terug  begin  verderprepost
[p. 1]

I. O Parl en Puyck der Vrouwen!
En bloem van onse tijd.
Bredero.

[p. 3]

Opdracht van Bredero's Lucelle.

Toe-eygeningh aen de Eerbaare, Kunst-Rijcke Tessel-Scha Roemers Dter1)

Onder de ghebreken der Redelijcke Schepselen en bevind ick ter Werrelt geen onmenschelijcker, dan de Ondanckbaerheyt. Want dese Beestighe onbekentenisse2) vertoorent menichmael God en de goede Persoonen, waar op de Wijsheyt der vorigher Eeuwen de sulcke wel ten rechte straft en doemt met dit Rijmpje:

 
Hij is niet waardt dat hy Broot eet,
 
Die Oude Deuchden licht vergeet.

Nu dan, waarde Joffrouw, om u de gedachtenisse der bewesene goeddaadicheden te toonen, mitzgaders, om my van dese Vloeck en Laster te ontledighen en te vrijen, heb ick langhen tijdt gelegentheyt gesocht, dan doch mijn nydige Fortuyn is soo kaarigh geweest, in my te begiftigen met middelen om u te vergelden de beleefde Jonsten, kunstighe handt-reyckeningen en behulpsaamheyden, datse my niet anders heeft ghelaaten, als dit Bly- en Truer-Spelletje, het welcke by my nuwelinx3) uyt de Fransche Prose in Neder-duytschen Rymeghe-

[p. 4]

stelt, en by de Oudste Kamer van mijn Vaderlijcke Stadt Amstelredam1) gespeelt is. Hoe wel of qualijck dat dit gevoecht en ghevolcht is, laat ick spreken der ghener, wiens Harsenen gesuyvert en rijck van oordeel zijn, en dien, diens harten minst met verwaantheyt en neuswijsheyt zijn beseten. Voor my sal 't loons genoech zijn, so ick maar weynige, en de Verstandige mach behagen, en dat ick soo gheluckich mach werden, dat ghy dese mijne vriendelijcke (maar doch geringe) Vereeringe int goede an-nemen, ende des Gevers vrymoedicheyt ten besten duyden wilt. U selven vry versekert, dat de Grootheyt van mijn Gunst, gheen goede wille om u meerder dienst te doen en mangelt, maar dattet my alleenlijck schort aan vermoghen van bequaamicheyden daar toe noodich.

Wilt dan, Minnelijcke Maacht, dit lieve Minne-Spel overstraalen met die blinckende Starren, die inden Hemel van u Voor-hooft staan en tintellen. En gebiedt de Luyt-slager2) van u lieffelijcke mont, mijn harde woorden wat te maatighen en versachten, soo sal ick u mijn leven lang danck weten. Gelijck ick van harten doe, overmits het u belieft heeft dit selvige Spel met u waardicheydt te vercieren, en de sit-stede met V.E. tegenwoordicheyt te ver-eerlijcken3), ons verleenende een soo aandachtige en nechtigen4) gehoor, dat de beroerelijcke redenen, door yemant beweeglijck uytgesproken, ter nyverer siele inne braken, sulcx dat de weerslach vande wint der droever woorden ten blyen oogen met sulvere Parlen uytborsten. O goedicheyt des Geestes! O krachtich na-bedencken der menschelijcker quellinghen! het medelijen van u Even-naasten trock oogenschynnelijck door Zinnen en Zenen. Wederom by wylen mengde de grillicheyt der boerterijen, dat kostelycke en Koninglijcke Purper, onder 't Leliwitte vel van u Maachdelijcke wanghen. Kort om, het hoogh-draghende ghelaat5) uws volmaakten Aanschijns verwisselde sich na de verscheydenheden der dinghen. O waardige opmerckentheyt! waarlijck ick sie, so lief, daar thien die u ghelijcken, als al de malle pracht der overdwaalsche6) Rijcken. Ick ben vyandt van die onbevoelijcke7) steene Menschen, en van dat houte-volck, die de

[p. 5]

uytnementheden der Schryveren niet en verstaan, en 't uytbeelden der frayicheden dickwils lasteren, om dattet juyst met haar murruwe en misselijcke sinlijckheyt1) niet over een en stemt. Maar ghy, ô Eere van onse Stadt! Ghy roem van onse tijdt! sijt van een eerwaardiger Geslacht, en zijt oock met ander voetsel opghequeeckt, niet met Melck noch met Wijn, maar met het schrandere Merrech van u gheestige Vaders Breyn; dies draacht de Somer van u Jeuchdige Jaren nu de waardige vruchten van alle Eerlijcke en prijsselijcke wetenschappen.

