|
|
|
| |
| | | |
Tekst en annotaties | | | |
AENLEIDINGE TER NEDERDUITSCHE DICHTKUNSTE.
#
[1] DIE van
1 zijnen Geest
1 naer den Parnas
1 gedreven, in den schoot [2] der
Zanggoddinnen
2 nedergezet, en Apollo
2toegeheilight
2 [3]
wort, dient zijne genegenheit en yver
3door hulp van de Kunst
3, [4] en leeringe
4 te laten breidelen
4; anders
zal zulck een vernuft
4,
[5] hoe geluckigh
5 het oock
zy, gelijck een ongetoomt paert, in het wilt [6] rennen
5-6; terwijl een ander Dichter, door kunst en onderwijs
6 getoomt, den [7] hengst slacht
6-7, die, onder eenen goeden roskammer en berijder
7, met roede [8]
en sporen getemt en afgerecht zijnde, overal by kenners prijs
8behaelt
4-8. [9] Natuur
9
baert den Dichter; de Kunst
9
voedt hem op
9
9,
dies
9 geraeckt nie-
[10] mant tot volmaecktheit, dan die de natuur
10 te baet heeft
10, waer uit de | | | |
[11] kunst
11 haren zwier
11 en leven schept
11. Neemt hy voor in
Nederduitsch, zijn [12] moederlijcke tale, te zingen
11-12; des hoeft hy zich zoo luttel te schamen [13] als
12-13 de Hebreen
13, Griecken, Latijnen, de geburen der Latijnen
13, en zoo [14] vele andere uitheemsche
volcken, die hierom noch by alle weerelt, en [15] elck by zijne
lantslieden
14-15, eere in leggen.
Wat onze spraeck
15 belangt
15, [16]
die is, sedert weinige jaren herwaert
16, van bastertwoorden en onduitsch
16 [17] allengs geschuimt
17, en gebouwt
17, en geeft
den leerling nu veel vooruit
17, [18] om naer den palmtack in dit renperck
18 te rennen, tegens
18 en
voorby hen- [19] lieden, die met zulck een zure moeite en arbeitzaemheit
dit spoor on- [20] langs begosten te leggen
19-20. Zoo men uit hunne
gedichten en schriften, | | | |
[21] oock uit Neerlantsche
hantvestboecken
21, de eige
21manieren van spreecken [22] by een zamelt, en zich eigen
maeckt; daer is een schat van welspreken- [23] heit
22-23 by der hant, veel tijts gewonnen, en middel om noch
maghtigh in [24] nieuwe koppelwoorden (waer in onze spraeck niet min
geluckigh dan de [25] Griecksche is) aen te winnen
23-25, zoo men met oordeel te wercke ga.
Deze [26] spraeck wort tegenwoordigh in 's Gravenhage, de Raetkamer der
Heeren [27] Staten
26-27
26-27, en het hof van hunnen Stedehouder, en t'Amsterdam, de
maghtigh- [28] ste koopstadt der weerelt, allervolmaecktst gesproken, by
28 lieden van | | | |
[29] goede opvoedinge, indien men der hovelingen en pleiteren en
kooplieden [30] onduitsche termen uitsluite: want out Amsterdamsch is te
mal
30, en plat
30
[31] Antwerpsch te walgelijck, en niet onderscheidelijck
31 genoegh
25-31. Hierom [32]
moeten wy deze tongen
32
matigen
32, en mengen
32, en met kennisse besnoeien, [33] oock niet al te
Latijnachtigh, nochte te naeu gezet
33 en
nieuwelijck
33
[34] Duitsch spreken, maer zulcks dat de tong haer eigenschap
34niet en
ver- [35] lieze, waer van de hervormers onzer spraecke niet geheel vry
zijn
33-35. Men | | | |
[36] vermijde, gelijck een pest, de
woorden, tegens den aert onzer tale, te [37] verstellen
37; een evel daer doorluchtige
37
Italianen, Spanjaerden en.Fran- [38] schen oock van zieck zijn
37-38. Wy mogen hier in
38 nochte Griecken, nochte [39] Latijnen navolgen.
Wort hier tegens gezondigt, terstont verliest de [40] spraek haren
luister, en ons oor wraeckt
40 dat geluit;
eenen valschen [41] klanck, die de muzijck der tale bederft
35-41. In oude Hollantsche liederen
41 [42] hoort men noch een natuurlijcke
vrypostigheit
42,
vloeientheit.
42, en be- [43] vallijcken zwier; maer het gebrack
43 den
eenvoudigen Hollander aen op- [44] mercking
43-44 en oefening, om zijn geestigheit
44, uit een natuurlijcke ader [45] vloeiende, krachtigh op
te zetten
45,
en te voltoien
45. Het rijmen moet hy
45 [46] zich eerst gewennen, om rijckdom
van woorden en rijmklancken
46 gereet te [47] hebben, zonder het welck
de vaerzen kreupel en verleemt
47 zouden vallen
47, | | | |
[48] en zelfs aertige
48 vonden
48 en gedachten
hunne bevallijckheit verliezen. [49] Hierom waer het geraden eerst
eenige heilige of weereltsche historien
49, [50] oock
verzieringen
50, uit
Virgilius
50,Ovidius
50,
Amadis
50, en
Bokatius
50, te rij- [51] men
50-51, om
zich van de rijmkunste meester te maecken, en op de baen
51 te ge-
[52] raken. Men magh om het rijm en de maet de tael niet vervalschen
52, en ge- [53] lijck een kint stamelen en struickelen. Het
rijmwoort schijne niet ge- [54] vonden om het rijm te vinden, maer zy
zoo gestelt of het geen rijmterm [55] waer
54-55. Het vaers schijne
oock geen rymelooze rede
55, maer
trecke den aert [56] van een vaers aen
55-56, en sta wacker op zijne
voeten
56. Heeft het geene ze- | | | |
[57] nuwen
56-57, zoo hangt
het slap en vadzigh
57: is het te
gedrongen, zoo staet [58] het stijf, gelijck een lantsknecht
58 in zijn
harnas
56-58. De stijl zy snedigh
58, [59] en geen stomp mes gelijck. Het
59 scherpt
de zinnen
59, en maeckt een
goede [60] pen zich te gewennen een zelve zaeck en zin
60 op
verscheide manieren te [61] bewoorden, en cierlijck
61 uit te drucken
59-61. Vaerzen willen
gaerne vriende- [62] lijck
61-62 en zuiver
62 zijn: want de Zanggodinnen
zijn maeghden, aen wie vrien- [63] delijckheit en zuiverheit betaemt.
Voertmen zomtijts eenige harde
63vaer-
[64] zen
63-64 in, dat
moet uit geen gebreck
64, maer uit
de stoffe
64
geboren, en ter [65] zaecke vereischt worden. Bynamen moeten niet ledigh
staen, nochte voor [66] stopwoorden dienen, maer de beelden slachten,
die eenen balck of het [67] gewelf onderstutten, en hun werck doende,
met een tot cieraet
67des ge-
| | | |
[68] bouws strecken.
