terug  begin  verderprepost
[p. 70]

IX Elck zijn waerom*II, 9

 


DE Paep gaet ten Outaer, den Schipper t'Zee, de Bouwman* ten Acker, de Landsknecht te strijt: vraeght ghy noch waerom? niet dan om ghewin of profijt. Isser anders niet in de wereldt te doen, dan om gelt? ja: om eer, om pracht, om wraeck, om te bedrieghen, al wil het niemandt bekennen, elck ghevet* een anderen glans; Dan hoemen het bewimpelt, elck heeft zijn waerom, al is die voor alleman niet bekent. Lucanus seyt: Trahunt quemque suae scelerata in praelia causa*. En men seyt: Om't gheniet van het Smeer, soo lickt de Kat de Kandelaer.




illustratie


II, 9Elck zijn waerom - de zinspreuk van Tesselschade.
Bouwman = landbouwer, boer.
Ghevet = geeft het.
Trahunt, etc. - De versregel bij Lucanus, Pharsalia II, 251 luidt:
Quemque suae rapiunt scelerata in proelia causae = Ieder wordt door zijn eigen beweegredenen gedreven tot misdadige strijd.
Dezelfde gedachte heeft Roemer Visscher ook neergelegd in zijn Brabbeling. In de druk van 1612 (Leyden, Jan Paets Jacobsz.) vindt men als Nr. 63, Derde boeck van de Ghenoegelicke Boerten, wat later Nr. 40 van het Sevenste Schock van de Quicken is (zie editie v. d. Laan, blz. 76).
 
Om winst soo steeckt de visscher van strant;
 
Om winst vaert de schipper over zee en zant,
 
Om winst vaert de coopman deur 't gantsche lant;
 
Om winst gebruyckt den lantman de couter;
 
Om winst stelt de lansknecht sijn lijff te pant;
 
Om winst soo leeft de hoer in schant;
 
Om winst spreeckt de voorspraeck als een loos quant;
 
Om winst soo gaet de paep ten outer; enz.
prepostterug  begin  verder