Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste


auteur: Joost van den Vondel


bron: J. van Vondel, Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste. Uitgegeven en toegelicht door een werkgroep van Utrechtse neerlandici. Instituut De Vooys, Utrecht, 1977


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 35]

Tekst en annotaties

[p. 37]

AENLEIDINGE TER NEDERDUITSCHE DICHTKUNSTE. #

[1] DIE van 1 zijnen Geest 1 naer den Parnas 1 gedreven, in den schoot [2] der Zanggoddinnen 2 nedergezet, en Apollo 2toegeheilight 2 [3] wort, dient zijne genegenheit en yver 3door hulp van de Kunst 3, [4] en leeringe 4 te laten breidelen 4; anders zal zulck een vernuft 4, [5] hoe geluckigh 5 het oock zy, gelijck een ongetoomt paert, in het wilt [6] rennen 5-6; terwijl een ander Dichter, door kunst en onderwijs 6 getoomt, den [7] hengst slacht 6-7, die, onder eenen goeden roskammer en berijder 7, met roede [8] en sporen getemt en afgerecht zijnde, overal by kenners prijs 8behaelt 4-8. [9] Natuur 9 baert den Dichter; de Kunst 9 voedt hem op 9 9, dies 9 geraeckt nie- [10] mant tot volmaecktheit, dan die de natuur 10 te baet heeft 10, waer uit de

[p. 38]

[11] kunst 11 haren zwier 11 en leven schept 11. Neemt hy voor in Nederduitsch, zijn [12] moederlijcke tale, te zingen 11-12; des hoeft hy zich zoo luttel te schamen [13] als 12-13 de Hebreen 13, Griecken, Latijnen, de geburen der Latijnen 13, en zoo [14] vele andere uitheemsche volcken, die hierom noch by alle weerelt, en [15] elck by zijne lantslieden 14-15, eere in leggen. Wat onze spraeck 15 belangt 15, [16] die is, sedert weinige jaren herwaert 16, van bastertwoorden en onduitsch 16 [17] allengs geschuimt 17, en gebouwt 17, en geeft den leerling nu veel vooruit 17, [18] om naer den palmtack in dit renperck 18 te rennen, tegens 18 en voorby hen- [19] lieden, die met zulck een zure moeite en arbeitzaemheit dit spoor on- [20] langs begosten te leggen 19-20. Zoo men uit hunne gedichten en schriften,

[p. 39]

[21] oock uit Neerlantsche hantvestboecken 21, de eige 21manieren van spreecken [22] by een zamelt, en zich eigen maeckt; daer is een schat van welspreken- [23] heit 22-23 by der hant, veel tijts gewonnen, en middel om noch maghtigh in [24] nieuwe koppelwoorden (waer in onze spraeck niet min geluckigh dan de [25] Griecksche is) aen te winnen 23-25, zoo men met oordeel te wercke ga. Deze [26] spraeck wort tegenwoordigh in 's Gravenhage, de Raetkamer der Heeren [27] Staten 26-27 26-27, en het hof van hunnen Stedehouder, en t'Amsterdam, de maghtigh- [28] ste koopstadt der weerelt, allervolmaecktst gesproken, by 28 lieden van

[p. 40]

[29] goede opvoedinge, indien men der hovelingen en pleiteren en kooplieden [30] onduitsche termen uitsluite: want out Amsterdamsch is te mal 30, en plat 30 [31] Antwerpsch te walgelijck, en niet onderscheidelijck 31 genoegh 25-31. Hierom [32] moeten wy deze tongen 32 matigen 32, en mengen 32, en met kennisse besnoeien, [33] oock niet al te Latijnachtigh, nochte te naeu gezet 33 en nieuwelijck 33 [34] Duitsch spreken, maer zulcks dat de tong haer eigenschap 34niet en ver- [35] lieze, waer van de hervormers onzer spraecke niet geheel vry zijn 33-35. Men

[p. 41]

