|
|
|
| | | | | |
26 Als ghy Maria smelt in tranen (geen datering)
De figuur van Maria Magdalena, die de voeten van Jezus met haar
tranen wast en met haar haren droogt, krijgt, evenals in het vorige gedicht,
een zinnebeeldige duiding. Er wordt mogelijk naar een bepaalde afbeelding
verwezen.
Als ghy Maria smelt in tranen,
En wast de voeten, van den Heer:
't En is geen raedtzel: maar een leer:
Die uw, door Godes heil'gen Geest,
5
Is ingestort, die 't al geneest
5,
En stiert, op 's Hemels rechte banen
6.
Ghy zijt een zinne-beeld der deughden,
Dat met een levendigh geschrift
8,
Veel meer als Pen of stale stift
9,
10
Beduyt, liefd'rijke sonden boet
10,
Gesticht, met Jesus heylig bloet
11,
Die bron van heil en 's Hemels vreugden
12.
Den Heilandt Jesus, op sijn voeten
13,
Leest, uyt uw letter traan crijstal
14:
15
De liefd vergeeft de sonden al
15.
Hoe meerder liefd hoe meer gewin;
Vergiffenis zoo groot als min
17;
Zoo kan de Ziel haer sonden boeten.
O Magdalene beeld vol stralen!
20
Van vier en water liefd en boet
20,
Verkrijgster van het hoogste goet.
O Sielen! volgt haer deugd gewis,
Toont liefde, soeckt vergiffenis;
Liefd Jesus ghy sult niet verdwalen
24.
| | | |
25
Het Vuur en Water suiv'ren bei:
Dat 's liefd en rouwigh sond beschrei
26.
Dat liefd was in een trane vloedt,
Dat siert ze met het hoogste goedt
28.
Het vlammigh vuur in liefd' ootmoet
29,
30
Maeckt traene vloed der sonden boet
30.
Dit was in Magdaleen alleen
31:
Och was in ons het oock gemeen!
32
| | | | Naar de eerste druk in Verscheyde Nederduytsche
Gedichten, deel 2, Amsterdam 1653, p.238-9. ub Leiden 1198
f 10.
| |
Verantwoording
In Verscheyde Nederduytsche Gedichten zijn de twee laatste
strofen cursief gedrukt; de versregels 1, 7, 13, 19 en 25 zijn ingesprongen.
Vers 1 begon ‘ALs’.
| |
Notities
De dichttekst toont twee duidelijk onderscheiden strofische
vormen. Dit wordt nog benadrukt door het andere lettertype. Het kan samenhangen
met de gehele opzet van het gedicht. Het woord Zinne-beeldt kan gelezen
worden als ‘emblema’ (Van Koeven 1989: 146). Dit bestond
traditioneel uit een motto, een pictura en een onderschrift (Porteman
1977: 37-8). In veel emblemen zijn pictura en motto als raadsel opgesteld dat
vervolgens in de subscriptio wordt opgelost. De eerste vier strofen zouden dan
als motto en pictura gelezen kunnen worden, de laatste twee als oplossing. Dit
zou de term raedtzel (v. 3) verklaren. Tegelijk neemt de dichter afstand
van deze gang van zaken: er is juist geen sprake van een raedtzel, maar
van een leer (v. 3). Er wordt in dit gedicht geen wijsheid geformuleerd
uit beelden in de omringende werkelijkheid, maar er wordt een geloofswaarheid,
een leer, aanschouwelijk voorgesteld. De beeldspraak berust vooral
op de termen vuur en water, als symbolen voor de liefde en voor het berouw
(vgl. v. 20). Het is mogelijk in v. 27 in plaats van was
‘wast’ te lezen. Dit zou een mooie aansluiting zijn bij wast
in vers 2, waarbij gebruik gemaakt wordt van homonymie. In v. 2 is er sprake van
reinigen, in v. 27 zou wast als ‘toeneemt’ geduid moeten
worden, wat de combinatie met vloedt versterkt (Van Koeven 1989a: 150).
De annominatio Magdaleen alleen (v. 31) in de voorlaatste versregel
fungeert als climax.
| |
Korte inhoud
De voetwassing van
Jezus door
Maria Magdalena werd haar ingegeven door
liefde en berouw. De symbolen daarvoor zijn vuur en water. Maria Magdalena, tot
wie de dichter zich in eerste instantie richt, is tot zinnebeeld geworden voor
alle zielen die verlost willen worden van zonden.
| |
Achtergrond
Dit gedicht berust op kernpunten uit het verhaal in het evangelie
naar Lukas (7: 36-50), waarin een ‘zondares’ de
voeten van Jezus zalft, nadat ze die met haar tranen nat gemaakt en met haar
haren afgedroogd had. Deze vrouw is in de christelijke traditie vanaf
Augustinus vereenzelvigd met de elders
in Lukas genoemde Maria Magdalena. Volgens de Legenda
Aurea leidde zij een losbandig leven voordat zij zich bekeerde en
volgelinge van Jezus werd (Bentz 1969). Zij heeft dan ook als enige heilige het
epitheton ‘boetelinge’ gekregen. Een heilige met zo'n verleden
sprak tot de verbeelding; zij genoot een grote populariteit aan het einde van
de middeleeuwen.