65-68 Wie voor Poeet wil gaen
68, moet van een' rijmer
68 wel Po [69] eet, maer
van Poeet geen rijmer worden; anders gaet men van de hooghste [70] in de
laeghste schole
70, en op de A B banck
70 zitten. Loven hem hierom de
[71] slechthoofden
71 dat vergult den rijmer
71,
gelijck een krans van boterbloe- [72] men den kinckel
72. De
laurier
72 wort den
Dichter niet van den gemeenen hoop
72 [73] geschoncken, maer van zulcken, die met
kennisse en zekerheit
73 de kroon [74]
uitreicken, en het snaterbecken
74 der
aecksteren
74 van
zwanezang
74 onder- [75] scheiden
72-75. Rijmers, die eerst
75 hun A B
opzeggen, vallen verwaendelijck [76] aen 't zwetsen
75-76, gelijck de quackzalvers, om hun zalfpotten te
venten. [77] Die wat verder komen, laten zich voorstaen
77datze groote bazen
77 in de
[78] kunste zijn, en zwetsen kunstiger
78, doch het
is met woorden van ander- [79] halven voet lang
78-79, of een doorgaende bravade
79, en loutere
blaeskaeckerye. | | | |
[80] Aldus winnenze gunst by den slechten
hoop
80, die den mont vergeet toe te [81]
doen, en gelijck naer hemelval
81 gaept. d'Alleroutste en beste
81 Poëten [82] zijn de natuurlijckste
en eenvoudighste. De nakomelingen, om hen voor- [83] by te rennen,
vielen uit eerzucht of aen het snorcken en poffen
83, of [84] vernissen en blancketten. Dat
behaeghde in het eerst, gelijck wat nieuws, [85] den min verstandigen,
en klonck den nieusgierigen
85, gelijck een donder- [86] slagh, in d'ooren:
doch het verwonderen
86 duurde een korte wijl, en de [87] wackerste oogen
zagen hier door
87;
en d'outsten tegens de jonger wercken, [88] in de schale van een
bezadight oordeel, opgewogen, vielen de lesten te [89] licht
87-89, en d'outsten behielden den verdienden prijs
89. Om dan
89 opgeblazen- [90]
heit
89-90 en kreupelheit
90 te
vermijden, zal
90 men niet plat op
d'aerde vallen
90, [91] en in het stof kruipen
91, nochte doorgaens
91 al te
snel zonder noot
91
aenja- [92] gen
91-92, maer op zijn pas
92 voortdraven
92, en wel
letten
92 waer
men rijzen
92, waer [93] men wenden en keeren
93 moet; en, gelijck een goet muzikant, den
toon naer [94] den aert der zaecke
94
weten te schicken
93-94, dan laegh, dan
middelbaer, dan | | | |
[95] hooger. Zommigen heffen hoogh op
95, en laten het uit onvermogen
95laegh [96] vallen
95-96. Een goet zangmeester
96
kent zijne stem, en spant de keel niet [97] uit hare kracht
96-97. Lichtvaerdige dertelheit
97, zotte pracht, en ongheschick- [98] te
97-98
overdaet is geen cieraet
98, dat een gezont oordeel vergenoegt
98. Elck
[99] ding wil met zijn eige maniere van spreken uitgebeelt, en niet al
te [100] verre gezocht worden
98-100.
Verciertge uw vaers met bloemwerk
100 naer den stijl [101] [der] Rederijckkunste
101;
hael het niet te wijt
101, maer blijf by een voege- [102]
lijcke verwe
101-102, en binnen het besteck van verstaen te willen wezen
102. Zal
102 [103] een
ander uwe rol
103 verstaen
103;
verstaze eerst zelf te dege, en spreeck [104] klaer
104. Eenigen
schrijven al willens
104 duister,
en willen zich zelfs
104 niet [105] verstaen, op dat men zich hier
over verwondere
105, en hun dit tot
105wijsheit [106]
toeschrijve
106. Anderen schrijven slecht
106 van
heerlijcke
106dingen, en
schil- | | | |
[107] deren de zon met houtkole. Een leergierige
lette wel op de lessen en [108] regels der kunste
107-08, gevonden uit het voorbeelt der
treflijckste
108 Dichte- [109] ren. Hy bevlijtige zich om
dagelijx toe te nemen in kennisse van ver- [110] scheide
109-10wetenschappen
110, om, is het
niet van alles volmaecktelijck, dat [111] zwaer ja onmogelijck valt, ten
minste ter loop
111 van vele
dingen kennis [112] te hebben, om zijn werck naer den eisch uit te
voeren. Zoo treckt en [113] vergadert de honighby haer voetsel uit alle
beemden en bloemen
112-13
113. Het [114] waer raetzaem
Salomons wijze spreucken
114,
Cicero,
Seneka
114, en
Plutarchus [115] wercken van de
zeden
114-115, en het leven der doorluchtige
115
mannen
115, en dier-
[116] gelijcke schriften
115-16 te lezen, en te herlezen. Wie in den vloet dezer
[117] pennen zwemt
116-17, zal overvloeien van
zinrijcke gedachten en vaste stel- [118] lingen
117-18. De Beeldenaer
118 van den geestrijcken
118 Ridder
118,
Cesar Ripa, nu in | | | |
[119]
Nederlantsch verduitscht, bestellen
119geestige
119
vonden, om het werck le- [120] vendigh uit te drucken
119-20, en
rijckelijck te bekleeden
120. Kennis van uit- [121] heemsche spraecken
vordert niet weinigh
121, en het overzetten uit vermaer-
[122] de Poëten helpt den aenkomende Poeet, gelijck het kopieeren
van kunsti- [123] ge meesterstucken den Schilders leerling. Dees begint
eerst van
123
eenige [124] leden
124 en deelen,
eer hy een geheel lichaem tekent; en eerst van een [125] geheel lichaem,
eer hy een historie
125 van
125 verscheide
beelden
125
ordeneert
125, [126] en gansche vertooningen
126
op het panneel, als op een tooneel, stelt. Wan- [127] neer de deelen,
elck in 't byzonder
127
wel waergenomen
127 zijn, dan zal het [128] geheele werck wel
128 volgen, daer men
niet aen beginnen magh, voor dat men [129] een vast begrijp, hant, en
handelinge van de byzondere deelen hebbe
128-29. [130 Zoo
130
ziet men den besten meesteren de kunst af, en leert, behendigh ste-
[131] lende, een' ander het zijne te laten
130-31. Wie leerzaem
131 is, late
zich de be- [132] ginsels
131-32,
die altijt moeielijk vallen, niet verdrieten. De kleenen leeren | | | |
[133] zoo aen stoelen en bancken gaen
133: daerna, stouter
133 en
steviger
133
geworden, [134] durvenze afsteecken
134, en
behoeven geene ondersteunsels meer: anders
134 ver- [135] gaept men zich te verwaent
135
aen eige inbeeldingen
135, en vervalt in grove
[136] misslagen, terwijl
136 men wijzer
dan zijn leitsman wil geacht zijn. Aldus [137] heeft
Virgilius, de Prins der Poeeten zelf, oock
van
Homeer en anderen [138] vele
ontleent, en uit de Griecksche tale met zulck een oordeel
138 inge- [139] voert, dat hy'er onsterflijcken lof
uit haelde
137-39.