[36] vermijde, gelijck een pest, de woorden, tegens den aert onzer tale, te [37] verstellen 37; een evel daer doorluchtige 37 Italianen, Spanjaerden en.Fran- [38] schen oock van zieck zijn 37-38. Wy mogen hier in 38 nochte Griecken, nochte [39] Latijnen navolgen. Wort hier tegens gezondigt, terstont verliest de [40] spraek haren luister, en ons oor wraeckt 40 dat geluit; eenen valschen [41] klanck, die de muzijck der tale bederft 35-41. In oude Hollantsche liederen 41 [42] hoort men noch een natuurlijcke vrypostigheit 42, vloeientheit. 42, en be- [43] vallijcken zwier; maer het gebrack 43 den eenvoudigen Hollander aen op- [44] mercking 43-44 en oefening, om zijn geestigheit 44, uit een natuurlijcke ader [45] vloeiende, krachtigh op te zetten 45, en te voltoien 45. Het rijmen moet hy 45 [46] zich eerst gewennen, om rijckdom van woorden en rijmklancken 46 gereet te [47] hebben, zonder het welck de vaerzen kreupel en verleemt 47 zouden vallen 47,

[p. 42]

[48] en zelfs aertige 48 vonden 48 en gedachten hunne bevallijckheit verliezen. [49] Hierom waer het geraden eerst eenige heilige of weereltsche historien 49, [50] oock verzieringen 50, uit Virgilius 50,Ovidius 50, Amadis 50, en Bokatius 50, te rij- [51] men 50-51, om zich van de rijmkunste meester te maecken, en op de baen 51 te ge- [52] raken. Men magh om het rijm en de maet de tael niet vervalschen 52, en ge- [53] lijck een kint stamelen en struickelen. Het rijmwoort schijne niet ge- [54] vonden om het rijm te vinden, maer zy zoo gestelt of het geen rijmterm [55] waer 54-55. Het vaers schijne oock geen rymelooze rede 55, maer trecke den aert [56] van een vaers aen 55-56, en sta wacker op zijne voeten 56. Heeft het geene ze-

[p. 43]

[57] nuwen 56-57, zoo hangt het slap en vadzigh 57: is het te gedrongen, zoo staet [58] het stijf, gelijck een lantsknecht 58 in zijn harnas 56-58. De stijl zy snedigh 58, [59] en geen stomp mes gelijck. Het 59 scherpt de zinnen 59, en maeckt een goede [60] pen zich te gewennen een zelve zaeck en zin 60 op verscheide manieren te [61] bewoorden, en cierlijck 61 uit te drucken 59-61. Vaerzen willen gaerne vriende- [62] lijck 61-62 en zuiver 62 zijn: want de Zanggodinnen zijn maeghden, aen wie vrien- [63] delijckheit en zuiverheit betaemt. Voertmen zomtijts eenige harde 63vaer- [64] zen 63-64 in, dat moet uit geen gebreck 64, maer uit de stoffe 64 geboren, en ter [65] zaecke vereischt worden. Bynamen moeten niet ledigh staen, nochte voor [66] stopwoorden dienen, maer de beelden slachten, die eenen balck of het [67] gewelf onderstutten, en hun werck doende, met een tot cieraet 67des ge-

[p. 44]

[68] bouws strecken. 65-68 Wie voor Poeet wil gaen 68, moet van een' rijmer 68 wel Po [69] eet, maer van Poeet geen rijmer worden; anders gaet men van de hooghste [70] in de laeghste schole 70, en op de A B banck 70 zitten. Loven hem hierom de [71] slechthoofden 71 dat vergult den rijmer 71, gelijck een krans van boterbloe- [72] men den kinckel 72. De laurier 72 wort den Dichter niet van den gemeenen hoop 72 [73] geschoncken, maer van zulcken, die met kennisse en zekerheit 73 de kroon [74] uitreicken, en het snaterbecken 74 der aecksteren 74 van zwanezang 74 onder- [75] scheiden 72-75. Rijmers, die eerst 75 hun A B opzeggen, vallen verwaendelijck [76] aen 't zwetsen 75-76, gelijck de quackzalvers, om hun zalfpotten te venten. [77] Die wat verder komen, laten zich voorstaen 77datze groote bazen 77 in de [78] kunste zijn, en zwetsen kunstiger 78, doch het is met woorden van ander- [79] halven voet lang 78-79, of een doorgaende bravade 79, en loutere blaeskaeckerye.