Het zal wel niet toevallig zijn dat de beschrijving van de
uitbeelding van ‘boete’ in deIconologia van Ripa (1644) aan
Maria Magdalena doet denken: een vrouw die tranen stort op de steen waarop zij
zit, en die steen ‘is anders niet als Christus onse Saligmaecker.’
Alszinne-beeld der deughden (v. 7), deugden eerster in gedicht 25
(v. 22) kan de Maria Magdalena van deze gedichten eveneens vergeleken worden met
de afbeelding van de ‘liefde’ in Ripa. Vrouwe Liefde heeft
| | | |

Uit C. Ripa, Iconologia, 1644.
| | | | vlammen van vuur (vlammigh vuur v. 29)
op haar hoofd, zodat de stralen opstijgen, en bij Vrouwe Boete stroomt het
tranenwater uit haar ogen omlaag. Liefde en boete maken Maria Magdalena tot een
beeld vol stralen (v. 19-20). Vrouwe Liefde heeft bij Ripa drie kinderen,
omdat geloof, hoop en liefde samen deze deugd uitmaken (Werner 1977).
11/12 Gesticht...vreugden: ten tijde van de
voetwassing door de ‘zondares’ had Jezus uiteraard zijn bloed nog
niet geofferd. Het lijkt alsof de aanspraak tot Maria even onderbroken wordt
voor een terzijde, om het bekende onontbeerlijke geloofskader te formuleren.
15/17 De liefd...min: deze regels sluiten aan bij
wat in Lukas staat, dat liefde tot vergeving leidt en vergeving weer tot
liefde: ‘Haar zonden zijn haar vergeven, die vele waren; want zij heeft
veel liefgehad; maar dien weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief.’
(7: 47). 22 O sielen!: de aanspreking van de lezers
spiegelt het vorige gedicht, waar de dichter de aansporing tot zichzelf richt
(gedicht 25, v. 15).
| |
datering onbekend.

'En staande achter aan zyne voeten, weenende, begon
zy zyne voeten nat te maaken met traanen, en zy droogde ze af met het hair van
haar hoofd (...)'
. Uit: J. Luiken, De schriftuurlijke geschiedenissen en
gelijkenissen, van het Nieuwe Verbond. Amsterdam, 1712, p.
441.
|
opschriftZinne-beeldt op Maria
Magdalena: zinnebeeldige weergave van Maria Magdalena.
5uw(...) Is ingestort: in u is
gestort.
die: verwijst naar Godes Heil'gen Geest
(v. 4).
6stiert: stuurt.
banen:
wegen; figuurlijk ( ii, 811).
8Dat: verwijst naar een
zinne-beeld (v. 7).
levendigh geschrift: metonymia en metafoor:
persoon als levende tekst.
9stale stift: graveerpen
( xv, 1595).
10Beduyt: lees hierachter geen
komma.
liefd'rijke sonden boet: predicatief attribuut bij
(b)eduyt.
sonden boet: boetedoening voor zonden.
11gesticht, met: teweeggebracht door
( xv, 1574); part.constructie als bijv. bepaling bij sonden boet
(v. 10).
12Die bron...vreugden: bijstelling bij
Jesus heylig bloet (v. 11).
13Den Heilandt Jesus: ond. bij
persoonsvorm Leest (v. 14).
14Leest...crijstal: leest uw kristallen
tranen als letters; de duiding is hier onzeker; het beeld van het levendigh
geschrift (v. 8) wordt verder uitgewerkt.
15de sonden al: alle
zonden.
20vier: vuur.
vier en water:
lees hierachter een komma.
boet: boetedoening.
24Liefd: bemint;
imperatief.
26rouwigh sond beschrei: berouwvol
beschreien van de zonden.
28Dat: t.w. Dat liefd(e) was in een
trane vloedt (v. 27).
ze: haar; verwijzing a) naar liefd
(v. 27); b) naar Maria Magdalena.
29liefd' ootmoet: a) liefdevolle
ootmoed; b) ootmoedige liefde.
30traene vloed der sonden boet:
tranenvloed vanwege de boetedoening voor de zonden.
31Dit: verwijst zowel naar het
vuur (v. 29) als de traene vloed (v. 30).
alleen: uniek
( ii, 150).
32was(...) gemeen: kwam
veelvuldig voor.
|
|