Evenwel indien ghy ee- [140] nige bloemen op den Nederlantschen Helikon
plucken wilt, draegh u [141] zulcks
140-41, dat het
141 de boeren
141 niet mercken, nochte voor den Geleerden
141al
[142] te sterck doorschijne
139-42. Op zijn eige
riemen
142 zich op dit
gevaerlijcke [143] vaerwater
142-43begevende, moet men zijne kracht overwegen,
eer het schip zee [144] kieze. Menighten lijden hier schipbreuck, die,
door verwaentheit aen- [145] gevoert, ja vervoert
144-45, zich te vroegh en te diep
145 op dezen Oceaen
wagen, [146] en niets is 'er schadelijcker als eige liefde, die fraeie
vernuften
146 ver- [147] blint, en onderhout
147. Die naulix twee of zes goede regels
147 weet uit te | | | |
[148] wercken
147-48, wil een lierdicht opzetten. Die qualijck
148 een
lierdicht
148kan
148, [149] wil
voort een treurspel spelen
149,
of een heldenwerck
149 trompetten
149. By trap-
[150] pen
149-50
klimt men eenen toren op, en niet zonder trappen, ten zy met ge- [151]
vaer van den hals te breecken. d'Een bereickt langsamer, d'ander snel-
[152] ler den top der volkomenheit; hoewel men hier
152 naulijx
volkomenheit vint, [153] om dat die de maet van 's menschen vermogen
overtreft
153. Beveel
153 het
papier [154] niet terstont al wat u in den zin schiet, maer toetst uwe
inbeeldingen
154, [155] vonden
155 en
gedachten
155 ofze der penne en den dagh
155
waerdigh zijn. Ghy ziet [156] hoe de hoenders, den kop in de lucht
stekende, met smaeck en nasmaeck
156 [157] drincken, en de gezonde schapen het gras
erkauwen. Zoo doende zullenze
157
[158] de bladen niet met beuzelingen beslaen, en dingen, die niet om het
lijf [159] hebben, nochte den lezer met den ydelen
159 dop zoecken te
paeien
159, maer
met [160] pit
160, en een keerne
van goeden smaeck
160 verzaden. Het luit oock spottelijck
160 [161] een nieuwe wijze
161 op de baen te brengen
161,
als 'er geene kunst
161 in
gemerckt
161
[162] wort. Boven al let wel op de orde of den draet van uwe rede, en
het [163] vervolgh van zaecken
162-63: want zelfs geleerde bazen
163, die groot schijnen
163, | | | |
[164] zijn zomtijts wispelturigh
164,
springen van den os op den ezel
164, en mengen [165] alle
elementen onder een
165. Een
zelve zaeck dickwils
165 te zeggen en her- [166] zeggen, geeft armoede
166 en
gebreck van stoffe te kennen, en behalve dat [167] het verveelt, voeght
167 het de
rederijckheit
167 niet. Ontbreeckt het u aen [168] vonden en stof
168, zijt liever kort dan verdrietigh
168 lang. Zet ghy een werck [169] op van eenen langen
adem; laet het in 't midden, nochte in 't einde niet [170] bezwijcken,
maer doorgaens
170volstaen
170, overal zich zelf gelijck zijn, en [171] zijnen meester
nergens beschamen. Wie zijn zwackheit gevoelt, dient [172]
nootzaeckelijck raet te zoecken by anderen, en elck meester in zijn
[173] kunste en ambacht te gelooven, en de volmaeckste manieren van
spreken [174] en wercken by hen uit te kiezen. Een rechtschapen
174Dichter slachte
174 de
[175] stroomen
175, die niet
af maer altijt toenemen, en met eenen vollen boezem
175 [176] endelijck in de rijcke zee
uitbruizen
176
174-76. Hoe het werck grooter
is, hoe
176
[177] daer meer kunst en oordeel toe vereischt wort: en gelijck de
schilders [178] in kleene beelden de gebreken en misslagen kleen
rekenen; zoo openbaert [179] zich de misstellinge en 't gebreck
179, naer
179 de
grootheit
179 der personaedjen [180] en zaecken, te
grooter
180. De leergierige volge dezen gulden regel, die [181]
zich wijdt uitstreckt
180-81, om zijn werckstuck doorgaens geluckigh uit te
| | | |
[182] voeren
181-82, dat is, dat hy
lette op den staet
182, eigenschap
182 en gesteltenis
182
[183] van elcke personaedje en zaecke, en die elck naer heur natuur
uittekene. [184] Wie dit maghtigh is, en daer den slagh van heeft, kan
veel velts winnen
184, [185] en zal altijt binnen de palen
185 der
voeghelijckheit
185 blijven; een deught, [186] die in
Virgilius zoo heerlijck
186 en
goddelijck boven alle zijn overvloedige [187] kunstdeughden
186-87 uitmunt
187
186-87. Nu behoef ick niet in 't breede
en wijtloopigh [188] t'ontvouwen hoe men zich te schicken hebbe
188naer een ieders ampt, oude
188, kun-
[189] ne
188-89, lantsaert,
gelegenheit
189,
hoedanigheit, en wat des meer zy. Aldus geeft [190] een kunstigh
190
schilder elck dingh zijn eige verf
190. Wie de natuur
aller- [191] naest volght
190-91, die is de rechte
191
Apelles
191, en zoude, gelijck d'aeloude [192]
penseelen
192, niet
alleen menschen, maer zelfs dieren en vogels verkloecken
192. | | | |
[193] Maer om veiliger en vaster
193 te gaen
193, geef
uwe dichten niet in uwen eersten [194] yver
194 aen den
dagh
193-94. Laetze een goede wijl
194 onder u rusten: ga'er
dan [195] eens en anderwerf, ja zevenwerf, met versche zinnen
195 over
194-95: want ons [196] oordeel is, naer
196 de
gesteltenis der herssenen, gelijck de lucht
196, zomtijts
[197] helder, zomtijts betrocken
197. Een
Dichter heeft zijne luimen
197: hierom
[198] laet het gedicht van eenen Aristarchus
198, ja
verscheide keurmeesteren
198 [199] keuren. Dese zullen
uitmonsteren
199al wat misstaet, zoo wel dat de Kunst, [200] als de
zeden betreft, waer in
200menigmael deze goddelijcke wetenschap
200 [201] jammerlijck misbruickt
wort: en gelijck het zwaerste meest weeght
201, zoo [202] moet men zich
wachten voor ongebondene
202 en
oneerlijcke
202
woorden en vonden
202,
[203] daer niet dan
203 laster
203voor den
Dichteren in 't algemeen uit ontstaet: [204] want dit gaf oorzaeck
204,
dat eertijts
204 de
Rederijckkamers gesloten, de | | | |
[205] tooneelen verboden
wierden. Indien men bordeelspreucken en spreeck- [206] woorden
205-206, en vuilicheit van hoeren en boevejaght
206 uitbant, zoo zal de [207]
Schouwburgh een eerlijck
207
tijtverdrijf strecken, en oock voor deftige [208] lieden openstaen. Wie
zich hier tegens verloopt
208,
bederft de zeden, en [209] den luister van zijn werck
208-09. Ioocken
209 uwe ooren
naer eenen vleier, die [210] elck naer den mont spreeckt, ghy bedrieght
niemant dan u zelven. Haetghe [211] den openhartigen bestraffer, die
geene gebreken verschoont
211, zoo blijftghe [212] daer in
212 steecken. Zulcke eigenzinnigen, of eer
212
kranckzinnigen, zijn [213] niet te raden
213, randen menighmael in hun razende kortse al raeskallende
[214] de geneesmeesters aen
213-14, en leeren wie men schuwen moet
214. Zy willen hun
[215] ontstelt
215 en misstelt
215 werck van geene fixe
215lezetters
215 aengetast
215 nochte
[216] gehandelt hebben, en schricken voor de moeielijckheit
216en
pijne van het [217] misstelde
217
been te herstellen, en in het rechte lidt
217 te voegen,
zonder [218] eens
218 te
bedencken dat de Goden de beste dingen voor zweet en arbeit [219]
verkoopen
218-19. Zy liefkoozen hun
wanschepsels, gelijck een aep zijne jongen. | | | |
[220] Een
omzichtigh
220 en
leerzaem
220 geest
bemint Apolloos
220 zonneschijn, die alle [221]
vezeltjens en stofkens ontdeckt
221.
Kunsten
221, die den brootzack vullen, en [222] alleen den
buick dienen, zijn haest
222 goet genoegh: een
Dichter behoort [223] hemelval
223 en de
spraeck der Goden te spreecken. De hemelsche Poëzy wil [224] niet
op den middeltrap, maer moet in top staen
224,
en op den toetssteen [225] van een beslepen oordeel proef houden
224-25, naer de wetten by de Geleerden
[226] daer toe voorgeschreven, waer toe wy gewezen worden
226. Ondertusschen
226 [227] heb ick deze korte Aenleidinge
ter Nederduitsche Dichtkunste, op het [228] aenhouden
228 der
leergierigen, by my
228 aldus
228, gelijck
een ruwe schets, [229] ontworpen; om de welcke naer den eisch op te
maecken
229 meer bladen [230] papiers noodigh waren: daerom
sla ick voor dezen tijt
230 de voeten en [231] maet der vaerzen
231,
en den ommetreck en aert
231 van allerhande rijmen en [232]
dichten
231-32 over. Vele andere dingen willen liever met de levendige
stemme
232 [233] en voorbeelden, dan met de penne beduit worden:
derhalve te wenschen [234] waer, dat geestrijcke vernuften
234, onder het
beleit van geleerde Mecenaten
234, [235] hier over zomtijts onderling
raetpleeghden, en zoo eenen nieuwen [236] Parnas, naer den stijl van
Italie
236, oprechtten, daer men, zonder afgunst, | | | |
[237] onzijdigh
237 elcks
oude en nieuwe dichten toetste; zoo wel om de schoon- [238] heit en
aertigheit
237-38 te volgen, als om onze
238misslagen, uit een edele
[239] eerzucht, te mijden, en door dien middel de Neerlantsche
Poëzy haren [240] vollen glans te geven. [241] t'Amsterdam
1650. den 25 van Grasmaent
241. [242]
J.V. Vondel
|
#Aenleidinge ter Nederduitsche
dichtkunste: introductie tot / raad voor beginners bij de beoefening der
Nederlandse poëzie.
