terug  begin  verderprepost
[p. 71]

X Slecht en rechtII, 10

 


DE menschen in de gulden Eeuwe waren slecht en recht, ghinghen naeckt: aten voor haer spyse Aeckers ofte Boecken*, sulcks als haer het veldt rijckelijck gaf, sonder sorgh, sonder moeyten, sonder gierigheydt*, sonder bedroch: droncken uyt haer handt, of uyt een horen of schelp, sulcks als zy vinden konden, het klare water uyt de fonteyne* daer zy by woonden: men wist van koopen noch verkoopen: Mijn en dijn waren noch op de Wereldt niet. Maer hier nae quam de beleeftheydt, die achten* dese simpele lieden voor plompers ende bottekroesen*. O heylighe goetrondsheydt*, hadden zy u by d'oude maniere gelaten, ghy waert veel beter daer aen gheweest.




illustratie


II, 10Boecken = beukenoten.
Gierigheydt = begerigheid.
Fonteyne = bron.
Achten = achtte.
Bottekroes = domkop, botterik.
Goetrondsheydt = eenvoud van zeden.
Als illustratie van de goedrondheid dus een eiketakje in een goed rond.
prepostterug  begin  verder