terug  begin  verderprepost
[p. 8]

VIII 'Ten vangt gheen visI, 8

 


MEEST al die de Rancket* hanteren, zijn al lieden, die de vis uyt het net jaghen, want wie dat wint, die behoud luttel in de hand; maer die verliest, die verachtert vierdubbelt. Andere netten worden gebruyct om yet mede te vangen, 'tzy dan visschen of vogelen, tot profyte van de keucken: maer dit is de volkomen practijcke* om gelt en tijd te korten, 'twelckmen tijdkortinghe noemt: ende een groot deel van de beminnaers zijn van weelighe jonghelinghen snoode* verachte lacketters* geworden, en loopen met kackhielen,* met de hielen door de koussen, en geven den bal op* in de bane om dat de verwaende kaetsers deur het bocken* haer nastelinghen* niet en souden breecken.




illustratie


I, 8Rancket = raket.
Practijcke = middel.
Snood = gering.
Lacketter = knechtje, duvelstoejager (wel een vervorming van lakei als woordspeling met raketter).
Met kackhielen loopen = als een schooier lopen, verarmd zijn.
(Den bal) opgeven = in de hoogte werpen.
Bocken = Fri.holl. vorm voor bukken.
Nasteling of nesteling = nestel, veter (hier dus van de broek).
prepostterug  begin  verder