|
|
|
| | | | | |
23 Die naer mijn luysteren wil, die sal ick eens beloonen (geen
datering)
De vraag van de Minnaar is anoniem. Mogelijk is het eveneens
door Tesselschade Roemers gedicht.
DEN MINNAAR Van Juffr. STEENHUYSEN spreekt:
De alderliefste Maeght, die ick van harten meen
1,
Heeft Oogen van Sapphijr, daer ick om sucht end' ween
2;
De Lippen van Roobijn; van wit Albast de Handt;
De Borst van Marmor en het Hert van Diamandt,
5
Wat wonder ist, ô Min? dat op dit schepsel straf
5
Uw minne schichten, en mijn suchten stuyten af?
6
antwoort Op het Gedicht van den Minnaar van Juffr.
Steenhuysen, door tesselschade.
cupido spreekt:
Die naer mijn luysteren wil, die sal ick eens beloonen
1,
Met levendige waer, en legge goude Kroonen
2,
De schoonheyt en het gelt
Zijn beyd in mijn gewelt
4.
En weetse soo te vijlen
6,
Tot wraack, in liefdes schijn
7.
Dies treckt u hert en zinnen
9,
10
Van die ghy placht te minnen
10,
Een beestiger dan ghy
11,
Ontsteent de herde zy
12.
U sughten is verlooren
13,
15
Want soo u heus gelaet, niet by haer op en doet
15;
Een Diamant ontlaet niet dan in Bocken bloet
16.
| | | | Naar de eerste druk in Verscheyde Nederduytsche
gedichten ii, Amsterdam, L. Spillebout, 1653, p.40-1. ub Leiden
1198 f 10.
| |
Verantwoording
I ‘DE’ (v. 1) is geschreven
De.
II Worp (1918: 94) leest ‘Dus’ (v. 9),
‘sucklen’ (v. 13) en ‘Boecken’ (v. 16).
| |
Notities
II 1/2 keuzemogelijkheid tussen twee
samentrekkingen: a)legge: besteden (viii, 1424 s.v. leggen) als
infinitief en het daarbij behorende dieals meew.voorw.: die sal ick
eens beloonen, Met levendige waer, en (die sal ick eens) legge[n] goude
Kroonen; b)legge: een zeker getal legpenningen (viii, 1381-2
s.v. leg II) als substantief: beloonen, Met levendige waer, en [met een]
legge goude Kroonen. 3 schoonheyt en
gelt: de antithese wordt in v. 2 al aangekondigd met levendige
waeren goude Kroonen. Het is merkwaardig dat de liefdesgod hier niet
alleen macht zegt te hebben over lijfelijke schoonheid, maar ook over geld.
4/5 Ik...vijlen: proteron husteron.
9 hert en zinnen: meerdere duidingen mogelijk:
a) hert als plaats van geestelijke liefde en zinnen als
zintuigen, gericht op het zintuiglijk waarneembare. b) hendiadys:
zinnelijk hart, maw. gericht op de lichamelijke kant van de liefde. Deze
thematiek speelt bij de dichter vaker een rol; vgl. 't Amo mia vita.
11 Een beestiger dan ghy: Iemand die beestachtiger
is dan u; hier beestiger mogelijk in de betekenis van
‘hartstochtelijker’ (naar ii, 1340) en tevens een verwijzing naar
Bocken bloet v. 16. 12 zy: meerdere
duidingen mogelijk: a) de plaats waar de milt zich bevindt; b) een vrouwelijke
persoon aangeduid door het persoonlijk voornaamwoord.
16 In de oude volksgeneeskunde werd aan bokkebloed de
kracht toegeschreven diamant te doen oplossen. Leendertz Jr. (1929: 114)
veronderstelt dat de medeminnaar De Bock heette.
| |
Korte inhoud
Een minnaar beschrijft zijn geliefde
Juffr. Steenhuysen. Zij blijkt te
bestaan uit louter edelstenen.
Cupido adviseert de minnaar geen
pogingen in het werk te stellen een stenen geliefde te beminnen. Zij is niet
tot wederliefde te bewegen.
| | | |
| |
Achtergrond
Een speurtocht naar Juffr. Steenhuysen is onnodig; er is hier
sprake van een literaire figuur. De gedichten moeten worden gelezen als een
parodie op veel petrarkistische liefdespoëzie, waarin de geliefde vrouw
soms ogen van saffier heeft, soms lippen van robijn, enzovoort. Als ze alle
lofwaardige ‘stenen’ eigenschappen tegelijk vertoont, verwordt de
geliefde echter tot een volstrekt ontoegankelijk wezen, op wie de liefde geen
vat kan krijgen.
Ook in het gedicht Hoe Crachtich ick verpyn
(gedicht 2) treedt Cupido op. Zijn rol van liefdesgod speelt hij daar met
succes, omdat hij iemand die de liefde wil uitbannen zover krijgt dat de liefde
vastgehouden wordt. Hier echter raadt Cupido de minnaar aan de geliefde uit
zijn hart te bannen. Dit is een voor Cupido ongewoon advies, echter wel te
verklaren vanuit de parodistische opzet van de twee teksten.
| | |
1meen: bemin
( ix, 380-1).
1Die: wie.
mijn: mij; t.w.
Cupido.
2levendige: levende.
legge goude
Kroonen: aantal gouden muntstukken; legge: een zeker getal penningen
( viii, 1381-2 sv. leg II).
Kroonen: muntstukken.
4gewelt: macht
( iv, 2033).
5Ik vergulde: ik verguld.
7in liefdes schijn.: lees: - in
liefdes schijn -.
8Die...zijn: voor wie ongehoorzaam
zijn; indirect object bij v. 5-7.
9Dies: daarom; lees hierachter een
komma.
u: uw
10minnen: lees hierachter een
punt.
treckt(...) Van: onttrek aan; imperatief.
12zy: nl. plaats waar de milt zich
bevindt.
13verlooren: vergeefs
( xx, 1002).
15soo: indien.
u heus
gelaet: uw hoffelijke houding ( vi, 712-3 en
iv, 1026).
niet...doet: bij haar geen succes heeft
( xi, 441-2).
want...doet: elliptische zin; mogelijk
aanvulling: ...weet dan: Een diamant...
16ontlaet: wordt zacht
( x, 1891).
Bocken bloet: bloed van een geitebok waaraan
wonderdadige krachten werden toegeschreven ( iii, 267-8).
|
|