O vriendinne van Boecken en van goede Letteren, of hier eenige misslagen (door snelheyt of door onvoorsichtigheyt) waren ingheslopen, wilt die met u bescheydenheidt2) verschoonen, wetende dat ick het ghemeene volck ten gevalle, in de houwbollicheyden3), te met eenighe straat-sproockjes4) en woorden heb moeten ghebruycken, want die Lieden meer met de slordichste als met de beste zijn vermaackt. Is hier voor de sindelijcke5) of scharpe berispers niet ghenoegelijx in, 't is my ten minste leet. Ick heb mijn best gedaan, en 't geleyde pat meest nagetreden, doch somtijts uyt vryposticheyt een sprong uyt des Frans-mans wech ghesprongen6), waar aan (dat ick hoop) dat de Nakijckers, Lesers en Hoorders geen mis-noegen hebben sullen. Voorts, waardige Dochter, op het vertrouwen van u Deuchdelijcke goedheyt, heb ick dit mijn Boexsken in uwe gheleyde laten uytgaen, Verhopende dat uwe Naam my een Scherm en Schilt sal verstrecken, om te keeren al de Pylen der bitterder Achterklappers, en dat het selve Spelletje te meer by vrome Vryers en Vrysters sal ghewilt worden. Endeling7), ontfangt dan de slechte Eerstelingen van mijn ongeleerde Rijmerijen met sulcken gunstighen Hart, als sy u uyt grondelijcke Gemoeden werden geoffert van uwen hartswilligen

en gheheelen

G.A. Bredero.

[p. 6]

Liedjes van Bredero.

Liedt.

Stemmen: Belle qui m'ave blesse d'un traict, Ce doux etc.1

 
O Parl! en puyck der vrouwen!
 
En bloem van onse tijd!
 
Twee steden sijn om u in strijd,
 
Elck wil hier houwen
5
Den lof van uwe deucht,
 
Van u vermaertheyt, en u jeught.
2.
 
Drie en vier Griecksche steden
 
Die streden oock aldus
 
Om de eere van Homerus,
10
Yder had syn reden
 
Dat hij wiert, bleef en quam.
 
Soo Hoorn heeft en Amsterdam.12
3.
 
Ghij Hoorn meught wel noemen
 
Als dat ghy hebt gheteeld
15
Een wel besneden suyver beeld;
 
Wy sullen hier roemen,
 
Door 't heele Amstellandt,
 
Van haer vermaert, verlicht verstandt.
4.
 
Sappho door u ghedichten,19
20
En vorsen, vol vernuft
 
Sijn veel verwondert, en versuft.
 
En door u ghesichte
 
Ghy blixemt ende gheeft
 
Het vier daer in mijn ziele leeft.
5.
25
Wat soete sachte vlammen?
 
Wat walen van ghemoet?26
 
Wat schielijck wandelen van bloet?27
[p. 7]
 
Wat lieffelijck vergrammen
 
Ontsetten myn ghedaent,
30
Als ghy my moeten onbewaent?30
6.
 
Te swack soo sijn myn sinnen,
 
Of heb ick te veel stof
 
Om van u deughd, om van u lof,
 
En oock om myn minnen
35
Te uyten met bescheyt,
 
Soo schort mijn, laes, welsprekentheyt.
7.
 
Natuur heeft u ghegheven
 
Het beste dat ick weet;
 
Wilt ghy niet sijn vernaamd voor wreet?39
40
Soo neemt, o mijn leven!
 
Al mijn bittere smert
 
Uyt mijn verteerd verliefde hart.

't Kan verkeeren.

Liedt.

Stemme: Ick kan nu niet bedwinghen mijn uytgelaten vreught, enz.1

 
Hoe lustigh is 't te spreken
 
Met verstandighe Lie'n!
 
Die geen ooghen gebreken,3
 
Noch kennis om te sien
5
Op yder dingh soo sonderling
 
Als 't mooghlijck kan geschie'n.
2.
 
Want die gemeene wetten
 
Van een scherp-sinnigh hooft,
 
Is, met op merck te letten9
10
Eer 't toe-stempt, of gelooft
 
Der boosen vond of loosen mond,
 
Die 't sot hart licht gelooft.
[p. 8]
3.
 
De kloeckaarts onderscheyden13
 
Het wesen vande schyn;
15
Geen schaduw kan haar leyden
 
Van het waarachtigh zyn,
 
Haar oordeel sift het schilt, het schift,
 
En schuymtet grof van 't fyn.
4.
 
Naar een beslepen schrand 're19
20
Heb ick alt'sins bespeurt,20
 
En, onberoemt, uyt and 're
 
Een sulcken een gekeurt,
 
Die mijn gemoed so heel voldoet
 
Als 't nau van duysent beurt.
5.
25
Myn Sappho kan stracx mercken
 
De grontvest, en het wit
 
Van alle ed'le wercken,
 
De zenuwen, en 't pit,
 
En waar de kracht van het gedacht
30
In rauwe bolster sit.
6.
 
Haar snelle geest kan dringen
 
Tot in het ingewant
 
Van d' alderfynste dingen
 
Die men op aarden vant,
35
Of vinden sal 't Sy van wat stal,
 
Sy kleynstet door 't verstant.36
7.
 
O spits-zinnige zinnen!
 
Geleerd, en op-gevoed
 
Om zielen t'overwinnen
40
Van 't alder-klaarste bloed.
 
