Neem je bed op en wandel


auteur: Bert Voeten


bron: Bert Voeten, Neem je bed op en wandel. Brieven aan Bert Bakker senior 1954-1969. Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 1994.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 100]

Amsterdam, 24 oktober 1968

Beste vriend Bert,

 

Zoals ik je vanmorgen al zei, ik stond net op het punt jóu te bellen toen de telefoon ging - de geest waait kennelijk precies naar waar we hem hebben willen. En laat ik nou helemaal vergeten zijn je te vragen hoe je curieuze 3de klas-experiment bevallen is. Gisteren was het de laatste dag, als ik me niet vergis. Waren er nog meer opvallende verschillen? Sturen ze je als 3de klasser bijvoorbeeld lelijke verpleegsters? Misschien kun je je conclusies vastleggen in een rapportje aan de leiding van de kliniek: Kleine sociologie uit de ziekenkamer. Zit 'n top-puntje in. Niemand zal durven beweren dat je in die kamer voor je lol verblijft, maar wat ons opnieuw frappeerde: je hebt een onverwoestbaar gevoel voor humor, en dat houdt je ook daar overeind. Het zal niet vaak voorkomen dat het verplegend personeel twee bezoekers en een niet zo best ter been zijnde patiënt stikkend van het lachen naar de uitgang ziet lopen. Achteraf realiseerde ik me pas wat een krankzinnig gezicht dat geweest moet zijn: Marg, beladen met twee grote pakken, een tas vol bonbons en een bandrecorder, en ik omzichtig stappend en een beetje gebogen, als Knier, met die soepterrien in mijn handen, terwijl meneer Bakker van kamer 3 paarsaangelopen toekeek. In de hal hielden een paar binnenkomende particulieren de deur voor me open en staarden me met enige verbijstering na, alsof ik er met de gestoofde organen van god weet wie vandoor ging. Adepten van Steiner volgden door de ramen het inladen van de geschenken. Ze begrepen er geen kloot van, want het is gebruikelijk dat je die dingen meebrengt voor de zieke. Als het bezoek voor jou een opkikkertje geweest is, zijn we daar blij om; voor ons was het dat in hoge mate, alleen al doordat we je mentaal in topvorm meemaakten. Over de receptie van Simon hebben we 't al telefonisch gehad. Toen hij achter de katheder stond voor zijn dankwoordje van 1 minuut maakte hij een indruk van kracht en vitaliteit. Later, terwijl we stonden te praten, vond ik hem ineens heel oud, een beetje op-

[p. 101]

geblazen; het robuuste bleek grotendeels zitvlees te zijn. En hij had iets stars in zijn gezicht, vooral in zijn ogen, iets mechanisch. Hij transpireerde zwaar, veegde voortdurend met een zakdoek over zijn voorhoofd en herademde pas nadat Geert hem had meegenomen naar een koeler vertrek. Het was ruim twintig jaar geleden dat ik hem voor het laatst (en voor het eerst) gesproken had, in een kroeg op het Leidseplein, waar hij een redactievergadering van Centaur had gehad met Den Brabander en Cordan. Eddie en ik waren er toevallig binnengekomen en Jan bood onmiddellijk een rondje aan. ‘Simon betaalt alles’, zei Jan, ‘Simon heeft poen. Drink es uit, Simon!’ De borrels werden gebracht en Simon, nerveus, schichtig, zwetend, een tikje rood aangelopen, stond op om naar het toilet te gaan, nageroepen door Jan, die vroeg of hij zijn gulp wel kon vinden. Wij dronken, Jan bestelde nóg een rondje - hij had intussen de borrel van Simon ook achterover geslagen - en begon zich toen hardop af te vragen waar zijn mederedacteur bleef. ‘Jezus, het lijkt meneer Visser wel, hij zit al een kwartier op de plee. Ga jij es kijken, Heinz’ (tegen Cordan) ‘misschien moet-ie wel kotsen.’ Heinz ging kijken en kwam terug met de boodschap dat Simon niet te vinden was. ‘Godverdomme, dan is-ie er tussenuit!’ riep Jan. Wat een van de kelners bevestigde. Heinz was de klos, want Jan had nooit een cent op zak en Eddie en ik niet meer dan een paar kwartjes. Ik moet er wel bij vertellen, dat Simon het later met Heinz in orde heeft gemaakt. Hij zei dat hij zich niet lekker had gevoeld. Misschien had hij toen ook al last van de warmte.

