Gestoffeert met veel treffelijcke historische, Philosophische, Poeetische morale ende schriftuerlijcke leeringen.*
Geciert met schoone kunstplaten oft Beeldenissen.
Vermakelyck en stichtelijck voor alle staten van Menschen.
t'Amsterdam.
Bij Dirck Pietersz inde witte pers op t'water bij d'oude brugge.**
AFGEDRUKT VOLGENS DE TEKST ÈN NAAR DE PRENTEN VAN DE EERSTE UITGAVE, VERSCHENEN BIJ DIRCK PIETERSZ. PERS TE AMSTERDAM IN 1613.
(UNGER: BIBLIOGRAPHIE VAN VONDELS WERKEN, NR. 71). aant.
Inderdaad zijn ook de platen van de oudste GULDEN WINCKEL - de enige uitgave, waarvan vaststaat, dat ze door de dichter zelf is bezorgd - hier afgebeeld naar hun staat van nà 1608, het jaar van hun laatste herdruk sinds hun eerste uitkomen in 1579 in ‘Μίκροκὀσμος Parvus Mundus’ [d.i. De Kleine Wereld]. Die herdruk geschiedde bij Pers in DE CLEYN WERELT, 1608; de oude platen waren bijgesneden en opgewerkt door Claes Jansz Visscher, en de tekst was 'n herdruk van Mr. Jan Moerman (‘De Kleyn Werelt’, 1584 Antwerpen). Deze tekst heeft Vondel bewerkt; opmerkelik is dat ie aan 't slot van de bijschriften de kristelike toepassingen van Moerman weglaat. Dit emblemenboek had de Gulden Winckelier op zijn schrijftafel liggen onder 't dichten van zijn bijschriften. Ditzelfde emblemenboek lag op de werkbank van onze clicheerder om dienst te doen bij de oordeelkundige retouche der autotypieën naar de sterk gesleten platen van de eerste ‘Gulden Winckel.’
Unger, die beweerde voor het eerst de oorspronkelike prenten van Geerardt de Jode[?] weer te geven, publiceerde als zodanig namaaksels uit DE VERNIEUWDE GULDEN WINCKEL van 1622, als duidelik bij hem de platen XXVIIII en XLIII zijn.

Tietelblad op ware grootte naar de gravure van Pieter Serwouters
1 Als eener (waerde Nederlanders) dese vraghe onder ander worde voor-1 2 gestelt, wat hy achtede in de wereld meest te blincken? antwoorde, de 3 Son: nochtans, seyde de ander, en kunnen de blinde de Sonne niet sien.3 4 soo antwoorde hy weder: zy sien hem niet, om dat zy van haer ooghen 5 berooft zijn: ey! Soo moet dan de Deughd veel meer blincken ende schijnen, 6 de welcke oock de blinden claerlijcken sien: Want als ghy de Deught hebt 7 (seyde eener) so hebt ghy alles; maer als ghy de ondeught hebt, soo en 8 hebt ghy oock niet u selven. Tot dese Deughd behooren wy ons met 9 alle naersticheyt en vlijt te begeven: ende dit is het dat de Ouden, als 10 in eenen spiegel ons (nae haere kennisse) hebben willen aenwijsen, hoe 11 wy onsen korten loop des levens best souden volbrenghen: Enighe 12 hebben door teykenen, sommighe door Fabulen, andere door treffelijcke12 13 Philosophische en Moralische leeringen en spreucken, den Mensche tot 14 het wit des Deugds gewesen, int welcke zy verstonden haere hoogste14 15 gelucksalicheyt gelegen te zijn. Is dit dan van den Heydenen aenge- 16 merckt, soo behoort het veel meer van ons Christenen behertight te 17 worden, daer wy de waere Deughd, met het aenkleven van dien, zo 18 naecktelijck ende levendich voor oogen behoorden te hebben: nochtans 19 zijn wy zo traegh en sluymerigh, datmen ons der Poëten Fabulen, der 20 Philosophen Moralen ende Historien moet voordraghen, om ons also20 21 totte Deughd (als met trappen) te doen opstijghen. Wij hebben hier 22 van een proeve in dit tegenwoordich Boeck voorgestelt, dienende den 23 Mensche alles tot stichtinghe en leeringhe, jae totte waere Deughd aen- 24 radende: ende tot meerder vermaeck van ons teere verstanden, is hier 25 de stomme schilderie en levende dicht-kunst (als twee gesusters, malkan-25 26 deren omhelsende) kunstlijcken versaemt, en het profijtelijcke by het 27 vermakelijcke ghevought; op dat, als de vlieghende en onrustige sinnen 28 door het lesen vermoeyt zijn, zy door het aenschouwen der Kunstighe
29 beeldenissen moghen verquickt ende verheught worden: Volghende 30 hier in het ghedicht des geleerden Horatij,30
34 Dan wat isser doch treffelijcker als de kennisse ende deught der Weten-34 35 schappen: en, gelijck Cicero seyt, zo en is den Mensche niets aenge-35 36 namer, geneuchlijcker noch behaeglijcker als die selve; en contrarie so 37 en isser niet schandelijcker als d'onwetenheyt. Voorwaer wy zijn wel 38 veerdich ende naerstich tot het besorgen van onse tijtlijcke goederen,38 39 ghelijck den voorgenoemden Poëet seyt:
44 Behoorden wy dan niet veel meer totte Deughd, goede Konsten, ende44 45 Wetenschappen (die de weyde ende het voetsel des gemoets moghen45 46 genaemt worden) geneghen te zijn? want de lichamelijcke goederen 47 worden door de Fortuine verlooren, maer de Wetenschap blijft oock, 48 alst lichaem is gestorven.
49 Laet ons dan tesamen de Edele Wetenschap (als de Goudt-bloeme de49 50 Sonne) volghen, op dat de waere Deught (als de Morgen-sterre) mach 51 in ons hert en gemoederen glinsteren en blinken.
52 Het sullen sich veele verwonderen, waerom ick dit Boeck met een 53 ander naeme voor den dagh brenghe, dewijl het doch onder den naem 54 van Cleyne Weereld, gedruct ende bekent is. Den selven zy tot antwoort54
55 gegeven, dat ick oock een geheel ander werck voor den dagh brenghe, 56 ende daerom wel mach den naem veranderen. Ick kan my oock niet 57 genoegh verwonderen, waerom dit Boeck eerst metten naem van Cleyne57 58 Weereld is aen den dagh gekomen, daer het nochtans niet eygentlijck 59 van de Cleyne Weereld, dat is, van den Mensche, handelt, maer alleen 60 van de adjuncten of toevallen des Menschen: So heb ickt daerom liever60 61 ende bequaemlijcker den Gulden Winckel der Constliefhebbende Neder- 62 landers willen naemen, alsoo daer allerley waere (voor den Mensche) te 63 koop is, ende dat om kleyn gelt.
64 De Dichten heb ick geheel nieu van een Liefhebber der stichtelijcker 65 poësie (na de wijse vande Fransche dicht-maet) daer by doen maecken:65 66 maer van den arbeyt ende kunst sult ghy (O Liefhebbers!) selver mogen 67 oordeelen: latende evenwel het werck vanden eersten Dichter in zijne 68 kracht en weerde, lovende zijne volmaecte veerdicheyt en naerstigheyt, 69 seggende met den Kunstrijcken Mr. Albrecht Durer van Nurnbergh, 70 Er hat sein fleiss gethän.
71 Wenschende hier mede, dat ghy in alle eerlijcke en Goddelijcke weten-71 72 schappen mooght wassen ende toenemen.
73 Uwen dienstschuldighen Dirck Pietersz.