1Geest: natuurlijke aanleg (cf.
Lat. ingenium).
1Parnas: Parnassus, berg in Griekenland,
gewijd aan Apollo en de Muzen.
2Zanggoddinnen: de negen Muzen,
patronessen van kunst en wetenschap.
2Apollo: god van kunst en wetenschap,
leider der Muzen.
3genegenheit en yver: aandrift en heilige
ijver.
3Kunst: literaire theorie en techniek
(cf. Lat. ars).
4leeringe: onderricht (cf. Lat.
doctrina).
5-6in het wilt rennen:
doordraven.
6kunst en onderwijs: zie Kunst, r.
3 en leeringe, r. 4.
6-7den hengst slacht: op de hengst
lijkt.
7onder [...] berijder: door iemand die
hem duchtig roskamt en goed afrijdt (dresseert).
4-8Voor het beeld van het paard cf. Grootes
1972, p. 87-88, die erop wijst dat dit haast een gemeenplaats is in verband met
de waarde van discipline.
9Natuur: de scheppende natuur.
9Kunst: kunst als door onderricht en
oefening te verwerven theoretische kennis en praktische vaardigheid.
9voedt hem op: brengt hem groot, doet hem
rijpen.
9Natuur [...] op: zie inleiding.
10natuur: Vondel maakt geen onderscheid
tussen de scheppende en de geschapen natuur, de werkelijkheid. Als object bij
‘te baet heeft’ bezit ‘natuur’ de eerste, als
antecedent van ‘waer’ de tweede betekenis.
10die [...] heeft: die door de natuur met
talent gezegend is, die van nature begaafd is.
11kunst: kunst als artistieke, mimetische
activiteit.
11-12Neemt hy voor in Nederduitsch [...] te
zingen: kiest hij ervoor in het Nederlands [...] te dichten (dus niet in de
klassieke talen, zoals aanvankelijk de meeste Renaissance-dichters deden, een
traditie die trouwens tot in en ver na Vondels tijd nog werd
voortgezet).
12-13des [...] als: dan hoeft hij zich
daarvoor even weinig te schamen als.
13Hebreen: de dichters wier werk in de
bijbel overgeleverd is, m.n. David, dichter van vele psalmen. Als direct door
God geïnspireerde en tevens oudste dichters nemen zij in Vondels opsomming
de eerste plaats in.
13de geburen der Latijnen: Vondel kan
bedoelen de Italianen, directe buren van Latium (=Rome) of ruimer de dichters
in de Romaanse talen (Italiaans, Frans) die in de buurt van het Latijn liggen.
In het eerste geval heeft hij dichters op het oog als Dante en Petrarca die het
Italiaans voor hun poëzie gehanteerd hebben, in het tweede geval daarbij
nog de Pléiade.
14-15die [...] noch [...] elck by zyne
lantslieden: ‘die’ slaat op beide groepen dichters, oude en
moderne; ‘noch’ heeft voornamelijk betrekking op de oude,
‘elck by zyne lantslieden’ op de moderne.
16sedert [...] herwaert: in de loop van
een korte achter ons liggende periode.
16bastertwoorden en onduitsch: synoniemen
waarmee Vondel doelt op de extreem verfranste taal uit de Bourgondische
periode.
17geschuimt: gezuiverd, nl. door
invloedrijke puristen die sinds de tweede helft van de 16de eeuw werkzaam waren
(Van den Branden 1956, passim).
17geeft [...] vooruit: geeft een
gunstiger uitgangspositie (de leerling begint wel later dan zijn voorgangers,
maar kan toch de wedstrijd winnen omdat hij, niet gehinderd door taalproblemen,
sneller vooruit kan).
18dit renperck: nl. dat van de
‘Nederduitsche dichtkunste’.
18tegens: in competitie met.
19-20dit spoor [...] te leggen: deze baan
(nl. het zuiveren en opbouwen van de taal) [...] uit te zetten (de beeldspraak
is t.o.v. het voorafgaande enigszins verschoven).
21hantvestboecken: verzamelingen van
oorkonden en privileges in de landstaal; vóór de Bourgondische
periode waren die redelijk zuiver (De Vooys 1952, p. 44-45).
21eige: authentieke,
inheemse.
22-23schat van welsprekenheit: rijke
voorraad voorbeelden van correct taalgebruik (cf. copia
verborum).
23-25om [...] aen te winnen: om nog een
grote winst aan nieuwe samenstellingen te boeken, waarvoor onze taal zich niet
minder goed leent dan de Griekse. Vondel noemt hier een taalkundige
gemeenplaats van zijn tijd. Spiegels befaamde Twe-spraack (1584) merkt
over ‘ghelaschte wóórden’ op dat het Nederlands
daaraan even rijk is als het Grieks (Spiegel 1962, p. 54). Zie voorts Van den
Branden 1956, p. 159, 195 en 203.
26-27De Raetkamer der Heeren Staten: de
bijstelling kan als metonymische omschrijving voor Den Haag worden opgevat.
I.v.m. de ‘pleiteren’ van r. 29 overwege men voorts dat vele
afgevaardigden juristen waren.
26-27Staten: de Staten van Holland zijn
bedoeld omdat ‘hunnen Stedehouder’ niet op de Staten-Generaal kan
slaan en omdat het bovendien aannemelijk is dat de gedeputeerden van de andere
provincies een (in Vondels oren) erbarmelijk Nederlands hebben
gesproken.
30plat: gewoon, onvervalst.
31onderscheidelijck: precies. Nog in 1679
werd Vondel geprezen door de dichter
Oudaan omdat hij niet als de platte
Amsterdammers ‘pijl’ en ‘peil’, ‘rijzen’ en
‘reizen’ door elkaar haalde (Caron 1971, p. 10).
25-31In deze passage wijst Vondel aan waar het
door hem bedoelde ‘geschuimde en gebouwde’ Nederlands te vinden is,
nl. bij ‘lieden van goede opvoedinge’ zoals die als juristen en
hovelingen in Den Haag, en als kooplieden te Amsterdam aanwezig zijn. Zij
spraken een ‘nog al vormelijk Nederlands bij officiële en
half-officiële gelegenheden’ dat aanleunde tegen de normatieve
geschreven taal en blijkbaar door Vondel in syntaxis en uitspraak als
voorbeeldig werd beschouwd (Koelmans 1977, p. 24). Ironisch is echter de
restrictie die onmiddellijk volgt: van juist dezelfde groepen moet men niet het
bastaardjargon (Frans en m.b.t. de kooplieden ook Italiaans) volgen. Met het
‘want’ in r. 30 maakt het betoog een lichte zwenking, zij het dat
er in eerste instantie een nadere verklaring voor de restrictie ‘lieden
van goede opvoedinge’ gegeven wordt. De oude dialecten van de voornaamste
steden van de Nederlanden - gesproken door de lagere standen - zijn niet
bruikbaar. Men kan hier zowel aan uitspraak als woordgebruik denken, beide
gedemonstreerd in Bredero's Spaanschen Brabander (Stutterheim 1974, p.