 

Net kom ik terug van een pijnlijke confrontatie met mijn fotoboer, die me met een enkel gebaar demonstreerde dat ik als kieker amateur ben. Hij trok de rolfilm uit het witte doosje en gooide achteloos een volkomen smetteloze reep celluloid op de toonbank (godzijdank was ik de enige klant). Je ziet 't, wie met alle geweld wil ‘vereeuwigen’, al is het maar een stand op de boekenmarkt, houdt een leegte over. Er bleek een kleinigheid met de camera te zijn geweest - kwestie van een palletje - waardoor de film niet op de spoel was geko-

[p. 102]

men. Kwestie van een palletje, jawel, maar je staat voor drol in zo'n zaak. Het enige voordeel is dat je bijna geen kosten hebt: 20 keer niets voor ƒ1,25. Maar jij begrijpt net zo goed als ik dat Louis Daguerre de prille vinding van Joseph Nièpce niet verbeterd heeft om de mensen in staat te stellen niets vast te leggen. Of wie weet juist wél. Dit soort incidenten zet je toch aan het denken.

Als ik het resultaat had geweten, was ik de dag na mijn fotografische arbeid niet zo onbekommerd en zonder camera (want het stond er immers allemaal al op) naar de markt gereden. Zondagmiddag, een uur of drie voor sluitingstijd. Ik stap in en de taxichauffeur vraagt: ‘Waar gaan we naar toe, meneer?’ ‘Naar het RAI Congresgebouw’, zeg ik. ‘Nou, dan dóen we dat toch’, zegt hij en we rijden langs het Oosterpark vol zondagsgangers. Het is prachtig najaarsweer.

‘Iets te doen in de RAI, meneer?’

‘Ja, de boekenmarkt.’

Hij zwijgt even, kijkt naar me in het spiegeltje en zegt: ‘Boekenmarkt? Heb dat iets te maken met 't Waarheidsfestival?’

‘Nee, dat is in de Europahal. De boekenmarkt is in het Congresgebouw.’

‘O, nou ja... je kan met dit weer beter naar buiten gaan, de natuur in, vin ík persóónlijk dan, ik ben 'n liefhebber van de natuur.’

We stoppen in de file voor de Berlagebrug. Hij kijkt me aan via het spiegeltje, wachtend op mijn reactie.

‘U zou dus liever een buitenritje maken vanmiddag’, zeg ik.

‘Als 't u hetzelfde bleef, meneer - maar ik kan toch moeilijk tegen u zeggen, laten we effe over 't Gooi naar de RAI rijden. Trouwes, dat kost me nogal niet 'n paar centen. Je heb niet iedere dag zo'n klant als die ouwe mevrouw van 'n half jaar gelejen.’

‘Wat was er dan met die ouwe mevrouw?’

We rijden nu langzaam over de brug. Mensen hangen over de leuning en kijken naar het nog altijd kakkineuze geplas van corpsstudenten in vierriems- en andere gieken. Tijdens

[p. 103]

het volgende verhaal kijkt hij bijna onafgebroken in het spiegeltje.