[p. 45]

[80] Aldus winnenze gunst by den slechten hoop 80, die den mont vergeet toe te [81] doen, en gelijck naer hemelval 81 gaept. d'Alleroutste en beste 81 Poëten [82] zijn de natuurlijckste en eenvoudighste. De nakomelingen, om hen voor- [83] by te rennen, vielen uit eerzucht of aen het snorcken en poffen 83, of [84] vernissen en blancketten. Dat behaeghde in het eerst, gelijck wat nieuws, [85] den min verstandigen, en klonck den nieusgierigen 85, gelijck een donder- [86] slagh, in d'ooren: doch het verwonderen 86 duurde een korte wijl, en de [87] wackerste oogen zagen hier door 87; en d'outsten tegens de jonger wercken, [88] in de schale van een bezadight oordeel, opgewogen, vielen de lesten te [89] licht 87-89, en d'outsten behielden den verdienden prijs 89. Om dan 89 opgeblazen- [90] heit 89-90 en kreupelheit 90 te vermijden, zal 90 men niet plat op d'aerde vallen 90, [91] en in het stof kruipen 91, nochte doorgaens 91 al te snel zonder noot 91 aenja- [92] gen 91-92, maer op zijn pas 92 voortdraven 92, en wel letten 92 waer men rijzen 92, waer [93] men wenden en keeren 93 moet; en, gelijck een goet muzikant, den toon naer [94] den aert der zaecke 94 weten te schicken 93-94, dan laegh, dan middelbaer, dan

[p. 46]

[95] hooger. Zommigen heffen hoogh op 95, en laten het uit onvermogen 95laegh [96] vallen 95-96. Een goet zangmeester 96 kent zijne stem, en spant de keel niet [97] uit hare kracht 96-97. Lichtvaerdige dertelheit 97, zotte pracht, en ongheschick- [98] te 97-98 overdaet is geen cieraet 98, dat een gezont oordeel vergenoegt 98. Elck [99] ding wil met zijn eige maniere van spreken uitgebeelt, en niet al te [100] verre gezocht worden 98-100. Verciertge uw vaers met bloemwerk 100 naer den stijl [101] [der] Rederijckkunste 101; hael het niet te wijt 101, maer blijf by een voege- [102] lijcke verwe 101-102, en binnen het besteck van verstaen te willen wezen 102. Zal 102 [103] een ander uwe rol 103 verstaen 103; verstaze eerst zelf te dege, en spreeck [104] klaer 104. Eenigen schrijven al willens 104 duister, en willen zich zelfs 104 niet [105] verstaen, op dat men zich hier over verwondere 105, en hun dit tot 105wijsheit [106] toeschrijve 106. Anderen schrijven slecht 106 van heerlijcke 106dingen, en schil-

[p. 47]

[107] deren de zon met houtkole. Een leergierige lette wel op de lessen en [108] regels der kunste 107-08, gevonden uit het voorbeelt der treflijckste 108 Dichte- [109] ren. Hy bevlijtige zich om dagelijx toe te nemen in kennisse van ver- [110] scheide 109-10wetenschappen 110, om, is het niet van alles volmaecktelijck, dat [111] zwaer ja onmogelijck valt, ten minste ter loop 111 van vele dingen kennis [112] te hebben, om zijn werck naer den eisch uit te voeren. Zoo treckt en [113] vergadert de honighby haer voetsel uit alle beemden en bloemen 112-13 113. Het [114] waer raetzaem Salomons wijze spreucken 114, Cicero, Seneka 114, en Plutarchus [115] wercken van de zeden 114-115, en het leven der doorluchtige 115 mannen 115, en dier- [116] gelijcke schriften 115-16 te lezen, en te herlezen. Wie in den vloet dezer [117] pennen zwemt 116-17, zal overvloeien van zinrijcke gedachten en vaste stel- [118] lingen 117-18. De Beeldenaer 118 van den geestrijcken 118 Ridder 118, Cesar Ripa, nu in

