Onder de ghebreken der Redelijcke Schepselen en bevind ick ter Werrelt geen onmenschelijcker, dan de Ondanckbaerheyt. Want dese Beestighe onbekentenisse2) vertoorent menichmael God en de goede Persoonen, waar op de Wijsheyt der vorigher Eeuwen de sulcke wel ten rechte straft en doemt met dit Rijmpje:
Nu dan, waarde Joffrouw, om u de gedachtenisse der bewesene goeddaadicheden te toonen, mitzgaders, om my van dese Vloeck en Laster te ontledighen en te vrijen, heb ick langhen tijdt gelegentheyt gesocht, dan doch mijn nydige Fortuyn is soo kaarigh geweest, in my te begiftigen met middelen om u te vergelden de beleefde Jonsten, kunstighe handt-reyckeningen en behulpsaamheyden, datse my niet anders heeft ghelaaten, als dit Bly- en Truer-Spelletje, het welcke by my nuwelinx3) uyt de Fransche Prose in Neder-duytschen Rymeghe-
stelt, en by de Oudste Kamer van mijn Vaderlijcke Stadt Amstelredam1) gespeelt is. Hoe wel of qualijck dat dit gevoecht en ghevolcht is, laat ick spreken der ghener, wiens Harsenen gesuyvert en rijck van oordeel zijn, en dien, diens harten minst met verwaantheyt en neuswijsheyt zijn beseten. Voor my sal 't loons genoech zijn, so ick maar weynige, en de Verstandige mach behagen, en dat ick soo gheluckich mach werden, dat ghy dese mijne vriendelijcke (maar doch geringe) Vereeringe int goede an-nemen, ende des Gevers vrymoedicheyt ten besten duyden wilt. U selven vry versekert, dat de Grootheyt van mijn Gunst, gheen goede wille om u meerder dienst te doen en mangelt, maar dattet my alleenlijck schort aan vermoghen van bequaamicheyden daar toe noodich.
Wilt dan, Minnelijcke Maacht, dit lieve Minne-Spel overstraalen met die blinckende Starren, die inden Hemel van u Voor-hooft staan en tintellen. En gebiedt de Luyt-slager2) van u lieffelijcke mont, mijn harde woorden wat te maatighen en versachten, soo sal ick u mijn leven lang danck weten. Gelijck ick van harten doe, overmits het u belieft heeft dit selvige Spel met u waardicheydt te vercieren, en de sit-stede met V.E. tegenwoordicheyt te ver-eerlijcken3), ons verleenende een soo aandachtige en nechtigen4) gehoor, dat de beroerelijcke redenen, door yemant beweeglijck uytgesproken, ter nyverer siele inne braken, sulcx dat de weerslach vande wint der droever woorden ten blyen oogen met sulvere Parlen uytborsten. O goedicheyt des Geestes! O krachtich na-bedencken der menschelijcker quellinghen! het medelijen van u Even-naasten trock oogenschynnelijck door Zinnen en Zenen. Wederom by wylen mengde de grillicheyt der boerterijen, dat kostelycke en Koninglijcke Purper, onder 't Leliwitte vel van u Maachdelijcke wanghen. Kort om, het hoogh-draghende ghelaat5) uws volmaakten Aanschijns verwisselde sich na de verscheydenheden der dinghen. O waardige opmerckentheyt! waarlijck ick sie, so lief, daar thien die u ghelijcken, als al de malle pracht der overdwaalsche6) Rijcken. Ick ben vyandt van die onbevoelijcke7) steene Menschen, en van dat houte-volck, die de
uytnementheden der Schryveren niet en verstaan, en 't uytbeelden der frayicheden dickwils lasteren, om dattet juyst met haar murruwe en misselijcke sinlijckheyt1) niet over een en stemt. Maar ghy, ô Eere van onse Stadt! Ghy roem van onse tijdt! sijt van een eerwaardiger Geslacht, en zijt oock met ander voetsel opghequeeckt, niet met Melck noch met Wijn, maar met het schrandere Merrech van u gheestige Vaders Breyn; dies draacht de Somer van u Jeuchdige Jaren nu de waardige vruchten van alle Eerlijcke en prijsselijcke wetenschappen.