105-06). Zie voor de uitleg van deze passage Hellinga 1938, p. 174 die vooral
aan woordgebruik denkt, en Caron 1971, p. 10 die de uitspraak, m.n. de
Amsterdamse diftongering, op de voorgrond plaatst.
32tongen: manieren van spreken.
32matigen: van hun al te uitgesproken
dialectkenmerken ontdoen.
32mengen: er staat Vondel dus een soort
eenheidstaal voor ogen die is opgebouwd uit het Nederlands van de leidende
klassen in de grote steden van het Westen des lands en waarin ook plaats is
voor zuidelijke elementen, ingebracht door immigranten, die vaak juist een
belangrijke culturele rol in de republiek speelden. Een dergelijke taal moet
men dan wel ‘met kennisse besnoeien’ d.w.z. ontdoen van allerlei
wildgroei.
33naeu gezet: angstvallig.
33nieuwelijck: neologistisch.
34eigenschap: eigen aard.
33-35Zoals vaker (bijv. r. 89 e.v.) laat Vondel
een waarschuwing tegen een bepaalde fout volgen door een waarschuwing nu ook
weer niet te sterk de andere kant op te gaan. Voor ‘oock’ (r. 33)
denke men zich een woord als ‘echter’. Het snoeien van de taal moet
niet inhouden dat men haar nu met geweld op Latijnse leest wil schoeien. Dat
gevaar was zeker niet denkbeeldig bij sommige grammatici (cf. De Vooys 1952, p.
75) en tot werkelijkheid geworden in het Taciteïsche Nederlands van
Hoofts Historiën. In dat
werk kan men trouwens ook het overdreven purisme aantreffen waartegen Vondel
zich hier kant, maar dat overigens al stamt van de taalbouwers uit de 16de
eeuw.
37verstellen: op een ongebruikelijke
plaats zetten.
37doorluchtige: roemrijke.
37-38daer [...] van zieck zijn: waaraan
[...] lijden.
38hier in: nl. op het gebied van de
woordvolgorde.
35-41Vondel noemt als voorbeeld van het
‘te Latijnachtigh’ spreken de stijlfiguur hyperbaton, d.w.z.
het gebruiken van een ongewone woordvolgorde. Ook door de grammatici werd
hiertegen gewaarschuwd: ‘[...] te seggen; Ik hebbe gebeden God,
voor, ik hebbe God gebeden [...] De gunste goed, voor; de
goede gunst[...] ende diergelijke wijse van spreken meer; is het Nederduytz
Walzelick (=op z'n Frans), ende valzelick verdraijd, ende onder decksel van
rijm niet te lijden’ (De Hubert 1624, p. 123; vgl. Van Heule 1625, p. 87
en Ampzing 1628, p. 4-5 en 45-46). De hyperbaton is een zeer kenmerkende
stijlfiguur voor de Italiaanse barokke dichters, bijv.
Marino (cf. Hugo Friedrich 1964, p.
549-50, 697 en 726). In Spanje komt de figuur veel voor in het werk van
Gongora (cf. R. Bray 1968, p. 95). Voor
Frankrijk geeft
Ronsard eenzelfde waarschuwing als
Vondel: ‘Il faut dire, le Roy alla coucher de Paris à
Orléans, et non pas, à Orléans de Paris le Roy coucher
alla’ (Ronsard 1965-66, II, p. 1022). In de klassieke talen staat o.a.
door het naamvalssysteem de woordvolgorde veel minder vast dan in de moderne
talen. Vandaar dat navolging der klassieken in dit geval niet gewenst is.
Overigens is het opvallend dat Vondel in deze passage zo uitsluitend vanuit de
taal redeneert en daardoor geen oog lijkt te hebben voor het vermogen van de
door hem gewraakte dichters om juist door woordverplaatsing speciale effecten
te bereiken. Maar, misschien moeten we ook de didactische context in het oog
houden: Vondel geeft onderwijs aan beginners die zich beter niet aan dergelijke
hoogstandjes kunnen wagen.
41oude Hollantsche liederen: hoewel in de
loop van de 17de eeuw de liederen van voor de Renaissance in vergetelheid
dreigden te raken, probeerde men toch ook ze weer in zwang te brengen. Typerend
daarvoor is het Haerlems Oudt Liedt-boeck (1e dr. omstr. 1648) waarin
juist veel oude liederen opgenomen zijn (Kalff 1883, p. 692-715, spec. p. 711.
i.v.m. Vondel).
42vrypostigheit: ongedwongenheid.
42vloeientheit: natuurlijke, melodieuze
gang van de zin.
43-44opmercking: theoretische
aandacht.
44geestigheit: geïnspireerde
vondsten.
45op te zetten: te ontwikkelen.
45te voltoien: definitief vorm te geven.
In deze zin worden via de termen ‘oefening’ (44),
‘natuurlijcke ader’ (44) en ‘opmercking’ (43-44) de
begrippen exercitatio, natura en ars weer te berde
gebracht.
45hy: nl. de aankomende dichter (het
laatst genoemd in r. 17).
46rijckdom van woorden en rijmklancken:
opnieuw de gedachte dat men als het ware een letterkundige voorraad kan
aanleggen (cf. r. 22-23).
47kreupel en verleemt: dezelfde
beeldspraak ook in r. 56 en 90. Ook nu kan men nog van kreupele en hinkende
verzen spreken.
49heilige of weereltsche historiën:
verhalen uit de bijbelse of profane geschiedenis.
50verzieringen: verzonnen
verhalen.
50Virgilius: Publius Vergilius Maro
(70-19 voor Chr.): Romeins dichter. Zijn bekendste werken zijn de
Georgica, een leerdicht over de landbouw, kwekerij, veeteelt en
bijenteelt, de Bucolica of Eclogae, herdersdichten, en de
Aeneis, het nationale epos der Romeinen, geschreven in navolging van
Homerus.
50Ovidius: Publius Ovidius Naso (43 voor
- 18 na Chr.): Romeins dichter. Zijn Metamorphoses,
gedaanteverwisselingen, komen het meest voor navolging in aanmerking.
50Amadis: Amadis de Gaula,
hoofdpersoon uit de romans van de Spaanse schrijver
Garcia Ordoñez de Montalvo en
zijn epigonen. Er zijn diverse Nederlandse vertalingen van deze romans
verschenen.
50Bokatius: Giovanni Boccaccio
(1313-1375): auteur van de Decamerone.
50-51rijmen: op rijm zetten.
52vervalschen: onnatuurlijk
maken.
54-55zy [...] waer: moet er zo staan
alsof het er zonder rijmdwang ook gestaan zou hebben.
55-56trecke [...] aen: moet aannemen; dit
zinnetje vervult in Vondels redenering, een ‘scharnierfunctie’, en
slaat zowel op het al besproken rijm als op het nog te behandelen metrum als
essentiële eigenschappen van poëzie.
56sta [...] voeten: sta stevig op zijn
voeten (woordspeling met versvoeten).
58lantsknecht: voetknecht.
56-58De zin ‘Heeft ... harnas’ kan
slaan op het metrum, maar ook op de syntaxis of de stijl. ‘Heeft ...
zenuwen’ kan dan betekenen ‘Heeft het geen goed metrum’, maar
ook ‘Zit het te los in elkaar’. Dienovereenkomstig kan ‘Is
... gedrongen’ betekenen ‘Heeft het vers een al te overheersend
metrum’, of ‘Is het al te beknopt’. Lausberg noemt
nervosus in voorbeelden die over stijl gaan (Lausberg 1960, par. 1246).
Piger (‘vadzigh’) wordt daarentegen gebruikt voor het ritme
(Lausberg 1960, par. 961 en 1054). Vondel zelf past in de voorrede tot de
Jeptha ‘zenuwen’ toe op het metrum ( WB VIII, p. 778,
r. 149).
58snedigh: scherp, raak. Cf. het
acutum (Lausberg 1960, par. 540, 3 en par. 1072) als kwaliteit van de
ornatus: het intellectueel interessante, spitsvondige. Als de
ornatus het acutum mist, is ze hebes, ‘stomp’
(Lausberg 1960, par. 1072).