[p. 48]

[119] Nederlantsch verduitscht, bestellen 119geestige 119 vonden, om het werck le- [120] vendigh uit te drucken 119-20, en rijckelijck te bekleeden 120. Kennis van uit- [121] heemsche spraecken vordert niet weinigh 121, en het overzetten uit vermaer- [122] de Poëten helpt den aenkomende Poeet, gelijck het kopieeren van kunsti- [123] ge meesterstucken den Schilders leerling. Dees begint eerst van 123 eenige [124] leden 124 en deelen, eer hy een geheel lichaem tekent; en eerst van een [125] geheel lichaem, eer hy een historie 125 van 125 verscheide beelden 125 ordeneert 125, [126] en gansche vertooningen 126 op het panneel, als op een tooneel, stelt. Wan- [127] neer de deelen, elck in 't byzonder 127 wel waergenomen 127 zijn, dan zal het [128] geheele werck wel 128 volgen, daer men niet aen beginnen magh, voor dat men [129] een vast begrijp, hant, en handelinge van de byzondere deelen hebbe 128-29. [130 Zoo 130 ziet men den besten meesteren de kunst af, en leert, behendigh ste- [131] lende, een' ander het zijne te laten 130-31. Wie leerzaem 131 is, late zich de be- [132] ginsels 131-32, die altijt moeielijk vallen, niet verdrieten. De kleenen leeren

[p. 49]

[133] zoo aen stoelen en bancken gaen 133: daerna, stouter 133 en steviger 133 geworden, [134] durvenze afsteecken 134, en behoeven geene ondersteunsels meer: anders 134 ver- [135] gaept men zich te verwaent 135 aen eige inbeeldingen 135, en vervalt in grove [136] misslagen, terwijl 136 men wijzer dan zijn leitsman wil geacht zijn. Aldus [137] heeft Virgilius, de Prins der Poeeten zelf, oock van Homeer en anderen [138] vele ontleent, en uit de Griecksche tale met zulck een oordeel 138 inge- [139] voert, dat hy'er onsterflijcken lof uit haelde 137-39. Evenwel indien ghy ee- [140] nige bloemen op den Nederlantschen Helikon plucken wilt, draegh u [141] zulcks 140-41, dat het 141 de boeren 141 niet mercken, nochte voor den Geleerden 141al [142] te sterck doorschijne 139-42. Op zijn eige riemen 142 zich op dit gevaerlijcke [143] vaerwater 142-43begevende, moet men zijne kracht overwegen, eer het schip zee [144] kieze. Menighten lijden hier schipbreuck, die, door verwaentheit aen- [145] gevoert, ja vervoert 144-45, zich te vroegh en te diep 145 op dezen Oceaen wagen, [146] en niets is 'er schadelijcker als eige liefde, die fraeie vernuften 146 ver- [147] blint, en onderhout 147. Die naulix twee of zes goede regels 147 weet uit te

[p. 50]

[148] wercken 147-48, wil een lierdicht opzetten. Die qualijck 148 een lierdicht 148kan 148, [149] wil voort een treurspel spelen 149, of een heldenwerck 149 trompetten 149. By trap- [150] pen 149-50 klimt men eenen toren op, en niet zonder trappen, ten zy met ge- [151] vaer van den hals te breecken. d'Een bereickt langsamer, d'ander snel- [152] ler den top der volkomenheit; hoewel men hier 152 naulijx volkomenheit vint, [153] om dat die de maet van 's menschen vermogen overtreft 153. Beveel 153 het papier [154] niet terstont al wat u in den zin schiet, maer toetst uwe inbeeldingen 154, [155] vonden 155 en gedachten 155 ofze der penne en den dagh 155 waerdigh zijn. Ghy ziet [156] hoe de hoenders, den kop in de lucht stekende, met smaeck en nasmaeck 156 [157] drincken, en de gezonde schapen het gras erkauwen. Zoo doende zullenze 157 [158] de bladen niet met beuzelingen beslaen, en dingen, die niet om het lijf [159] hebben, nochte den lezer met den ydelen 159 dop zoecken te paeien 159, maer met [160] pit 160, en een keerne van goeden smaeck 160 verzaden. Het luit oock spottelijck 160 [161] een nieuwe wijze 161 op de baen te brengen 161, als 'er geene kunst 161 in gemerckt 161 [162] wort. Boven al let wel op de orde of den draet van uwe rede, en het [163] vervolgh van zaecken 162-63: want zelfs geleerde bazen 163, die groot schijnen 163,

