terug  begin  verderprepost
[p. 86]

XXV Laet legghen dat hachjen*II, 25

 


EEN recht moedigh man is onvertsaecht, al siet hy zijn vyanden (veel meer in 't getal) die hem komen bespringhen, dan stelt hem ter weere en biet het spits, zy moeten hem onverwonnen laten gaen, indien hy hem stil ende onbeweechlijck houdt: gelijck een Eghel tusschen twee Honden hem windt in 't rondt, over al met zijn borstelen voor, die zijn vyanden te hart vallen om te knaeuwen.




illustratie


II, 25Hachje of hachtje = brok, kluifje.
Laet legghen dat hachjen = blijf daaraf, handen thuis.
Het spits bieden = zich te weer stellen.
Hetzelfde motief ook by Joach. Camerarius, a.w., II, 86.
prepostterug  begin  verder