terug  begin  verderprepost
[p. 64]

III Hacht maer sacht*II, 3

 


Ausonius seyt: Fortunam reverenter habe*, dat is: als bovengheschreven wordt met vryheydt ghetranslateert: want die soo luchtigh zijn have avontuert*, of hem de Fortuyne schuldigh was te favoriseren, die doolt en sal hem in armoedt vinden, ja met schulden verachtert eer hy't waent: en die soo achterkoussigh* is, dat hy't geluck 'twelck hem voorkomt ende de handt biedt, gantsch niet en wil of derf aensoecken*, die sal zijn middelbare rijckdom met hongher beten verteeren, dan die de Fortuyne by maten met voorsicht* kan ghebruycken, op zijn hoede wesende, alsse meest schijnt te lachen, die sal sonder twyfel van haer gaven ghenieten, besonder soo hy met middelbaer gheluck tevreden wil zijn, ende hem laten ghenoeghen*.




illustratie


II, 3Hachten = wagen, avonturen; dus: waagt, maar met mate.
Ausonius wordt hier geciteerd uit Lib. 19, Epigrammata, 2, waar verhaald wordt van de tyran van Sicilië, Agathocles, dat hij uit aarden schalen at, al gebruikte hij ook met edelstenen bezette bekers. Gevraagd naar de reden antwoordde hij, weliswaar Koning van Sicilië te zijn, maar ook de zoon van een pottenbakker. De moraal is dan:
Fortunam reverenter habe, quicunque repente
Dives ab exili progrediere loco.
Bezit uw geluk met bescheidenheid, al wie plotseling
Van een nederige positie tot rijkdom zal opklimmen.
Avontueren = in de waagschaal stellen, er aan wagen.
Achterkoussig = achterdochtig.
Aensoecken = beproeven, onderzoeken.
Met voorsicht = welbewust. Vgl. Spiegel's Hertspieghel, 15.
Hem laten ghenoeghen = zich tevreden stellen.
prepostterug  begin  verder