[p. 51]

[164] zijn zomtijts wispelturigh 164, springen van den os op den ezel 164, en mengen [165] alle elementen onder een 165. Een zelve zaeck dickwils 165 te zeggen en her- [166] zeggen, geeft armoede 166 en gebreck van stoffe te kennen, en behalve dat [167] het verveelt, voeght 167 het de rederijckheit 167 niet. Ontbreeckt het u aen [168] vonden en stof 168, zijt liever kort dan verdrietigh 168 lang. Zet ghy een werck [169] op van eenen langen adem; laet het in 't midden, nochte in 't einde niet [170] bezwijcken, maer doorgaens 170volstaen 170, overal zich zelf gelijck zijn, en [171] zijnen meester nergens beschamen. Wie zijn zwackheit gevoelt, dient [172] nootzaeckelijck raet te zoecken by anderen, en elck meester in zijn [173] kunste en ambacht te gelooven, en de volmaeckste manieren van spreken [174] en wercken by hen uit te kiezen. Een rechtschapen 174Dichter slachte 174 de [175] stroomen 175, die niet af maer altijt toenemen, en met eenen vollen boezem 175 [176] endelijck in de rijcke zee uitbruizen 176 174-76. Hoe het werck grooter is, hoe 176 [177] daer meer kunst en oordeel toe vereischt wort: en gelijck de schilders [178] in kleene beelden de gebreken en misslagen kleen rekenen; zoo openbaert [179] zich de misstellinge en 't gebreck 179, naer 179 de grootheit 179 der personaedjen [180] en zaecken, te grooter 180. De leergierige volge dezen gulden regel, die [181] zich wijdt uitstreckt 180-81, om zijn werckstuck doorgaens geluckigh uit te

[p. 52]

[182] voeren 181-82, dat is, dat hy lette op den staet 182, eigenschap 182 en gesteltenis 182 [183] van elcke personaedje en zaecke, en die elck naer heur natuur uittekene. [184] Wie dit maghtigh is, en daer den slagh van heeft, kan veel velts winnen 184, [185] en zal altijt binnen de palen 185 der voeghelijckheit 185 blijven; een deught, [186] die in Virgilius zoo heerlijck 186 en goddelijck boven alle zijn overvloedige [187] kunstdeughden 186-87 uitmunt 187 186-87. Nu behoef ick niet in 't breede en wijtloopigh [188] t'ontvouwen hoe men zich te schicken hebbe 188naer een ieders ampt, oude 188, kun- [189] ne 188-89, lantsaert, gelegenheit 189, hoedanigheit, en wat des meer zy. Aldus geeft [190] een kunstigh 190 schilder elck dingh zijn eige verf 190. Wie de natuur aller- [191] naest volght 190-91, die is de rechte 191 Apelles 191, en zoude, gelijck d'aeloude [192] penseelen 192, niet alleen menschen, maer zelfs dieren en vogels verkloecken 192.

[p. 53]

[193] Maer om veiliger en vaster 193 te gaen 193, geef uwe dichten niet in uwen eersten [194] yver 194 aen den dagh 193-94. Laetze een goede wijl 194 onder u rusten: ga'er dan [195] eens en anderwerf, ja zevenwerf, met versche zinnen 195 over 194-95: want ons [196] oordeel is, naer 196 de gesteltenis der herssenen, gelijck de lucht 196, zomtijts [197] helder, zomtijts betrocken 197. Een Dichter heeft zijne luimen 197: hierom [198] laet het gedicht van eenen Aristarchus 198, ja verscheide keurmeesteren 198 [199] keuren. Dese zullen uitmonsteren 199al wat misstaet, zoo wel dat de Kunst, [200] als de zeden betreft, waer in 200menigmael deze goddelijcke wetenschap 200 [201] jammerlijck misbruickt wort: en gelijck het zwaerste meest weeght 201, zoo [202] moet men zich wachten voor ongebondene 202 en oneerlijcke 202 woorden en vonden 202, [203] daer niet dan 203 laster 203voor den Dichteren in 't algemeen uit ontstaet: [204] want dit gaf oorzaeck 204, dat eertijts 204 de Rederijckkamers gesloten, de

