in Spreuken 13: 1: ‘Een
wijs zoon hoort de tucht des vaders’. 12 Het vijfde
gebod dat duidelijk ten grondslag ligt aan de verzen 10 en 11, luidt:
‘Eert uw vader en uw moeder, (...) opdat het u wèl ga’. De
dichter formuleert echter de waarschuwing bij het tweede gebod: ‘want Ik
(...) ben een (na)ijverig God, die de misdaad der vaderen bezoek aan de
kinderen en aan het derde en aan het vierde lid (=generatie) dergenen, die mij
haten’ (Deuteronomium 5: 1-21).
| |
Korte inhoud
In zeer krachtige taal slaat de dichter de aanval van Constantijn
Huygens op de moederkerk en het pauselijk gezag af. Hiertoe gebruikt zij de
metafoor van de moeder en de vader aan wie elk kind eerbied verschuldigd
is.
| |
Achtergrond
‘Een ijder kerck kint kent zyn Vaeder, soo het seyt, maer
dat syn vaeder en moeder kent, en isser niet qualyck aen, want een moeder en
kan geen bastaert maecken nae de gemene wet. Hier wach[t] ick u oorde[e]l aff,
ten waer wy beter te swygen koeren.’ (koeren: kozen) (Worp
1918: 292).
Deze woorden schrijft Tesselschade Roemers aan Caspar Barlaeus in
het vervolg van haar brief over de vrije wil (vgl. gedicht 32). Op de vraag
reageert Constantijn Huygens met een gedicht, waarop de tekst van Tesselschade
Roemers een duidelijke reactie is.
Gedicht Huygens:
Tesselschades Vraegh nopende de kerck. Myn'
Weder-vraegh.
1
Tkind dat sijn' Moeder kent en is geen zeldsaem dier;
Het mist'er weinighe. Maer 'tkind dat syn Vrouw Moeder
Voll pracht, voll ijdelheid, voll Babijlons gecier,
Voll hoere-pocken kent, en sijn' gesonden Broeder
5
Sijn' Suster onbevleckt van Bastardij betight,
Om dat sij 'tkuysche pad van Waerheid, Wegh en Leven
Naer 'teewigh Wesen gaen, dat 's een ellendigh wight
En medelijdens waerd. Wat naem dan moetmen geven
'Tonnoosel hoere-kind, dat selver schrijft en zeit,
10
En opentlick belijdt, en roemt sich sonder schroomen,
Het heeft drij Vaderen, een' inder Eeuwigheid,
Een' binnen Amsterdam, een' derden binnen Roomen?
uit Constantijn Huygens De gedichten deel 4, 1894,
p.8.
| |
datering 1644/1645
Het gedicht is een reactie op dat van Huygens van december 1644 en
moet kort daarop naar P.C. Hooft gestuurd zijn. (Zie ook gedicht 6).
|
1Ons: t.w. van de dichter en de
toegesprokene; i.t.t. ons (v. 9).
Vader: nl.
God.
wiens...is: bijv. bepaling bij Ons beijder
Vader.
3 Met...giss: overspannen samentrekking
op te doen: niet naer ijders giss [te doen].
Last:
bevel ( viii, 1114).
Zin: wil ( mnw vii, 1139 sv.
sin).
giss: gissing.
4 Haer: nl. de
moederkerk.
daer(...) voor kendt: als zodanig erkent
( vii, 2146 sv. erkennen).
bastaerdt-broeder: broer met
dezelfde vader, maar met een andere moeder, die niet met deze vader gehuwd
is.
5doch: toch.
Gij...een: vgl.
Huygens v. 2b-4a op p. 107.
6Die...hind'ren: zinsvervlechting:
Die object bij sal hind'ren; antecedent van Die:
een(v. 5), t.w. Moeder (v. 5).
7scheldt: scheldt uit voor
( xiv, 379); persoonsvorm bij samengetrokken ond. Gij
(v. 5).
ze: t.w. de Moeder (v. 5).
vuijl: zondig
( xxiii, 1188).
stelt: wijst aan
( xv, 1312).
klaerder: absolute comparatief: wel zuiver
( vii, 3214).
8immers: beslist
( vi, 1460).
bescheijdt: getuigenis
( ii, 1956).
rechte: normale
( xii/3, 487-8).
echte kind'ren: kinderen geboren uit een
huwelijk (de echt) i.t.t. bastaardkinderen (vgl. v. 4).
9Het Vader-noemen: vgl. Huygens
v. 11-12; a) het geven van de vadernaam; sluit aan bij dat uw kindtsheijdt
ons verwijt; b) de genoemde vaders; sluit aan bij Sijn
Tucht-vaêrs(v. 10).
kindtsheijdt: personificatie: a) u als
een kind (van ouders) (vii, 3081); b) u in uw onbezonnenheid
( vii, 3082).
ons: nl. de belijders van het katholieke
geloof.
10Tucht-vaêrs: niet
gelexicaliseerde samenstelling: vaders die de tucht toepassen; (als
samenstelling: gevangenisdirecteuren ( xxv, 2268)).
wicht:
kind ( xxv, 2268).
11Van: over.
Dus:
aldus.
belijdt: imperatief in postpositie: erkent
( ii, 1730).
12d'Opper-Vader: nl.
God.
't: nl. oneerbiedig gedrag tegenover de moeder.
in 't
derde Maeghschap: in de derde generatie; vgl. Exodus 20: 5.
|
|