O vriendinne van Boecken en van goede Letteren, of hier eenige misslagen (door snelheyt of door onvoorsichtigheyt) waren ingheslopen, wilt die met u bescheydenheidt2) verschoonen, wetende dat ick het ghemeene volck ten gevalle, in de houwbollicheyden3), te met eenighe straat-sproockjes4) en woorden heb moeten ghebruycken, want die Lieden meer met de slordichste als met de beste zijn vermaackt. Is hier voor de sindelijcke5) of scharpe berispers niet ghenoegelijx in, 't is my ten minste leet. Ick heb mijn best gedaan, en 't geleyde pat meest nagetreden, doch somtijts uyt vryposticheyt een sprong uyt des Frans-mans wech ghesprongen6), waar aan (dat ick hoop) dat de Nakijckers, Lesers en Hoorders geen mis-noegen hebben sullen. Voorts, waardige Dochter, op het vertrouwen van u Deuchdelijcke goedheyt, heb ick dit mijn Boexsken in uwe gheleyde laten uytgaen, Verhopende dat uwe Naam my een Scherm en Schilt sal verstrecken, om te keeren al de Pylen der bitterder Achterklappers, en dat het selve Spelletje te meer by vrome Vryers en Vrysters sal ghewilt worden. Endeling7), ontfangt dan de slechte Eerstelingen van mijn ongeleerde Rijmerijen met sulcken gunstighen Hart, als sy u uyt grondelijcke Gemoeden werden geoffert van uwen hartswilligen
en gheheelen
G.A. Bredero.
Stemmen: Belle qui m'ave blesse d'un traict, Ce doux etc.1
't Kan verkeeren.
Stemme: Ick kan nu niet bedwinghen mijn uytgelaten vreught, enz.1
't Kan verkeeren.
Stem: Van d'Engelsche Fortuyn1
't Kan verkeeren.
Stem: Als ick uyt wandelen gae, etc.
't Kan verkeeren.
170 Kal. Ian. 16201).
Constanter.
Jan. 1621.
Omnibus Idem1).
P.C. Hooft.
Me Joffren2).
Verschiet3) niet. Hier komt de geest vande verdroncken Majeboom aen. Maer die soo lang in den Hel verkeert heeft, onder de geesten van Lucianus4), wordt van geen schimmenstem vervaert gemaekt. Indien hij niet klaer genoeg spreeckt, jck bid 'er voor,
dat hij de Paley1) ontgaen moghe, ten aensien dat der geesten gewoonte is binnens monds te spreecken. En 't gedenckt mij der geweeten2) te hebben, die de duisterheidt van de Duitsheid3) voor wtspraeck verkooren om te beeter geesten te schijnen. Maer vraeght U.E. hoe ick dus bekent met de geesten koom, dat ick haar praetjens weet nae te vertellen. 'T is dat ick dat geselschap ten naesten bij onder de ooghen gesien heb, door 't gevaer van mijn vrouw4) die nu beter is, God heb lof en U.E.E
Me Joffren
in sijn heilighe hoede, nevens welcke wensch ende eerbiedighe groetenis jck t'haerwaerts bevele
U.E.E. Gans verbonden P.C. Hooft.
Van den Huyse te Muyden. XX Junij 1621.
Amsterd. Augto. 1621.
Constanter.
Me Joffrouw,
U E. suster heeft mij eenighe vaerssen gesonden om te beteren. Jck sendse wat ergher weder over danse gecomen waeren. Wat kond jck anders als de toortsen in den oven leggen5), gebeden werdende vande geene die gebieden magh, ende dat wt driederleij naem, als Tesselschae, als Roemers dochter, ende als U E. suster? Een kabel van sulcke drie strengen bindt te vast om sich t'soeck te maecken, al waer'er oock vercleening te haelen met gehoorsaemheidt. Maer een krancke gehoorsaemheidt ist, als zij gebiedt te beteren, en jck verslim. Nochtans salse ergens toe goedt zijn, hoop jck; ten minsten om haer echter6) de moejte te doen spaeren van mij te verghen dat boven mij is. Maer immers hoop jck, dat dese mijne brabbelingen7) geenen dagh sullen sien, ende dat haer wanschaepenheit sal gesmoort worden voor haer doopsel. Want al droegen se eenigh swijmsel8) van mij, mij water leedt dats'er den naem afdroeghen. Die wijsheidt beveel jck U E., ende nevens wensching alles
goeds van Gode, mitsgaeders groete ende hartlijcke gebiedenis, in haer jonste
U E. verplichten dienstw,en P.C. Hooft.
Van den Hujse te Mujden, den 27en April 1622.
Adres: als boven.