61cierlijck: fraai, met retorische
ornatus.
59-61Het op verschillende wijzen behandelen van
dezelfde stof is in de retorische handboeken een van de oefeningen
( exercitationes) om de praktische vaardigheid in de ars op peil
te houden (Lausberg 1960, par. 1097 en par. 1104-1139).
61-62vriendelijck: gelijk te stellen met
dulcis, amabilis, iucundus, is als een verwijzing te zien
naar de eigenschappen waardoor een literair werk kan delectare, bekoren,
vermaken (Lausberg 1960, par. 257, 2a). In zijn vertaling van Horatius' Ars
poetica gebruikt Vondel ‘vriendelijck’ als vertaling van
dulcis: ‘Het is niet genoegh dat gedichten schoon zijn; laetze
oock vriendelijck wezen, en 't gemoedt des toehoorders voeren waerze
willen.’ ( WB VII, p. 360, r. 87-89).
62zuiver: verwijst mogelijk naar
‘niet vervalschen’ uit r. 52.
63harde: hardklinkende, stroeve, bijv.
door de aanwezigheid van hiaten of botsende konsonanten.
63-64vaerzen: versregels.
64stoffe: aard van de stof.
65-68Epitheta moeten tegelijkertijd versieren en
functionele informatie geven. Zo dienen ze de ornatus en het
aptum (Lausberg 1960, par. 676). De vergelijking met karyatiden komt ook
voor bij
Cicero De oratore III, 180 en bij
Ronsard in zijn Abbrégé de
l'art poétique françois (Ronsard 1965-66, II, p. 1001) en in de
(3e) voorrede tot de Franciade (Ronsard 1965-66, II, p. 1017). (Grootes
1973, p. 92).
68Wie [...] gaen: Wie de naam dichter
terecht wil dragen.
68rijmer: iemand die in tegenstelling tot
de ‘Poeet’, van het dichten alleen een aantal vaardigheden
beheerst, maar verdere kwaliteiten mist.
70schole: schoolklas. Een andere
mogelijkheid is dat Vondel hier bedoelt: Van het hoogste naar het laagste
schooltype.
70A B banck: de bank voor beginnende
leerlingen, die nog moeten leren lezen.
71slechthoofden: sukkels,
onnozelen.
71dat [...] rijmer: dan is de
‘rijmer’ daarmee verguld. Cf. de kleur van de boterbloemen.
72den gemeenen hoop: het gewone volk, het
grote publiek.
73zekerheit: vast oordeel. Een
17de-eeuwer meende dat het mogelijk was aan de hand van vaste normen een
waardeoordeel uit te spreken over artistieke zaken.
74snaterbecken: kwetteren.
74zwanezang: de zwaan, van wie vele
klassieke dichters meedelen dat hij prachtig zingt, is een symbool voor het
ware dichterschap.
72-75In de Renaissance herleefde het klassieke
gebruik dat beroemde dichters als bewijs van eer met een lauwerkrans gekroond
werden. Vondel zou een dergelijke kroning zelf in 1654 bij het St.-Lucasgilde
ten deel vallen.
75-76vallen [...] zwetsen: beginnen te
snoeven; cf.
Horatius: Gelijck de stadts roeper de
lieden om iet te koopen te zamen roept, zoo doet de poeet die lantrijck is, en
veel gelts op woecker zet, de vleiers tot het gewin loopen. (Horatius WB
VII, p. 369, r. 360-63).
77laten zich voorstaen: verbeelden
zich.
78-79woorden [...] lang: lange, kunstig
gevormde woorden; cf. Horatius: sesquipedalia verba (Horatius AP,
r. 97).
80den slechten hoop: = ‘den
gemeenen hoop’ (r. 72).
81gelijck naer hemelval: als naar taal
die direct afkomstig is uit de hemel.
81d'Alleroutste en beste: de alleroudste
en dus de beste.
83snorcken en poffen: snoeven, opgeblazen
taal hanteren. (Dit in afwijking van de eenvoud der Ouden. Het
overdreven gladstrijken en ‘opmaken’ van het literaire produkt,
‘vernissen en blancketten’, verdoezelt de klassieke
natuurlijkheid).
85den nieusgierigen: degeen die belust is
op nieuwigheden.
86het verwonderen: de verbaasde
bewondering.
87zagen hier door: doorzagen dit.
87-89en d'outsten ... licht: wanneer de
oudste geschriften bedachtzaam afgewogen werden tegen de jongere, dan bleken de
laatste te licht.
89-90opgeblazenheit: gezwollenheid. Cf.
Vondels vertaling van de Ars Poetica: ‘Die groote dingen voor
heeft is opgeblazen. Die al te veiligh wil gaen en voor onweder vreest, kruipt
langs de aerde’ ( WB VII, p. 358, r. 24-25).
90kreupelheit: gestrompel.
90plat op d'aerde vallen: in
platvloersheid vervallen.
91in het stof kruipen: langzaam
voortgaan, laag bij de grond blijven.
91doorgaens: voortdurend.
91zonder noot: zonder noodzaak.
91-92aenjagen: voortjagen,
voortijlen.
92op zijn pas: in regelmatig
tempo.
92voortdraven: voortgaan.
92wel letten: goed opletten.
92rijzen: nl. in verhevener stijl
dichten.
93wenden en keeren: inhouden, weer naar
een lager stijlniveau zakken.
94den aert der zaecke: de inhoud.
93-94naer [...] schicken: met [...] in
overeenstemming brengen, aan [...] aanpassen.
95heffen hoogh op: zetten hoog
in.
95uit onvermogen: omdat ze het niet
kunnen volhouden.
95-96laten het [...] laegh vallen: zakken
diep.
96zangmeester: zangkunstenaar.
96-97spant [...] uit hare kracht:
forceert.
97dertelheid: loszinnigheid; toegepast op
de literatuur: dichterlijke vrijheden (cf. Lat. licentia
poetica).
97-98ongheschickte: misplaatste.
98cieraet: verfraaiing
( ornatus).
98-100Elck ... worden: Elke zaak wil
adequaat en niet op vergezochte wijze onder woorden gebracht worden.
100bloemwerk: stijlfiguren,
beeldspraak.
101Rederijckkunste: Retorica.
101hael het niet te wijt: zoek het niet
te ver, maak het niet te bont.
101-102voegelijcke verwe: passende
kleur.
102en ... wezen: binnen de grenzen der
beoogde verstaanbaarheid.
103verstaen: begrijpen, horen.
104al willens: met opzet.
104zelfs: zelf. Vondels afkeer van gewild
duistere poëzie blijkt uit het begin van het wat spottende gedicht waarmee
hij zowel
Huygens als de Engelse
maniëristische dichter
Donne op de korrel neemt ( WB III,
p. 415): ‘Op de diepzinnige puntdichten van den engelschen poet John
Donne. Vertaelt door C. Huigens’.
Schijnt niet voor ieders oogen,
Seit Huigens, ongeloogen [...].
105op dat men [...] verwondere: opdat men
hiervoor in verbaasde bewondering raakt.
106toeschrijve: op hun conto (credit)
schrijft.
106slecht: in lage stijl.
107-08lessen en regels der kunste: wat de
kunst hen leert en de kunstregels.
108treflijckste:
voortreffelijkste.
109-10verscheide: uiteenlopende, van
allerlei aard.
110wetenschappen: kennisgebieden (denk
aan de poeta doctus die overal van af moest weten).
112-13Zoo ... bloemen: een
bekend-klassiek beeld, bijv.: ‘Floriferis ut apes in saltibus omnia
libant, omnia nos itidem depascimur aurea dicta’ (Lucretius, De rerum
Natura III, 11). Vert.: ‘Zoals bijen alles opzuigen in bloemrijke
bergweiden, zo zamelen wij alle gulden uitspraken in’. Zie voor verdere
voorbeelden Clements 1942, p. 163-75.
