|
|
|
| |
| |
| | | |

Maria Magdalena. T. Riemenschneider. München,
Bayrisches Nationalmuseum. Uit M. Ingenhoff-Danhäuser, Maria Magdalena
Heilige und Sünderin in der italienischen Renaissance. Tübingen,
1984.
| | | | | |
25 Ontoyt, of toyt ghy u, Maria Magdalene? (geen
datering)
Maria Magdalena is de bijbelse figuur die in de traditie gezien
wordt als dezelfde persoon van wie verteld wordt: ‘En staande achter aan
Zijn voeten, wenende, begon zij Zijn voeten nat te maken met tranen, en zij
droogde ze af met het haar van haar hoofd, en kuste Zijn voeten, en zalfde ze
met zalf’ (Lukas 36: 38).
MARIA MAGDALENA Aan de voeten van Jesus.
Ontoyt, of toyt ghy u. Maria Magdalene?
1
Als gy uw hayr ontvlecht, verwerpt de luyster steenen
2,
Verbreeckt het Perlen-snoer, versmaet het schijnbaer goet
3,
En keurt voor vuyl en vals, al wat dat voordeel doet
4
5
Om deez' uw malsse jeucht het eeuwich te beletten?
5
En op een stronckel steen uw toeverlaet te setten?
6
Godtvruchte Vrouw ghy haeckt vast nae een stalen muyr
7,
Die niet beswijcken kan, door tijt oft droevig uyr;
En van het laegh begint te slaen u krulde rancken
9,
10
Ront om een vaster voet, en wilt den Heylandt dancken
10
Die u heft uyt het slijck. Een innerlijck verstant
11
Verstaet, al spreeckt ghy niet als met het ingewant
12.
Die Paerlen van uw oogen ten toon op root Scharlaecken
13,
Die carmosijne smet der sonden suyver maecken
14;
15
Dies spiegelt u, mijn Ziel. veracht het vals cieraet
15:
Of hecht het aen een zuyl van Hemelrijke raedt
16,
Welck u altijdts in 't oogh sal tot berouw verwecken
17;
Soo kan de ydelheyt u tot vergevingh strecken
18,
Van dat uw oyt behaecht heeft Weerelt, eer of staet
19,
20
Schept moedt, uyt deses schets beduydelijck gelaet
20.
O Sonden wanhoop weerster!
21
Stilswijgends deugden eerster!
22
Stilswijgende verkrijgster!
23
Meer dan bespraeckte swijgster.
25
Ghy toont bewijs, dat Godt belooft der sonden soen
25
Aen yder, die soo doet, maer niet die 't woude doen,
| | | | Naar de eerste druk in Verscheyde Nederduytsche
gedichten, deel 2, Amsterdam 1653, p.237. ubl 1198 f
10.
| |
Verantwoording
De verzen 1-20 zijn in de Verscheyde Nederduytsche
gedichten cursief gedrukt, behalve Maria Magdalene? (v. 1); om het
onderscheid te handhaven is hier Maria Magdalene? gecursiveerd.'t
oogh (v. 17) bevatte een verbindende apostrof: t'oogh.
Oorspronkelijk stond in v. 26 ‘met’ in plaats van
niet, waarschijnlijk een verkeerde lezing van het handschrift. In
overeenstemming met de versie van het gedicht in Klioos Kraam,
Leeuwarden 1656, is deze fout verbeterd.
De tweede hoofdleter in ‘ONtoyt’ is
genormaliseerd.
| |
Notities
Het opschrift komt overeen met de titel van
Giovanni Battista Marino's
madrigalencyclus La Maddalena ai piedi Cristo. Dat
Tesselschade Roemers deze cyclus heeft
gekend, blijkt uit een brief aan
P.C. Hooft en
Heleonora Hellemans, waarin zij enige
woorden uit het elfde madrigaal citeert (Hooft De briefwisseling, brief
669). 1 Ontoyt, of toyt geeft de kern van het
gedicht weer dat is gebaseerd op de tegenstelling tussen de schoonheid van het
wereldse en het hemelse goed. 4/6 De zin bevat een
opmerkelijke lang volgehouden paradox: er is sprake van het afwijzen van een
voordeel; dat voordeel is evenwel weer een beletsel voor het
eeuwich. De volgende paradox wordt dan gevormd door een stronckel
steen die tot toeverlaet dient. 9 u krulde
rancken: deze metafoor voor loshangend haar (vgl. v. 2) duidt op de
pijpekrullen waarmee
Maria Magdalena meestal wordt afgebeeld.