Hoe haast naamdy u heerschappy
 
Over mijn swack gemoed?
8.
 
U gesicht doet beswymen,
 
Men sach 't aan mijn geschie'n;
[p. 9]
45
Ghy toovert met u rymen
 
De voor-barighste lie'n,46
 
Die ghy versuft als zy 't vernuft
 
Van u besinningh zien.
9.
 
Ghy puft de school-geleertheyd49
50
Met u vloeyend gedicht,
 
Want 't is niet dan verkeertheyd
 
Dat dwinght, en niet en sticht,
 
U Poësy of rymery
 
Is innerlijck verlicht.
10.
55
Ons vriend'lijck redeneren,
 
Vol heusheyd, sonder maat,
 
Dat sal, noch Kan ver keeren,
 
Het gaat hoe dattet gaat.
 
Maar siet, dat ghy o Sappho! my
60
U Phaon niet verlaat.60

't Kan verkeeren.

Klaegh-liedt.

Stem: Van d'Engelsche Fortuyn1

 
Edele siel verheven, groots en schoon,
 
Die u cieraet en huysingh stelt te toon,
 
Voor 't brave volc van ongemeen verstant,
 
Dat u aenbidt, als Goddin van ons Lant.
2.
5
Gheluckich, ach! gheluckich zijn de lien,
 
Die u schoon heyt gestadich moghen sien;
 
Niet salich slecht, maer heylich was de dach,
 
Doen ick u geest eerst door syn vensters sach.8
[p. 10]
3.
 
Diens Godlijckheyt heeft my terstond ontroert
10
En uyt zyn troon myn ziel tot slaaf vervoert,
 
Ja gansch berooft, daer en bleef niets in mijn
 
Als d'yle romp of d'uyterlijcken schijn.
4.
 
Mijn siel-loos lijf dat eerst te voorschijn quam,
 
In 't Graefrijck groot vermaerde Amsterdam,
15
Leyt nu gescheept recht voor de schans, en beeft,
 
Vermits mijn siel so arm in 't Tessel leeft.
5.
 
Wat ist of elck het schip-rijck Eylandt prijst,
 
Myn arme sielen wert daer met gespijst
 
Als slechts met sien; oft nauwelijcx ter noot
20
Met water brack, en sober daeglijcx broot.
6.
 
De Vader grijs, den grooten Oceaen,
 
Komt ongevraecht myn schip aen stucken slaen;
 
Daer is geen hoop; ick wend' 't wel vande wal,
 
Maer ick ben, laes! aldaer ick sterven sal.
7.
25
Een ander lijt schip-breuck van gelt en goet,
 
Dan ick laet meer, ick laet haer myn gemoedt;
 
Tijd'lijcke schat daer geef ick weynich nae,
 
Want siel verlies is wel de grootste scha.
8.
 
Daer sinck ick del, gebooren is myn tijdt,29
30
Ick raack mijn siel, mijn lijf, mijn leven quijt,
 
Helaes! ick smoor, mijn adem gaet so flauw,
 
Van anxst en sorgh syn nu mijn hayren grauw.
9.
 
Ghy Visschers, die de dooden pluyst op 't strant,33
 
Vindt ghy mijn lijf geworpen op het landt,
35
Wascht my van 't sant, en graeft my inden schoot,
 
In 't Tessel self, de oorsaeck van mijn doot.
10.
 
Vint ghy mijn rif, of d'uytgebrande asch,
 
Soo 't yet ghelijckt van dat ick voormaels was,
 
En brenghdy 't voor niet datelijck by heur,
40
Soo sal mijn geest staech waaren voor u deur.
[p. 11]
11.
 
Goddinnen rijck van 't schreyer hoec en Ty,41
 
Verhaelt myn doot aen al de werelt vry,
 
't Sy waer ghy treckt, het sy met schip of vloot,
 
Vereert myn lijck ten minsten met een schoot.
12.
45
Velt-Nymphjens die ten Burrich op de plaets45
 
Te samen singht u deuntjens met de Maets,
 
Ghedenckt myn doot, gedenckt myn groote pijn,
 
En hoe dat ick verscheyden doch moet syn.

't Kan verkeeren.

Liedeken1

Stem: Als ick uyt wandelen gae, etc.

 
Goddinne die de naam van 't schip-rijck Eylant voert,1
 
Die met geen Tooverkracht Hemel en aart beroert,
 
Maar die met u ghesicht en Goddelijcke kunst
 
De grootste man beweegt doet snacken naar u gunst.
2.
5
De grootheyt van u macht ick noyt soo hooch en hiel,
 
Als ick de hoocheyt doe van u verheven ziel,
 
Die op den top des Lofs ten pronck des werelts staat,
 
Sulcx dat de Zon beschaamt syn ooghen neder slaat.
3.
 
Als hy eerbiedich u eerwaerdicheyt aenschout,
10
Hy schimmert en hy staart, en 't ciert syn hooft met gout10
 
En bromt soo voor u deur, daer hy een lonckje pracht,11
 
Waar met dat hy volnoecht voldoet syn groote jacht.12
4.
 
