Achtergrond
Het bezoek van
Maria de Medicis aan
Amsterdam in 1638 dat door de dichter bezongen was in een
Italiaans gedicht (gedicht 34) had de Medicea hospes van
Caspar Barlaeus opgeleverd, dat een jaar
later verscheen. Waarschijnlijk heeft Barlaeus dit werk aan Tesselschade
Roemers gezonden. Klaarblijkelijk heeft ze niet direct voor het geschenk
bedankt. In hetzelfde jaar verscheen er een vertaling onder de titel Blijde
inkomst der allerdoorluchtighste Koninginne, Maria de Medicis, t' Amsterdam.
Vertaelt uit het Latijn des hooghgeleerden heeren Kasper van Baerle etc.
(1639). Dit werk moet Roemers inmiddels gekend hebben, als zij Barlaeus een
bedankbrief voor de Latijnse uitgave schrijft.
Bij een eerdere zending van een Latijns werk van Caspar Barlaeus
vraagt Tesselschade Roemers in een gedicht om een vertaling (zie gedicht 12).
Later doet ze dat nog een keer (gedicht 15).