auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller en J.F.M. Sterck
bron:
J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Eerste deel 1605-1620. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1927
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
|
| | | | | | | | | |
Zedigh Gedicht, Vande Ydelheyd der Menschen en Wanckelbaerheyd der Koningh-Rijcken.aant.aant.aant.**
Elck heeft gebiedens Lust, elck tracht naer hooge staten, 1
Na eenen Tytels glans, na Myters, Staf en Croon, 2
Na Bisdom, Graeflijckheyd, en Rijcken boven maten: 3
Elck wil als aerdsen God hier bouwen zynen Throon.
5
Indien sulcx heyl aenbrocht, ick wild oock daer na streven 5
Om 't ampt eens Vorsten, Graefs of Koninghs te bekleen,
Maer overmids sulcks heyl aenbrengen kan noch geven,
Verfoey ick 't al gelijck, en acht van allen geen. 8
Wat segh ick, zijn dan niet Monarchen hoogh gebooren?
10
Als met den heldren glants eens Godheyds aengedaen, 10
Dien selden haers gelijck of niemand komt te vooren: 11
Kan ergens salicheyd dit Heyl te boven gaen?
| | | |
't Is waer ick latet toe, dats' uyterlijck voor d'oogen 13
Sijn met een wolck om-schaut van grooter Majesteyt: 14
15
Maer innerlijck in 't hert, is 't niet als waen en loogen,
Is 't vol van slaverny, druck en katyvigheyd. 16
De Croon al schencktse een Son van Gout en Dyamanten
Is haer een lastigh pack: de zyde en purper dracht 18
't Lijf noopt met ongemack: de Dienaers en Trawanten 19
20
Haer 't harte beven doen, en sorgen dagh en nacht. 20
Den Sçepter zijnse moe te hand'len en te dragen, 21
Om dat meer Rijcken niet staen onder haer gebiedt: 22
Is d'eene werelt haer, en hoorense gewagen
Van 't ander werelts Rijck, zy huylen van verdriet. 24
25
Zijn d'Onderdanen veel, veel valter te bestieren: 25
En na de volckren zijn in zeden onderscheen, 26
Zy onderworpen zijn elx zeden en manieren, 27
Of d'een of d'ander raeckt te lichtlick op de been. 28
De Most haer edick is, hoe zoet en uytgenomen: 29
30
Bancket noch Venesoen haer honger niet versaet: 30
| | | |
's Nachts als een ander rust so schiet haer in haer dromen 31
Dat yemand na haer kroon of na haer leven staet.
De vyanden zijn veel van binnen of van buyten,
Is 't een rumoer geslist, het ander dat ontstaet, 34
35
Van buyten staet haer toe des vyants heyr te stuyten, 35
Van binnen toe te sien voor oproer of verraet.
Soo haer den seghen mist van welgeboorne Soonen, 37
Of isser maer een vrucht, sy sorgen voor misval: 38
Zijn oock de Kindren veel, sy duchten om de Croonen
40
Een bloedigh strengh gevecht ten lesten volgen sal. 39-40
Kort-om; so glory-rijck en heerlijck alse schynen, 41
Voor 't uyterlijck gelaet, soo deerlijck wederom 42
Haer innerlijck in't hart doorprickelen veel pynen:
Behalven dat 's op 't laetst verwelcken als een blom. 44
45
Als d'onverwachte Dood genaeckt tot haer Palleysen,
En aen haer Poorten klopt: die naulijcks opgedaen 46
Een droeve stem ontmoet, 't is tijd ghy moet verreysen, 47
Monarchen maeckt u ree! 't is hier met u gedaen.
Daer vanght het suchten aen met uytgestorte tranen:
50
Adieu mijn heerlijckheyd! adieu mijn Werelds rijck! 50
| | | |
Houd van aenbeden op, mijn knielend' onderdanen! 51
Mijn Son is laegh gedaelt, mijn glory valt in't slijck.