Smorgens voor dauw, voor dach, en in den dagheraat,
 
Wanneer hy opghetoyt uyt syn slaepkamer gaet,
[p. 12]
15
Als ghy noch legt en slaapt met al u Huysghesin,
 
Dan komt den brallert aan door glazen vensters in.16
5.
 
Hy kyckt, hy wederkyckt en siet u schoonheyt door,
 
U silverblancke vel vergult hy met syn gloor;
 
Ghy voelt de luwte van syn straalen soet en sacht,
20
En toont hem al het t' gunt hy meest op Aarden acht.
6.
 
Hij doet al wat hy wil en wat hem best behaaght;
 
Dan gaat den snoepert deur; hy schent soo menich Maagt,
 
Maer dat die Vrouwe Man maer steelwys eens insluypt,
 
Hy vindt gheen Vrouwtje, die hy niet in slaap bekruypt.
7.
25
De leste reys, Goddin, als hy u wel besach,
 
Doen ghy in diepe rust en onbekommert lach,
 
Doen stal hy uyt u Hooft, op 't aardichst dat hy kon,
 
U ooghen en hy liet voor elcken Ooch een Son.
8.
 
Soo komet by, Goddin, dat ick en alle lien,29
30
Die dese Majesteyt vol Heerlijckheden sien,30
 
Door 't blincken van u snel en weesselijck ghesicht,31
 
Waar met dat ghy myn siel inwendich noch verlicht.
9.
 
Dit is myn hooghste vreucht, daer ick my in verbly,
 
Dat ghy u ooghjens slaet uyt goetheyt eens op my;
 
Als u ghenade my eens vriendelijck aensiet,
 
Ick ruylden dat gheluck om al de Werelt niet.

't Kan verkeeren.

[p. 13]

Uit B. Gerbier's Eer ende claght-dicht.

Ter eeren van.. Henricus Goltius1).

 
't Welck my de streeck mijns vaert doet wenden na de+ Cust,
 
Waer menigh Lootsman cloeck soeckt synen heyl en rust,
 
Doet sijn vierigh ghebet, doch schouwt het landt te naecken,
 
Om in gheen schip-breucks last op 'therde sant te raecken.
 
't En is gheen schippers cost, maer wel een visschers vreught,
 
Der Godtheyts schepsel reyn, en spieghel van de Deught,
 
Waer voor dat Circe2) swijght; had'ick Orpheus snaren,
 
Soo moght ick haren Naem, en loff alhier verclaren;
 
Den wil eensdeels voldoet, soo mijn Lier niet en stuyt,
 
Dees' mijn yv'righe Pen sal zijn Vterpes'3) fluyt.
 
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
 
O Nimph der teecken Const, dees' dien ick oversloegh
 
Van haer Crib' af denck ick u soete veeren droegh
 
Vol Eele wetenschap die de Deught haer doet leeren
 
Sal sij dijn staet, haer Naem. en haer gheslacht, vereeren.
 
Sy mint en viert u hooch; ghy haeckt dat ick haer noem,
 
En denckt, hoe can een Cust uytsetten mijnen Roem.
 
De naem van eender Ree en Custe met behaghen
[p. 14]
 
Mach een goede Mannin als een Emblema draghen,
 
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
 
Hier vindt ghy Const-Goddin, hoe Tessel u can minnen,
 
En hoe den Naem haer post; ghy sult oock claer'lijck vinnen,
 
Dat Anna Tessels t'saem twee Nymphen sijn in 't cort,
 
In wien den Hemel heeft de Gratien al ghestort.
 
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Gedicht van Huygens.

Aan den Heere Drossart Hooft, ende de Ioff.wen Anna ende Tesselschade Visscher, op 't overlijden van haer' vader1).

 
De Visscher diemen roemt dat nemmer niet en miste,
 
Die uyt den Poppen-sinn de Sinne-poppen viste,2
 
De Roemer daer Natuer haer schatten jn verschonck,
 
Daer all dat mondigh was siel-wateren uyt dronck,
5
Was eindelijck gevoelt, en die Oraclen sweghen,5
 
Met als den Tempel bouw ter aerden was gelegen;6
 
Wijse Anna sagh bedroeft, schoon' Tessel stond verbaest;
 
Ach! seyde d'een, dus vroegh! en d'ander, ach! dus haest!8
 
Dus jong en Vaderloos! O myn' bestorven dichten,9
10
Waer js de Sonne nu die u behoort te lichten?
 
Waer js 'tbegeerigh oogh dat uwer voeten pass
 
En altydt vierich volchde, en altydt gierich las?12
 
En ghy gepresen Stift, en ghy vernaemde Naelden,13
 
En ghy beroemde Pen die myn' gedachten maelden
15
By tyden op den Doeck, by buyen op 'tgelas,
 
By beurten op 'tpapier als 't ernst en yver was,
 
Waer js de blyde handt die lievers niet en raeckte
[p. 15]
 
Dan daer van uwer dry yet bleeck, yet blonck, yet blaeckte?18
 
Troostloose Weesen-hert, waer js de wyse mondt
20
Die t'uwer onderwys noyt toe, noyt still en stondt?
 