‘Nou, meneer, op 'n goeie dag, 't was op 'n woensdag, moet ik voorrijen op 'n adres in de Willemsparkbuurt. Ik krijg 'n ouwe dame in de wagen, die tegen me zegt: “Weet u niet een paar mooie plekjes, chauffeur? Ik wil graag een beetje rondrijden.” Nou ken ik toevallig een paar hele mooie plekkies, dus ik zeg: “Zeker, mevrouw. Ik zal u wel es wat laten zien.” En ik rij het Gooi in, naar de Lage Vuursche, de Larense hei, 't Spaanderswoud, afijn de hele reutemeteut, en dat mens zit te genieten, meneer, daar heb u geen idee van, 'n koppie koffie hier en 'n koppie koffie daar en ik weer naar 'n mooi plekkie, om kort te gaan, we waren de hele middag op stap geweest en toen ze weer voor d'r deur stond zegt ze tegen me: “Kom me volgende week om dezelfde tijd weer halen, chauffeur. Maar dan gaan we verder weg.” Nou, en die week daarop rij ik 'r naar de Veluwe, daar was ze in geen jaren geweest, zei ze. Om de zoveel kilometer moest ik stoppen, want dan had ze weer wat ontdekt en als ik vroeg: “Wil u niet effe uitstappen en een eindje wandelen?” dan zei ze: “Nee, chauffeur, ik wil alleen maar kijken, ik wil alles nog een keer zien.” We legden aan bij een dure zaak en daar moest ik een dubbele uitsmijter van d'r nemen mét koffie. Zij nam alleen 'n koppie thee en 'n stukkie keek. En toen begon ze te vertellen. Ze zei dat ze tweeëntachtig was en helemaal alleen in een huis met zeven kamers woonde. Ze had geen familie meer en ze was 'n mens van de dag. “En als 't nou met me gedaan is”, zegt ze, “wat heb ik dan? Dan krijg ik een lang wit hemd aan en de staat krijgt m'n centjes. En daarom wil ik 't er nog eens van nemen, chauffeur, ik wil alles nog eens zien. Kom me volgende week weer halen. Maar kom dan 's morgens, dan gaan we wéér wat verder.” Afijn om 'n lang verhaal kort te maken’ - we naderden de RAI - ‘we gingen een dagje naar de Achterhoek, een dag naar Brabant en een dag naar zee, Noordwijk, daar had ze vroeger dikkels gelogeerd. U begrijpt, dat liep aardig op. Zo'n dagje kwam al gauw op 'n meier of anderhalf, 't eten en drinken niet meegerekend, want 't was overal koppie koffie, koppie soep, 'n

[p. 104]

uitsmijter, 'n biefstukkie, 'n slaatje - zíj nam alleen thee en 'n stukkie keek. En dan gaf ze me nog 'n dikke fooi ook.’ We stonden stil voor de RAI. ‘Effe de meter afzetten, meneer’, zegt hij, ‘want ik praat nou in m'n eigen tijd. De volgende week woensdag zouen we naar Limburg gaan. Ik bel bij d'r aan, maar krijg geen gehoor. Nog 'n paar keer gebeld - niks. Ik denk: hé, zou ze met een collega zijn gaan rijden? Op die leeftijd hou je 't ook niet allemaal meer uit mekaar. Toch es bij de buren informeren, denk ik. En wat hoor ik? Vrijdags niet lekker geworden, naar 't ziekenhuis, en 's anderendaags was ze dood. Ze lag er al onder toen ik daar stond. Had 't toch goed geschoten, 't ouwe mens. Vijf fijne dagen gehad. Ik ook trouwens. Zo'n klant krijg ik nooit meer. Nou, meneer, u bent 'r. Veel plezier op de boekenmarkt.’ Hij keek voor het eerst niet meer in het spiegeltje.

 

Dat was het dan voor vandaag, beste vriend. Het is intussen al zaterdag geworden. We hopen van harte dat er vooruitgang in je toestand zit. Een omhelzing van Marg, veel groeten van de kinderen en een stevige hand van

je B.

[p. 105]



illustratie

Marga Minco, Geert Lubberhuizen, Gerard den Brabander.
Zaterdag 2 juli 1960
De 60ste verjaardag van Gerard den Brabander
Foto Egidius van Dun