Dan zijnse min noch meer als d'armst der bedelaren, 53
Die om een kruymken Broods voor hare traly badt: 54
55
Indien de balsem 't Lijck mocht voor 't verrotten sparen,
Dit mocht al 't voordeel zijn 't geen noch een Coninck had. 55-56
Wech dan met d'ydelheyd! daer so veel duysent menschen
In stellen 't hooghste goet en't alder-opperst heyl:
Wort Vorsten uws gemoets, wat wildy schoonders wenschen? 59
60
Dees deughd is ongemeen, nochtans voor yder veyl. 60
Een machtigh Coningh is 't, die zijn verdorven lusten
Zich onderworpen heeft, en over haer gebiet,
Die zijn gemoet besit in stilheyd en in rusten, 63
En willeloos in God niet anders wil als niet. 64
65
De sulcke draeght in sich zijn Coninghrijck beslooten,
De sulcke vint in hem al 't geen hy in God socht, 66
Door 't uytgaen van hem selfs, en door sich selfs t'ontblooten 67
Hy als gesegent heel het aertrijck aen sich brocht. 68
| | | |
Vermits men sulcken heyl onwetlijck niet mach erven, 69
70
Dat is, ten zy men daelt van't Goddelijcke bloet: 70
Is 't wonder dat dan veel dees hoocheydt moeten derven?
En datmen selden vint een Coningh naer't gemoet? 72
Verliest u selven dan en word uyt God geboren, 73
In dien ghy anders haet der sonden slaverny, 74
75
En uws Ziels vryheyd lieft, ghy werd als uyt verkoren, 75
Gesalicht en gesalft, tot sulcken heerschappy.
Dit songh ick daer ick lach gerust en onbekommert77
Van d'uytgestreckte Eyck beschaduwt en belommert. 78
|
TEKSTKRITIEK: vs. 10, de oude uitgave heeft achter aengedaen dubbele punt. - vs. 11, de oude uitgave heeft achter te vooren geen leesteken.
*Waarschijnlik van 1614 of 1615. Afgedrukt volgens de oudst bekende druk in De Vernieuwde Gulden Winckel t'Amstelredam 1622, blz. 91 vlgg. (Bibliographie van Vondels werken, nr. 72).
*In 't opschrift: Zedigh gedicht: zedelik gedicht: gedicht met zedelike beschouwing.
1naer hooge staten: naar hoge rangen (in de maatschappij), naar 'n hoge staat.
2Na eenen Tytels glans: naar de luister van 'n tietel, naar 'n luisterrijke tietel ( Tytels glans is als 'n samenstelling gevoeld).
3boven maten: tracht boven mate.
5heyl: geluk; ick wild: ik wilde, ik zou willen.
8Verfoey: minacht; 't al gelijck: dat alles evenzeer.
10glants: de ouwe vorm uit 't hoogduitse glanz; aengedaen: omgeven, omstraald.
11Wie zelden of nooit huns gelijke voor ogen komt ( selden... of niemand: zelden iemand... of liever niemand die hun gelijk is).
TEKSTKRITIEK: vs. 18 dracht: de oude uitgave heeft achter dracht 'n komma.
13ick latet toe: ik geef et toe; dats': dat ze.
14om-schaut: omschauwd, omschaduwd; van grooter: van grote ( grooter verbogen vrouwelike vorm).
16katyvigheyd: narigheid.
18Is haer een lastigh pack: is hun 'n zware last.
19't Lijf noopt: benauwt, pijnigt 't lichaam.
20sorgen: vrezen ( doen beven en sorgen).
21te hand'len: in handen te houden, te voeren.
22onder haer gebiedt: onder hun gezag.
24Van't ander werelts Rijck: van 't rijk van de andere (helft van de) wereld ( ander werelts: van de andere wereld: ander onverbogen, zodat ander werelts een geheel is, en dan ander werelts Rijck éen samenstelling is); of: van 't andere (van 'n twede) wereldrijk? zie vs. 50.
25( Zijn d'Onderdanen) veel: talrijk.
26En naar de volkeren in zeden en gewoonten verschillen (onderscheiden zijn).
27Zijn zij ( de Monarchen) gedwongen zich naar ieders zeden en manieren te schikken.