Waer is. De voorder klacht wierdt schielyck wedersproken,
 
De diepst geschapen sucht in synen traen gebroken
 
Door een bekende Stem, het droeffelyxste woordt
 
Soo tydelyck gestopt als minnelyck gesmoort.24
25
Der Princen taelman Hooft (die 't Nederlant ter eeren25
 
Den Koninghen syn' spraeck, den Keyseren doet leeren,
 
Roept eewen achterwaerts, brenght landen jn syn landt,27, 28
 
Sleept steden in syn' Stadt, dwinght scepters jn syn' handt)
 
Beweeghde dit gekerm. Stelpt die verloren tranen,
30
O een' en ander Maeght (begon hij te vermanen)30
 
Vermeestert uwen rouw. Wat schaet een ancker quyt
 
Zoo langhe 't schip ter zee noch op een ander rydt?
 
De Vader die ghy mist belett jck V te derven,
 
Mijn leven zij voor V in plaetse van sijn sterven,
35
In 's Werelds drooghe diep, en ongebaeckte sandt35
 
Belov' ick V myn hulp myn' herssenen, myn' handt.
 
De daghen myner jeughd en onbevleckte nachten,
 
In deughden toe gebroght en ernstighe gedachten,
 
In weten giericheyt sorchvuldichlyck besweet,
40
In tael en wetenschap geluckelick besteedt,
 
Bested' jck weer voor V, de langh verleden jaren
 
Van 's Werelds maecksel aff, en zoo veel holle baren42
 
Als zedert tot op nu daerover syn gejaeght
 
En zyn mij niet ontkent, jck hebb' het al doorknaeght,44
45
En all tot uwer baet, zoo verr' v lust te maeyen
 
My lust soo goeden grondt van 'tmijne te besaeyen.
 
Op 'tsluyten van een Sin jn rijmende gedicht
 
(Hoewel daerin v handt voor niemant niet en swicht)
 
Verstaen jck ruym mijn deel, en mogelick wat vouden
50
Wt mijnen koker v by wylen sullen monden,
 
Wy konnen 't al niet all, de groote Ghever geeft
[p. 16]
 
Aen eenen menighmael dat ijeder niet en heeft.
 
'Twas te gewilder waer om langer aen te prijsen,
 
Der maeghden blij gelaet begonde te verrijsen,
55
De droeve Wolck verdween, de Sonne scheen verheucht,
 
Strack schreyd'er twee van rouw, strack loegh'er 3. van vreught.
 
O meer als echte knoop geluckelyck gebonden!57
 
O drijhoeck vande Deughd van boven aff gesonden!58
 
Volmaeckste Sielen-bandt van all die Phoebus siet,
60
Wat vruchten wachten wy, wat vruchten van v niet?
 
Geluckich Hooft-Poeet van all die Hollandt baerde
 
En Hollandt baren sal, O! onder de vermaerde
 
Vermaerste Sophoelist, waer was 't V mogelyck,63
 
'Ten hadde hier geweest, te vinden Ws gelijck?64
65
Ten hadde hier geweest, waer was het V te raden65
 
Dat swanghere vernuft zoo mildelyck t'ontladen?
 
Geseghent Suster-paer, der Amstel-nymphen eer
 
Verarmt den Hemel V, off seghent hij v meer?
 
Neen, hy ont-oudert v, maer wil v niet ontrieven,
70
Dus moet ghij t'eener tydt verliesen en verlieven,70
 
Dus gheeft hy nemende (dat 's hemellyck gerooft)
 
Hier zoo verwaerden kop, daer zoo vermaerden Hooft.72

170 Kal. Ian. 16201).

Constanter.

Sonnet van Hooft.

Aen Heere Constan tijn Huighens2).

 
Men voede' Achilles op, met mergh wt Leeuweschoncken,
 
Dies siedende' oorloghsucht reed door sijn leeden rap.
 
Van rusten wierdt bij mat, van woelen frisch, en schrap
 
Stondt hij veel liever dan hij stack in lust versoncken.
5
Maer Huighens inborst, die voor sogh heeft opgedroncken
[p. 17]
 
Der eedle konsten klaer en sinnesujvrend sap,
 
Vlamt op het eerlijck' fraey. Waer nae sijn vrijerschap7
 
Wt allen ijver rent, geprickt van heilghe voncken.
 
Dies luistren nu sijn lujt, sijn stem, sijn streelend dicht,
10
Nae wetten van die geest op alles afgericht.
 
Nae dese schickt sich 't pujck zijnre' wtgeleesen zeeden.
 
Doch dit's maer voorspel. T' hans de welvaert van sijn landt
 
En vrijgevochten volck, aenstellen wil haer trant13
 
Op maetslagh eener siel soo vol van rijm en reden.

Jan. 1621.

Omnibus Idem1).

Sonnet van Tesselschade.

Noch op denselven trant2).

