|
|
|
| |
| | | |
| |
XXIII 'T scheelt te veel*I, 23
| |
DIT beteyckent, dat verstant in man of vrouwe, meer te prysen is dan rijckdom; schoonheydt, edelheydt sonder vernuft of wetenschap.
| | |
I, 23Het bijschrift bij het prentje, dat zeer duidelijk de zegswijze ‘een grote lantaren, die geen licht geeft’ in beeld brengt, is, wel heel sober. In de latere edities, waarin van de hand van Roemers dochter Anna tweeregelige versjes zijn opgenomen is de wat al te magere tekst bij dit en enkele andere prentjes vervangen door een nieuw prozabijschrift, ondertekend A.R. Wij laten de tekst, volgens de editie van 1678, hier volgen.
Die beminders van het gemeene beste, seggen, dat men wel mach bidden dat rijcke en hoogh-gebooren lieden wijse kinders krijgen, want sy raken op 't kussen, niettegenstaende het altemet groote Lantarens sonder licht zijn; Daer een kloeck verstandt in een man van lage staet soo veel mee verscheelt, als een kleyn Slonsjen (= lantarentje), maer vol lichts, dat men in de handt moet nemen, om sijn scheenen niet te stooten tegen sulcke onnutte ballasten, die braef en rijckelijcke toonen soo langh het dagh is, maer inde nacht, dat is in de noodt, als men raedt en licht van doen heeft, en doen sy niet 't geen sy schijne te belooven, en daer sy om gemaeckt zijn.
|
|