13 Die Paerlen van uw oogen vormen een directe
tegenstelling met het Perlen-snoer(v. 3).
16 Hemelrijke: neologisme, de hemelse rijkdom
suggererend. 19 Weerelt, eer of staet kan
geïnterpreteerd worden als hendiadys, waarbij Weerelt als adjectief
bij eer of staet gezien kan worden.
20 schets: dit kan binnen het kader van het
gedicht geduid worden als de presentatie in woorden van Maria Magdalena; ook is
het mogelijk dat er (daarnaast) verwezen wordt naar een extern object: een
afbeelding van Maria Magdalena. 24 bespraeckte
swijgster: oxymoron; de laatste typering van Maria Magdalena sluit door het
karakter van tegenspraak de reeks weerster, eerster,
verkrijgster zodanig af, dat van een climax kan worden gesproken. Het is
mogelijk dat hier verwezen wordt naar Maria Magdalena, die zwijgend te werk
ging, maar ook kan de zwijgende gestalte op een afbeelding bedoeld zijn,
waarvan de boodschap toch duidelijk is. De vele verwijzingen naar het Oude
en Nieuwe Testament laten het gedicht lezen als een preek waarbij naast
bijbeluitleg ook leefregels worden gegeven.
| |
Korte inhoud
Maria Magdalena ontdoet zich van haar aardse versierselen en zoekt
troost bij Jezus, de Heiland, die haar vanwege haar berouw de zonden vergeeft.
De dichter wekt met de woorden mijn Ziel zichzelf op om op dezelfde
manier te handelen, waarbij de uitbeelding van Maria Magdalena als voorbeeld
dienst kan doen. In de slotregels wordt Maria Magdalena met ontzag toegesproken
als het duidelijke bewijs van Gods vergevingsgezindheid voor wie werkelijk de
ijdelheid achter zich laat.
| | | |
| |
Achtergrond
Voor de figuur van Maria Magdalena heeft de dichter gebruik
gemaakt van een verhaal uit Lukas 7. Dit blijkt mede uit de laatste regels die
parallel lopen met de uitspraak van Jezus tot de vrouw (v. 48): ‘En Hij
zeide tot haar: Uw zonden zijn u vergeven.’
Daarnaast bevatten versregels vaak een impliciete verwijzing naar
een bepaalde bijbelpassage: 2/3 In 1
Timotheüs 2: 9 stelt Paulus: ‘(Ik wil) dat de vrouwen, in een
eerbaar gewaad, met schaamte en matigheid zichzelven versieren, niet in
vlechtingen des haars, of goud, of paarlen, of kostelijke kleding.’
Indien dezelfde volgorde is aangehouden in het gedicht, zou goet hier de
betekenis van ‘kleding’ moeten hebben.
6 Romeinen 9: 33 ‘Ziet, Ik leg in
Sion een steen des aanstoots, en een rots der ergernis; en een iegelijk, die in
Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.’ De stronckel steen
blijkt een aanduiding voor Christus. 7 een
(metalen) muyr wordt o.a. in Jeremia 1: 18 als beeld voor
de profeet zelf gebruikt: ‘Want zie, Ik stel u heden tot een vaste stad,
en tot een ijzeren pilaar, en tot koperen muren tegen het ganse land.’