 
Hoe wel ick noijt en soock pit wt der Leeuwen schoncken,
 
Soo voel ick even wel mijn geesten werden rap,2
 
Gemoedicht door v Rijm hun krachten stellen schrap3
 
Om kanten teghen 'tluy dat d'yver hield versoncken
5
V suijglinck als vermindt lagh overstalligh droncken
 
In weeldens vette schoot, En sooch het suchtich sap6
 
Wt Coppers boesem daer de quickxe vrijerschap7
[p. 18]
 
Wt blusten met hun vier als water uwe voncken.
 
Noch hielt ghij d'overhant, dies stel jck v gedicht
10
Veer boven Helterij ten oorloch affgericht.10
 
Die dwingen met gewelt, ghij met beleefde seeden.11
 
Moetblasers alle beij vant luckich Nederlant,
 
Al wat van voeten weet moet dansen nae v Trant13
 
En wel getroffen galm op sleutel van de Reeden.14.

Gedicht van Hooft.

Een Majeboom.
Aende Joffren Anne en Tesselschae Roemer Visschers gesonden naer haar vertreck vanden huijse te Mujden, in 't jaer 1621, spreekt1)

 
Orpheus, met sijn stem en vinger,
 
Maeckte eertijdts den boomen voeten,
 
Datse bij gekroonde stoeten
 
Liepen nae den soeten singer.
5
Ist dan vreemdt, dat jck verslinger
 
Op uw speelen,
 
Op uw queelen,
 
En loop achter aen uw keelen?
 
Ick die ben van 't selve volck?
 
En was hij der goden tolck;
10
Ghij syt speelnoots van godinnen.
 
En indien Thalia' haer sinnen
 
Eens tot trouwen zet, sult ghij
 
Elleck sitten aen een zij.

P.C. Hooft.

[p. 19]

Brief van Hooft.

De Majeboom
Aende Joffren Visschers gesonden over boort geraekt, strandende spreekt tot den vinder1).

 
Hier koom jck Majeboom
 
Gedreven van de stroom.
 
Om dat jck Visscherinnen
 
Haer sang, voor Meereminnen
5
Verkoor, mij smeeten dees
 
In 't diep des Zuyderzees,
 
Daer jck heb moeten sterven,
 
En soo lang leggen swerven,
 
Om te versaên haer nijdt,
10
Dat jck mijn blaên ben quijt.
 
 
 
Maer jck heb noch mijn dóóren.
 
In plaetse van 't speelkooren12
 
Rijght hier aen bloemen fris,
 
Daer 't nu de tijdt voor is.
15
'Ten zij ghij sijt een dóóvert,
 
Dien sang nocht spel betoovert;
 
En plant mij op haer wal,
 
Ick sal door 't soet geschal
 
Der lieve Visscherinnen
20
Een ander leven innen.20

Me Joffren2).

Verschiet3) niet. Hier komt de geest vande verdroncken Majeboom aen. Maer die soo lang in den Hel verkeert heeft, onder de geesten van Lucianus4), wordt van geen schimmenstem vervaert gemaekt. Indien hij niet klaer genoeg spreeckt, jck bid 'er voor,

[p. 20]

dat hij de Paley1) ontgaen moghe, ten aensien dat der geesten gewoonte is binnens monds te spreecken. En 't gedenckt mij der geweeten2) te hebben, die de duisterheidt van de Duitsheid3) voor wtspraeck verkooren om te beeter geesten te schijnen. Maer vraeght U.E. hoe ick dus bekent met de geesten koom, dat ick haar praetjens weet nae te vertellen. 'T is dat ick dat geselschap ten naesten bij onder de ooghen gesien heb, door 't gevaer van mijn vrouw4) die nu beter is, God heb lof en U.E.E

Me Joffren

in sijn heilighe hoede, nevens welcke wensch ende eerbiedighe groetenis jck t'haerwaerts bevele

U.E.E. Gans verbonden P.C. Hooft.

Van den Huyse te Muyden. XX Junij 1621.

Gedicht van Huygens.

Muydsche reis.
Aen Joffw. Tesselschade Visscher5).

 
Vochtich Zuyen,
 
Schortt v buyen
 
Over Muyen
 
Eenen dach,
5
Die jck gaeren
 
Sonder baren,
 
Stil en klaer, en
 
Drooghe sagh;
 
 
 
Noorder' vlaghen,
10
Laet u draghen
 
Daer de daghen11-16
 
Nachten zijn,
 
Daer de nachten
 
Noyt en lachten,
15
Noyt en wachten
 
Sonne-schijn;
 
 
 
Helder Oosten,
 
V vertroosten
 
Teghen 'troosten
20
Vierich-droogh
[p. 21]
 
Can jck missen,
 
Naer het gissen
 
Uijt het pissen23,24
 
Van om hoogh;
 
 
25
V voor 'tleste,
 
V voor 'tbeste,
 
Groeyich Weste,27
 
Roep jck aen,
 
Leent v laeuheyt,
30
Dat gheen' graeuheyt
 
'S hemels blaeuwheyt
 
Mach beslaen.
 
