Achtergrond
De brief van Tesselschade Roemers is gedateerd 22 november 1632.
Zij reageert op een brief van P.C. Hooft van 2 november. Het gedicht daarin was
voor Tesselschade Roemers aanleiding een strofe in dezelfde trant te
schrijven.
'K weet van dichten, nocht van deunen.
Niet dan ketelachtigh dreunen,
Is het, dat mijn' snaeren
Was de keel ojt glad en hel,
Z'is nu bijster van haer stel;
Slaet niet, dan een schor
'T hart, al heeft het Phoebus tegen,
Wil, tot uw verzoek geneghen,
Uit P.C. Hooft De briefwisseling ii. Ed. H.W.
van Tricht, Culemborg 1977. Brief 555.
In de brief van 2 november 1632 vraagt Hooft of Tesselschade hem
enkele roemers wil zenden. Kennelijk had zij hem verzocht haar een gedicht te
sturen. Hij schrijft: ‘...mijn geest is zoo verzoopen en verzonken in 't
rijmeloos schrijven mijner Historien dat hem de wieken te nat zijn, en in te
diep een' kujl steeken, om vlucht oft vejrt nae de pöeetsche lucht te
maeken. UE verght het hem nochtans.’ (Brief 555).