113beemden en bloemen: bloeiende
beemden.
114Salomons wijze spreucken: het
bijbelboek Spreuken van koning Salomo.
114Cicero, Seneka: het oeuvre van Cicero
en Seneca. Cicero (106-43 voor Chr.): redenaar, populariserend wijsgeer die
zich vooral met de ethica heeft beziggehouden. Seneca (± 4 voor Chr. -
65 na Chr.): staatsman, (treurspel)dichter en wijsgeer, vooral
geïnteresseerd in het gebied van de ethica.
114-115Plutarchus ... zeden: de
zedekundige werken van Plutarchus, (46-120): Grieks historicus en
moralist.
115doorluchtig: illuster, beroemd.
115het leven ... mannen: [zijn]
biografieën (nl. de Parallelle levens).
115-16diergelijcke schriften: geschriften
van die strekking.
116-17Wie ... zwemt: wie de overvloedige
wijsheid van deze schrijvers in zich opneemt.
117-18vaste stellingen: vaste waarheden,
theses.
118De Beeldenaer: De Iconologia
(1593) van
Cesare Ripa, in 1644 in het Nederlands
vertaald door
D.P. Pers. Dit is een soort encyclopedie
van iconologische voorstellingen. Abstracte denkbeelden worden voornamelijk
weergegeven met menselijke figuren.
118geestrijcken: begaafd met een zeer
levendig vernuft.
119bestellen: leveren, verschaffen.
( Constructio ad sententiam: de Beeldenaer wordt als meervoudig
begrip opgevat).
119geestige: spitse, vernuftige.
119-20werck levendigh uit te drucken:
onderwerp door middel van personificaties gestalte te geven.
120rijckelijck te bekleeden: tot een rijk
geheel uit te werken.
121vordert niet weinigh: brengt veel
baat, brengt grote voordelen.
123begint eerst van: gaat uit van.
124leden: ledematen (in een iets ruimere
betekenis dan thans; men rekende er bijv. ook het hoofd toe).
125historie: schilderij met een onderwerp
uit de geschiedenis.
125beelden: figuren, gestalten.
125ordeneert: samenstelt, een compositie
maakt van.
126vertooningen: tableaux vivants.
127in 't byzonder: afzonderlijk.
127wel waergenomen: goed
getroffen.
128-29voor ... hebbe: voordat men een
stevige greep heeft op, slag heeft van, en vaardigheid in de aanpak van de
afzonderlijke onderdelen.
130Zoo: nl. door te kopiëren.
130-31en leert, behendigh stelende, een'
ander het zyne te laten: een paradoxaal geformuleerde omschrijving van het
begrip imitatio: de leerling steelt door te kopiëren, maar laat de
bestolene, het voorbeeld, toch in zijn volle waarde als hij geleerd heeft
correct en vaardig te ontlenen. De geïmiteerde behoeft zich niet te
generen voor de wijze waarop van zijn werk gebruik is gemaakt, integendeel, hij
kan het als een compliment beschouwen. Met zijn opvatting inzake het
‘behendigh stelen’ zit Vondel op hetzelfde spoor als
Vida. Andere schrijvers hebben bezwaar
tegen het heimelijk imiteren, zoals Vondel dat ook in r. 140-42 lijkt voor te
staan (White 1965, p. 20 en 25, 30).
131-32beginsels: beginoefeningen.
133stouter: ondernemender.
133steviger: minder wankel.
134afsteecken: wegstappen, ‘de
vaste wal verlaten’ (zie de beeldspraak in r. 142 e.v.).
134anders: nl. als men niet van een ander
wil leren.
135verwaent: met veel eigendunk.
135eige inbeeldingen: de produkten van de
eigen fantasie; het is een vaak tot de poeta vulgaris gericht verwijt
dat hij op zijn eigen vinding vertrouwt.
138met zulck een oordeel: zo
oordeelkundig.
137-39Vergilius heeft voor zijn epos
Aeneis veel inhoudelijke, en stilistische, trekken ontleend aan Homerus'
epen Ilias en Odyssee; zijn pastorale poëzie is
geïnspireerd door
Theocritus' Idyllen.
140-41draegh u zulcks: gedraag u
zo.
141het: fungeert eerst als lijdend vw. en
vervolgens als onderwerp.
141boeren: onontwikkelden,
autochtonen.
139-42Waarschijnlijk betoogt Vondel in deze zin
dat iemand die zich met zijn ontleningen niet buiten de taalgrenzen waagt, een
groter risico loopt dan een dichter die werk in een vreemde taal imiteert.
Nederlantschen heeft dan een distinctief karakter.
142Op zijn eige riemen: Vondel gaat hier
over tot de bespreking van de zelfstandige beoefening van de dichtkunst. Vele
waarschuwingen omgeven de (over)moedige die dit waagt.
142-43dit gevaerlijck vaerwater: nl. de
beoefening van de dichtkunst.
144-45aengevoert, ja vervoert: geleid, ja
zelfs misleid.
146fraeie vernuften: talentvolle
mensen.
147onderhout: beneden hun eigen
mogelijkheden houdt.
147twee of zes goede regels: gelet op de
parallellie met de werkwijze van de schildersleerling die ook van deel tot
geheel moet opklimmen, kan Vondel aan losse regels denken. De eigenaardige
getallen wijzen echter in de richting van het epigram, dat vaak uit twee of zes
regels bestaat.
147-48uit te wercken: klaar te
maken.
149spelen: op het toneel brengen.
149trompetten: de muze van het
heldendicht, Kalliope, wordt wel met een trompet afgebeeld.
149-50bij trappen: langs treden.
153omdat ... overtreft: omdat die de
grenzen van 's mensen mogelijkheden te buiten gaat.
154inbeeldingen:
fantasievoorstellingen.
155gedachten: ideeën (vrucht van
nadenken).
155dagh: daglicht, publicatie.
156nasmaeck: tweede smaak die vaak anders
dan de eerste is en daardoor nog een betere toets voor de kwaliteit van het
genotene.
157ze: nl. de aankomende dichters.
159paeien: tevreden stellen.
160pit: omdat het lidwoord ontbreekt,
wellicht metaforisch bedoeld: deugdelijkheid van inhoud.
160keerne van goeden smaeck: kern die
goed smaakt.
160Het luit oock spottelijck: Het maakt
ook een belachelijke indruk.
161een nieuwe wijze: iets nieuws; of: een
nieuwe melodie.
161op de baen brengen: lanceren.
161kunst: artistieke waarde.
162-63orde ... zaecken: ordening of de
draad van wat je wilt zeggen, en de volgorde van de dingen die je te berde wilt
brengen.
163geleerde bazen: geleerde
heren.
163groot schijnen: de indruk maken groot
te zijn (waarbij die indruk niet noodzakelijker wijze onjuist hoeft te
wezen).
164wispelturigh: grillig.
164van den os op den ezel: van de hak op
de tak (Stoett 1963, II, p. 121-22).
165onder een: door elkaar.
165dickwils: meermalen,
herhaaldelijk.
166armoede: nl. van geest.
167rederijckheit: de kunst der
welsprekendheid.
168vonden en stof: eigen vondsten en
traditioneel bepaalde stof.
168verdrietigh: bedroevend,
ergerlijk.
170doorgaens: voortdurend.
170volstaen: op de vereiste hoogte
blijven.
174rechtschapen:
rechtgeaarde.
175met eenen vollen boezem: met een
maximale hoeveelheid water.
176uitbruizen: bruisend
uitstromen.
174-76Cf. Horatius: ‘Pindarus bruist,
gelijck een vliet ten berg afschietende, dien de plasregens op de vermaerde
oevers hebben doen aengroejen; en stroomt en barnt met eenen diepen
boezem;’ ( WB VII, p. 327, r. 3-5).
176hoe ... hoe: hoe [...] des te.
179misstelling en 't gebreck:
compositiefouten en andere feilen.