 
 
Ingevallen
 
Gheen' van allen
35
Can bevallen
 
Myn gebedt;
 
Valt aen 'tblasen,
 
Valt aen 'trasen.
 
Als vier dwasen
40
Zonder wet.
 
 
 
Al v coelen
 
Al v croelen,42
 
Al v woelen
 
Over 't Y,
45
Al v buyen
 
Voert mij huyen46
 
't Hooft van Muyen
 
Niet voorbij.
 
 
 
Hooft beloert mij,
50
Lust beroert mij
 
Liefde voert mij
 
Over Zee,
 
Zijnder Winden
 
Die mij binden54
55
Van mijn vrinden
 
Een, en twee?
 
 
 
Aeol hoorden57
 
Dese woorden,
 
En ontstoorden59
60
Sijnen sinn,
 
Huygens ruste,
 
Waer 'them luste,
 
Op de cust, te
 
Muyen jn.
 
 
65
Maer hij naeckte,
 
Maer hij raeckte,
 
Daer hij haeckte,
 
Niet soo ras,
 
Hij en leerde69
70
Wat de weerde
 
Van der eerde-
 
Vreuchden was.
 
 
 
Soete uren
 
(Ghinck hij truren)74
75
Mocht ghij duren75
 
Sonder vaert;76
 
Wat begheerde77-80
 
Onverseerde,
 
Overweerde,
80
Nutten waert!
[p. 22]
 
Maer, verblijden,
 
Ghij sijt lijden,
 
Nu ghij glijdt, en
 
Staende gaet,84
85
Can hij leven
 
Sonder beven
 
Die beneven
 
't Sterven staet.
 
 
 
Langh verbeyden,
90
Schielijck scheyden,
 
Een van beyden
 
Waer te swaer,
 
Waerom gaet ghij,
 
Waerom laedt ghij,
95
Waerom slaet ghij
 
Bey te ghaer?
 
 
 
Moet jck suchten
 
Nae genuchten,98
 
En noch duchten
100
Daer se sijn,100
 
En myn wijnen
 
Sien verdwijnen
 
In fenijn, en
 
Scheyn asijn?
 
 
105
Moet jck haecken
 
Nae 'tvermaecken106
 
En geraecken
 
Taey daer jn,108
 
En 'tgenieten
110
Zien vergieten
 
Zien vervlieten
 
Eer jck 'tvinn?
 
 
 
Meer en conden
 
Scheydens-wonden
115
Niet verkonden
 
Sonder pijn,
 
Hoe 't begoste,
 
Suchten coste,
 
Suchten moste,
120
'T ende zijn.
 
 
 
Tessel-schaetgie,
 
Cameraedtgie,
 
Die dit praetgie
 
Uyt mijn hert,
125
En van binnen
 
Uyt het spinnen126,127
 
Van mijn sinnen
 
Hebt ontwert.
 
 
 
Hebt het, hout het,
130
Sluyt, ontvouwt het,
 
Siet, aenschouwt het
 
Als belooft;
 
Maar, bewooghen
 
Uyt medooghen,
135
Zonder d' ooghen135,136
 
Van v Hooft.

Amsterd. Augto. 1621.

Constanter.

[p. 23]

Uit een brief van Huygens aan zijne ouders, uit Londen, van 17 Maart 16221)

Il y a cy joint un mot pour ces filles à Amsterdam2); qu'on en vueille un peu avoir soing à cause d'une enclose qu'il y a pour le drossart Hooft3), touchant certaines sienes affaires qu'il m'avoit recommandées par decà.

Brief van Hooft aan Anna Roemers4

Me Joffrouw,

U E. suster heeft mij eenighe vaerssen gesonden om te beteren. Jck sendse wat ergher weder over danse gecomen waeren. Wat kond jck anders als de toortsen in den oven leggen5), gebeden werdende vande geene die gebieden magh, ende dat wt driederleij naem, als Tesselschae, als Roemers dochter, ende als U E. suster? Een kabel van sulcke drie strengen bindt te vast om sich t'soeck te maecken, al waer'er oock vercleening te haelen met gehoorsaemheidt. Maer een krancke gehoorsaemheidt ist, als zij gebiedt te beteren, en jck verslim. Nochtans salse ergens toe goedt zijn, hoop jck; ten minsten om haer echter6) de moejte te doen spaeren van mij te verghen dat boven mij is. Maer immers hoop jck, dat dese mijne brabbelingen7) geenen dagh sullen sien, ende dat haer wanschaepenheit sal gesmoort worden voor haer doopsel. Want al droegen se eenigh swijmsel8) van mij, mij water leedt dats'er den naem afdroeghen. Die wijsheidt beveel jck U E., ende nevens wensching alles

[p. 24]

goeds van Gode, mitsgaeders groete ende hartlijcke gebiedenis, in haer jonste

U E. verplichten dienstw,en P.C. Hooft.

Van den Hujse te Mujden, den 27en April 1622.

 

Adres: als boven.

Gedicht van Huygens.

