EEN Man en een Wijf, die huwende in alles ghelijckwichtigh* zijn, 'tzy in Hoogheydt, Edelheydt, Rijckdom, in statighe* Vrienden en Bloetverwanten, in maniere van leven, en dierghelijcke dinghen meer; die zijn de gheluckichste die daer leven, soo langh als zy elck ander in de ghelijckheydt bejeghenen*.