11 In Psalm 40: 3 wordt uyt het
slijck verbonden met de rotssteen (vgl. v. 6): ‘En Hij heeft mij (...)
uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotsteen
gesteld.’ 11/12 Hier ligt een duidelijke verwijzing
naar Psalm 139: 1-4 ‘Gij doorgrondt en kent mij. (...) Als
er nog geen woord op mijn tong is, zie Heere! Gij weet het alles.’
13/14 ‘al waren uw zonden als scharlaken, zij
zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen
worden als witte wol.’ Jesaja 1: 18.
16 De waarde van het woord raedt wordt duidelijk
door Hebreeën 6: 17-18 ‘Waarin God, willende (...)
bewijzen de onveranderlijkheid van Zijn raad, met een eed daartussen is
gekomen; Opdat wij (...) een sterke vertroosting zouden hebben.’ De
figuur van Maria Magdalena heeft de dichter ook geïnspireerd tot het
volgende gedicht (gedicht 26). Er komen vergelijkbare elementen in voor. Naast
Stilswijgends deugden eerster (v. 22) hier, wordt daar gesproken van
zinne-beeld der deughden (v. 7) en de aanspreking tot zichzelf met
mijn ziel (v. 15) is daar een aanspreking tot iedereen: O sielen!
(v. 22).
| | |
1Ontoyt, of toyt: ont-tooit of
tooit.
2Als gy: samentrekking bij
verwerpt en Verbreeckt, versmaet v. 3 en keurt
v. 4.
3luyster steenen:
sierstenen.
schijnbaer: luisterrijke ( xiv, 623).
4keurt voor: beoordeelt als
( vii, 2659).
Vuyl: slecht ( xxiii, 1203).
al
wat dat: alles wat.
vals: onecht ( xvii, 359
sv.valsch).
5malsse: frisse
( ix, 157).
6 En...setten: antithese met de vraag
in v. 5; lees: En [om] daarentegen...
stronckel steen:
struikelblok ( xvi, 102); metafoor voor Christus.
toeverlaet:
vertrouwen ( xvii, 816).
al...beletten: object bij En
keurt voor vuyl en vals.
7haeckt vast nae: verlangt
standvastig naar ( v, 1547 en xvii, 646-8).
9 van het laegh: van beneden
af.
begint: samentrekking: ghy (v. 7)
begint.
rancken: metafoor voor haarlokken.
10vaster: standvastiger
( svii, 648); absolute comparatief: blijvend
standvastig.
wilt: samentrekking: ghy (v. 7)
wilt.
11innerlijck verstant: metonymia:
invoelende persoon, nl. Christus.
12niet als met het ingewant: dwz.
niet openlijk.
13root Scharlaecken: metafoor: de
wangen van Maria Magdalena.
14Die...maecken: bijv. bijzin bij
Die paerlen van uw oogen (v. 13).
carmosijne: rode.
Die
Paerlen...maecken: object bij Verstaet (v. 12).
15Dies: daarom.
spiegelt
u: imperatief met weggelaten object; vul aan: ‘aan Maria
Magdalena’ of ‘in haar tranen’.
16het: t.w. het vals cieraet
(v. 15).
een zuyl van Hemelrijke raedt:
van-vergelijking
raedt: vgl. Hebreeën 6: 17; zie
Notities.
17Welck: t.w. het (v. 16) en
het vals cieraet (v. 15).
18ydelheyt: pronkzucht
( vi, 1403).
19Van...staet: bijv. bep. bij de
ydelheyt v. 18.
uw: (aan) u.
Weerelt, eer of staet:
ond. bij behaecht heeft.
staet: lees hierachter een
punt.
20deses schets beduydelijck gelaet:
de betekenis van deze schets ( beduydelijck gelaetnaar ii, 1250-2
en iv, 1026).
21Sonden wanhoop weerster: afweerster
van de wanhoop der zonden.
22Stilswijgends deugden eerster: a)
vereerster van deugden die in stilte plaatsvinden; b) stilzwijgende vereerster
van deugden.
23verkrijgster: begunstigde
( xx, 558).
25der sonden soen: de verzoening van
de zonden.
|
|