28raeckt te lichtlick op de been: komt heel makkelik in opstand.
29De Most: de wijn (jonge zoete wijn) is hun azijn; uytgenomen: uitnemend, uitgezocht.
30Bancket noch Venesoen: feestgerecht noch wildbraad: geen heerlik wildbraad.
TEKSTKRITIEK: vs. 39, de oude uitgave heeft geen komma achter veel, en achter Croonen wel 'n komma. - vs. 44 blom: de oude uitgave heeft bloem. - vs. 50 mijn Werelds rijck!: de oude uitgave heeft my Werelds rijck!
31schiet haer....: schiet hun in hun dromen; krijgen ze plotseling 'n droomgezicht.
34geslist: bedaard, onderdrukt (van slissen).
35staet haer toe: past hun, is 't hun plicht (onpersoonlik 't staat toe).
37haer.... mist: hun mist, hun ontbreekt; welgeboorne: wettiggeboren.
38een vrucht: een kind; misval: ongeluk (door uitsterven van hun geslacht),
39-40Ze duchten dat om de kronen (de verschillende delen van hun rijk) 'n bloedig wrede strijd ten laatste volgen zal.
42Voor 't uyterlijck gelaet: in de uiterlike vorm ( gelaet: gedaante, zoals de ouwere betekenis is); wederom: daarentegen (aan d'andere kant).
44Behalven dat 's: ongerekend dat ze, terwijl ze ook nog ( behalven de oorspronkelike vorm).
46die naulijcks opgedaen....: dan klinkt voor de nauweliks geopende poorten 'n droeve stem; ( die: hun (de poorten) ontmoet een droeve stem; opgedaen: opengedaan).
47verreysen: wegreizen, vertrekken.
50Werelds rijck: wereldrijk ( werelds rijck is 'n samenstelling).
TEKSTKRITIEK: vs. 51, de oude uitgave heeft achter op dubbele punt. - vs. 68 heel het aertrijck: de oude uitgave heeft achter heel 'n komma.
51Houd van aenbeden op: houd op met aanbidden, vereren.
53d'armst: d'armste (onverbogen zoals ook in 't Middeleeuws meermalen).
54hare traly: hun venster (zie Christelycke Ridder op vs. 112, blz. 451).
55-56mocht: kon, zou kunnen.
60Dees deughd is ongemeen: dit goed, dit geluk is niet aan allen gemeen; veyl: verkrijgbaar, bereikbaar.
63in stilheyd en in rusten: in rustige zelfbeheersing; in rusten: in rust, ouwe zwakke vorm in de 3e (ook 2e) naamval.
64En zonder eigen wil, overgegeven aan God, zelf niets anders wil als niets (alleen wil wat God wil).
67Door 't uytgaen van hem selfs: door uit zich zelf te treden, door in niets zich zelf te zoeken; ( hem nog heel gewoon in de betekenis van zich) ; door sich selfs t'ontblooten: door zich zelf van alle eigen begeerte te ontdoen.
68als gesegent: omdat ie (van God) gezegend is: gezegend als ie is door God: ( als redengevend in de betekenis van doordat, omdat).
69sulcken heyl: zo'n geluk, dat geluk (zulk 'n); onwetlijck: onwettig; mach: kan.
70ten zy: alleen als men van 't Goddelik geslacht is.
72een Coningh naer't gemoet: 'n koning over z'n eigen inwendige, z'n eigen binnenste (zie stroof 15 en 16).
73Verliest u selven dan: verlochen dus uw eigen.
74In dien ghy anders: indien gij altans, als gij ten minste.
75uws Ziels: de s ook bij vrouwelike woorden, zoals in de 16e eeuw (zie Lof-ghesangh over de Scheeps-vaert vs. 262, blz. 439); lieft: lief hebt; als uyt verkoren: dan wordt gij als de uitverkorene, de gezaligde, gezalfde: dan wordt gij uitverkoren.... (wij gebruiken in zo'n geval als niet meer).
78van: door; uytgestreckte: uitgespreide, met wijd uitgespreide takken.
|
|