Aende Ioffrouwen Anna ende Tessel-schade Vischers ende de Heere P.C. Hooft. Drost van Muyden.1)

 
Van over 't Noorder Nauw, daer Roomen buyten slingher1
 
'T vervloeckende gedreygh van sijn gelasen vingher2
 
Voor doove deuren sendt; daer aenden Heyl'gen dis3
 
On-overlichaemt Broodt der Zielen voetsel js,4
5
Besoeckt v dese groet; vereert haer met den opslagh
 
Van een goetwillich oogh; al waert dat Roemer op sagh,
 
Getrouwer vrienden-handt en reyckten hy v niet
 
Dan daer ghij jn dit witt het pennen-spoor af siet.8
 
Is v de jnct ontkent, vertwijffelt u de schrijver?9
10
'Tjs Huygens die 'tgeswell van lang-vergaerden ijver10
 
Comt perssen daer hij gist van sijn gedachtenis11,12
 
Off weynich overschots, off gheen gedacht en js.
 
Die Huygens, die 't geluck van metgenoot van jaren
 
Groot, Heins en Cats te zien niet all end all derft paren14
15
Met uwer vrientschaps gunst; die Huygens, die de print15
 
Van uw drij-waerdicheit affwesende bemindt,16
 
Affwesend' bij sich droeght affwesende doet vieren
 
Door all dat nae de doodt soeckt leven jn Laurieren18
[p. 25]
 
Die Huygens die den topp van 'tconstig hoeven-vocht19
20
Soo menichmael besucht, soo selden heeft besocht,
 
Soo menichmael den randt van uw' verheven pluymen21,22
 
Verslaghen heeft staen sien het wolcken-water schuymen,
 
En mogelijck het vier ontleenen van een sterr,
 
Wt aller veeren reyck, uyt aller ooghen sperr,24
25
Terwijl gij, worm gelijck, met sijn gewicht verleghen,
 
Neerlastich, wieckeloos, de diepe slobber-steghen26
 
Van 's Werelts slijck doorcroop, en bij uw vlijtich hoogh27
 
Niet wist te naerderen als met een spijtich oogh,
 
Heeft noch vergetelheyt jn gheene van uw' borsten
30
Het vriendelijcke murw soo dick-diep doen vercorsten
 
Off 'tvragen naer uw' Vriendts hoe, wat, waer en wanneer,
 
Verstreckt u noch een vreucht; hij leeft, en, vrij noch meer,
 
Hij voert een rappe ziel, een onverlemde reden33
 
In 't onverroest gespan van lemteloose leden;34
35
Besitt sijn volle jeught, en midden jn 'tgedrangh
 
Van jeughts verdorvenheyt, en midden jn 't gesang
 
Van menighmalen meer betreckende mallooten37
 
Dan daer de Grieksche Vos jn 't oor van syn pilooten38
 
Het stopsel voor bedocht, en selver jn een bast39
40
Sijn wanckelmoedicheyt ded' steunen op syn mast,
 
Doet stadigh dat hy doet, streeft stadigh door het stooten
 
Van Ebb' en Vloets gemoet, en als de minder Booten
 
Gecabelt metten rugg van die haer vorens gaen
 
Beslaet als metgesleept een eerlijck achter-aen44 45
45
Bij 's Vaderlandts pinas, dat aende Teemsche stranden
 
Drij en twee reysen nu den maenringh sien ontranden,46
 
Vijff reys sien vullen heeft, en onverduldich wacht
 
Op 'teyntelyck en wel ontladen van sijn vracht.
[p. 26]
 
O 'sGravesander spits, ô Brielsche boet en baecken,49
50
Wat soeter Aeols kindt zal syn beleefde caecken50
 
Ontswellen met dit zeyl, en jn uw Mase-mondt
 
Doen kiesen op de Ree den ouden ancker-grondt?
 
O Schevelingher duyn, ô Haeghsche boter-weyen,
 
O voor en achter-hout, mijn mijrt, mijn lauwer-meyen,54
55
Wanneer sal Huygens weêr ontballast van 'tgewicht
 
Van hooffs-becommeringh, jn uw gewenscht gesicht
 
Sijn sorgeloos gemoet doen baden jn gepeynsen
 
Daer van wraeck, van bedroch, van dubbelsin, van veynsen
 
De smett niet aen en cleeft, maer vré, maer eerbaerheyt,
60
Maer jock, maer gulden eews herboren slechticheyt?60
 
Wanneer sal wederom 'tgerammel van syn snaren
 
Verdommelt met syn keel tot over Haerlems baren,62
 
Tot over 't prachtich Veen, tot voor de blauwe poort63
 
Van Hollandts Zuyder-diep te Muyden syn gehoort?
65
Te Muyden, daer hy weet de Meer en min der boden,65
 
Het schuymende gevolgh van Wint en Water-goden,
 
Soo menighmael om herr te luyster syn geweest
 
Om Floris droeve spoock en Velsens wrevel-geest,68
 
Op Amstel-landts thooneel gevoordert en beschreven69
70
Door Hoofts geleerde cracht, v