[p. 54]

[205] tooneelen verboden wierden. Indien men bordeelspreucken en spreeck- [206] woorden 205-206, en vuilicheit van hoeren en boevejaght 206 uitbant, zoo zal de [207] Schouwburgh een eerlijck 207 tijtverdrijf strecken, en oock voor deftige [208] lieden openstaen. Wie zich hier tegens verloopt 208, bederft de zeden, en [209] den luister van zijn werck 208-09. Ioocken 209 uwe ooren naer eenen vleier, die [210] elck naer den mont spreeckt, ghy bedrieght niemant dan u zelven. Haetghe [211] den openhartigen bestraffer, die geene gebreken verschoont 211, zoo blijftghe [212] daer in 212 steecken. Zulcke eigenzinnigen, of eer 212 kranckzinnigen, zijn [213] niet te raden 213, randen menighmael in hun razende kortse al raeskallende [214] de geneesmeesters aen 213-14, en leeren wie men schuwen moet 214. Zy willen hun [215] ontstelt 215 en misstelt 215 werck van geene fixe 215lezetters 215 aengetast 215 nochte [216] gehandelt hebben, en schricken voor de moeielijckheit 216en pijne van het [217] misstelde 217 been te herstellen, en in het rechte lidt 217 te voegen, zonder [218] eens 218 te bedencken dat de Goden de beste dingen voor zweet en arbeit [219] verkoopen 218-19. Zy liefkoozen hun wanschepsels, gelijck een aep zijne jongen.

[p. 55]

[220] Een omzichtigh 220 en leerzaem 220 geest bemint Apolloos 220 zonneschijn, die alle [221] vezeltjens en stofkens ontdeckt 221. Kunsten 221, die den brootzack vullen, en [222] alleen den buick dienen, zijn haest 222 goet genoegh: een Dichter behoort [223] hemelval 223 en de spraeck der Goden te spreecken. De hemelsche Poëzy wil [224] niet op den middeltrap, maer moet in top staen 224, en op den toetssteen [225] van een beslepen oordeel proef houden 224-25, naer de wetten by de Geleerden [226] daer toe voorgeschreven, waer toe wy gewezen worden 226. Ondertusschen 226 [227] heb ick deze korte Aenleidinge ter Nederduitsche Dichtkunste, op het [228] aenhouden 228 der leergierigen, by my 228 aldus 228, gelijck een ruwe schets, [229] ontworpen; om de welcke naer den eisch op te maecken 229 meer bladen [230] papiers noodigh waren: daerom sla ick voor dezen tijt 230 de voeten en [231] maet der vaerzen 231, en den ommetreck en aert 231 van allerhande rijmen en [232] dichten 231-32 over. Vele andere dingen willen liever met de levendige stemme 232 [233] en voorbeelden, dan met de penne beduit worden: derhalve te wenschen [234] waer, dat geestrijcke vernuften 234, onder het beleit van geleerde Mecenaten 234, [235] hier over zomtijts onderling raetpleeghden, en zoo eenen nieuwen [236] Parnas, naer den stijl van Italie 236, oprechtten, daer men, zonder afgunst,

[p. 56]

[237] onzijdigh 237 elcks oude en nieuwe dichten toetste; zoo wel om de schoon- [238] heit en aertigheit 237-38 te volgen, als om onze 238misslagen, uit een edele [239] eerzucht, te mijden, en door dien middel de Neerlantsche Poëzy haren [240] vollen glans te geven. [241] t'Amsterdam 1650. den 25 van Grasmaent 241. [242] J.V. Vondel