179grootheit: formaat (evt. is, in
aansluiting op het volgende, te denken aan de connotatie
‘status’).
180te grooter: des te
duidelijker.
180-81die zich wijdt uitstreckt: die van
vergaande betekenis is.
181-82doorgaens ... uit te voeren: zo uit
te voeren, dat het over de gehele linie geslaagd is.
182staet: positie (Men denke aan de
hiërarchisch bepaalde plaats in de schepping).
182eigenschap: typerende
kenmerken.
182gesteltenis: toestand.
184veel velts winnen: grote vooruitgang
boeken.
185voeghelijckheit: zie inleiding over
aptum.
186-87alle ... kunstdeughden: al zijn
talrijke andere artistieke deugden.
186-87Vergilius werd door de literaire kritiek
al sinds de late Oudheid beschouwd als uitblinker op elk van de drie
gebruikelijke stijlniveaus. De Bucolica was hét voorbeeld voor de
lage stijl ( genus humile), de Georgica voor de middenstijl
( genus mediocre), en de Aeneis voor de verheven stijl ( genus
grave). Vergilius' verdienste achtte men vooral hierin gelegen, dat hij de
maatschappelijke positie en de namen van de personen, alsmede de dieren,
planten, gebruikte voorwerpen en lokaties per stijlniveau liet verschillen. Zo
moest het genus grave gaan over oorlogshelden, die bijv. Hector of Ajax
heetten. Deze gingen vaak van een paard vergezeld, de plaats van handeling was
de stad of de legerplaats. Werken uit het genus humile daarentegen
speelden op weideland, tussen schapen, en moesten gaan over herders met namen
als Tityr of Melibeus. Deze indeling werd schematisch voorgesteld door de zgn.
rota Vergilii, een in drie gelijke parten verdeelde schijf, waarin op
concentrische ringen voor elk stijlniveau de toepasselijke elementen vermeld
stonden. (Cf. Guiraud 1954, p. 16-18).
188te schicken hebbe: richten
moet.
189gelegenheit: omstandigheden.
190kunstigh: in de kunst bedreven.
190-91allernaest volght: het nauwkeurigst
navolgt.
191Apelles: beroemd schilder uit de
Oudheid, 4de eeuw v. Chr.
192penseelen: metonymia voor schilders.
Van
Zeuxis wordt verteld dat hij druiven zo
levensecht schilderde, dat de vogels erin kwamen pikken. De schilder
Parrhasius zou tegelijkertijd een kleed
geschilderd hebben, zo realistisch dat Zeuxis zélf meende dat er een
echte lap was opgehangen (Van Mander 1618, F. 5v o en
6r o). Levende paarden begonnen te briesen bij het zien van paarden
geschilderd door Apelles (Van Mander 1618, F. 18r o).
192verkloecken: bedriegen, er tussen
nemen.
193te gaen: voort te gaan.
193-94geef [...] aen den dagh:
publiceer.
194een goede wijl: geruime tijd. Vgl.
Horatius APr. 388 ‘Nonumque prematur in annum’: ‘Houdt
uw werk onder u tot in het negende jaar’.
195met versche zinnen: met frisse
aandacht.
194-95ga' er [...] over: neem het [...]
door.
196naer: afhankelijk van.
198van eenen Aristarchus: door een
kunstkenner. Aristarchus van Samothrace (± 216-144 v. Chr.) was een
bekend Alexandrijns grammaticus en kunstrechter. Cf. Horatius: ‘Een
Aristarchus zal hy worden, en niet zeggen: waerom zal ik mijnen vrient om
beuzelingen versteuren?’ ( WB VII, p. 370, r. 385-86).
198verscheide keurmeesteren: deskundige
beoordelaars van allerlei aard.
199uitmonsteren: uitziften, (de tekst)
ontdoen van.
200waer in: slaat terug op
‘zeden’.
200deze goddelijcke wetenschap: deze
verheven kunst (de literatuur).
201en ... weeght: en aangezien wat het
zwaarst is, het zwaarst moet wegen.
202ongebondene: onfatsoenlijke.
202oneerlijcke: schandelijke.
203niet dan: alleen maar.
203laster: blaam, schande.
204gaf oorzaeck: leidde ertoe.
204eertijts: indertijd. Rederijkerskamers
werden gesloten om twee redenen, namelijk morele en religieuze. Vondel legt de
nadruk op het eerste aspect. Het is bekend dat Willem van Oranje om
eerstgenoemde reden verscheidene malen toneelvoorstellingen verbood.
205-206bordeelspreucken en
spreeckwoorden: taal en uitdrukkingen die in bordelen gebezigd
worden.
206vuilicheit van hoeren en boevejaght:
smerig gedrag van hoeren en geboefte.
207eerlijck: fatsoenlijk.
208zich verloopt: zondigt.
208-09bederft ... werck: haalt de goede
zeden omlaag en vernietigt de luister van zijn werk.
211verschoont: door de vingers
ziet.
212daer in: d.w.z. in die
gebreken.
213niet te raden: niet ontvankelijk voor
goede raad.
213-14randen [...] aen: vallen [...]
aan.
214en ... moet: en maken duidelijk wie
men uit de weg moet gaan (nl. de eigenzinnigen).
215misstelt: verkeerd in elkaar
gezet.
215lezetters: mensen die gebroken
ledematen zetten; een categorie van geneeskundigen die onder die van de
chirurgijnen stond.
216moeielijckheit: ongemak.
217misstelde: verkeerd zittende.
218eens: ook maar een keer.
218-19de Goden [...] verkoopen: deze
zegswijze gaat, wellicht via omwegen terug op de volgende teksten van Hesiodus
en Epicharmus, samen aangehaald in Xenophons Memorabilia II, 1, 20.
‘Της δ αρετης
ιδρωτα θεοι
προπαροιθεν
εθηκαν //
αθανατοι’;
‘Των πονων
πωλουσιν αμιν
παντα τ'αγαθ οι
θεοι’. (‘De onsterfelijke goden
plaatsten zweet vóór deugd’; ‘De goden verkopen ons
alle goede dingen voor inspanningen’.)
220omzichtigh: zeer attente.
220leerzaem: leergierige.
220Apolloos: Apollo was behalve god van
de zon ook god van de kunst.
221ontdeckt: zichtbaar maakt.
221Kunsten: beroepsbekwaamheden,
vaardigheden.
223hemelval: verheven taal.
224in top staen: volmaakt zijn.
224-25op ... houden: bestand zijn tegen
de toets der deskundige kritiek.
226waer ... worden: (de wetten) waaraan
wij (dichters) ons moeten houden.
226Ondertusschen: overigens; bedenk bij
lezing van het voorafgaande.
228by my: op eigen houtje.
229op te maecken: terugslaand op
‘Aenleidinge’: op te stellen; terugslaand op ‘schets’:
uit te werken.
230voor dezen tijt: voor het
ogenblik.
231maet der vaerzen: verslengte.
231ommetreck en aert: formele en
niet-formele eigenschappen.
231-32rijmen en dichten: lagere en hogere
dichtgenres.
232met de levendige stemme:
mondeling.
234geestrijcke vernuften: talentvolle
geesten, men denke aan: dichters, theoretici, taalkundigen.
234Mecenaten: meervoud van Mecenas:
kunstbeschermers.
236Parnas, naer den stijl van Italie:
Academie, naar Italiaans voorbeeld. De eerste grote letterkundige academie was
de ‘Accademia della Crusca’. Deze schertsende naam (Academie van
het kaf) had betrekking op de taalzuiverende werkzaamheden van de instelling
Naast het samenstellen van een woordenboek, hield men zich ook bezig met het
verzorgen van uitgaven van Italiaanse klassieken, zoals de Divina
Commedia.
237onzijdigh: onpartijdig.
237-38schoonheit en aertigheit: het
schone en het geestrijke.
238onze: van ons dichters. Als tweede
interpretatie is mogelijk: van mij, Vondel. Een soort captatio benevolentiae
voor de nu volgende bundel Poëzy.
|
|