auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller en J.F.M. Sterck
bron:
J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Eerste deel 1605-1620. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1927
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
Regelnummers proza laten
vervallen | |
| | | |
57. De Vlieghe en Mieren.*

1 Sulcke redenen zijnder ghevallen tusschen Maximianum ende Diocletianum. Want als 2 Maximiamus onderstont Diocletiano wijs te maken dat het beter was op zijn boersch 3 als op zijn hoofsch te leven: soo heeft Diocletianus het Keyserrijck ende al zijn 4 Mt. verlaten, ende op't veldt in een hutte hem met slechte cost ende dranck laten 5 ghenoeghen; tot den welcken Maximianus namaels quam ende prees ende roemde 6 hemselven boven Diocletianum, om dat hij daghelijcx heerlijck leefde, ende aende 7 Keyserlijcke tafel wel at ende dronck, en dat Diocletianus zijn buyck met grove spijs 8 vervulde. Daerop hem Diocletianus antwoorde: hij was met sulcx wel te vreden. Want 9 een goet Ruyter, wort wel uyt den zadel gelicht: Ende costelijcke brassers, zijn haer 10 leven niet seker.
CVSPINIANVS.
| | | |
LVII
Der Vlieghen Keyzer zich veel lofs heeft toegeschreven,
Vermits hij in't palleys der Princen hoogh verheven 2
Aen s'Vorsten tafel at, daer t'Mierken t'zomers vast 3
Met arbeyd was bezwaert en wonderlijck belast; 4
5
Zoo datze meer een Peert of Ezel was gheleken, 5
Die staegh tot d'ooren toe in slavernije steken. 6
Den arbeyd, zeght de Mier, kan niet zoo schand'lijck zijn,
Als leegheyd, die best past den Hond of t'vuyle Zwijn. 8
Welcx leven van ons tween oock waert is meerder eeren 9
10
Zal ons d'ervarentheyd des tijds heel kortling leeren. 10
T'was nauwelijcx ghezeyd; de winter-tijd verscheen:
De Vlieghe in armoe sterf met droefheyd en gheween; 12
Maer d'altijd kloecke Mier verzorght in hare schuren, 13
De winter wonder veyl in weelde kon verduren. 14
15
‘De Luyaert, die de bloem van 'slevens tijd verslaept,
‘In plaets van vruchten niet dan stekel-doornen raept:
‘Vergaet in zijn ellend; terwijl door s'Heeren zeghen,
‘De vrome wel verzorght en heerlijck is bedeghen. 18
|
*Onderschrift:
Regel 1 redenen: gesprekken, woorden; (vergelijk: er zijn harde woorden gevallen) ; Maximianum en Diocletianum: Latijnse buigingsvormen. - r. 2 Maximiánus: Romeins keizer (305-311) opvolger van z'n schoonvader Diocletianus (284-305), de beruchte kristenvervolgers; onderstont: ondernam, probeerde; Diocletiano: Lat. 3e n.v. - r. 3 op zijn hoofsch: volgens de gewoontes van 't hof; het Keyserrijck: 't Keizerschap. - r. 4-5 Mt.: majesteit; slechte: eenvoudige; hem laten ghenoeghen: zich te vreden gesteld; tot den welcken: tot hem (tot wie, 't Latijnse ad quem) ; namaels: later. - r. 6 hemselven: zichzelf; heerlijck: als 'n vorst ( heer), vorstelik. - r. 7 wel: goed. - r. 8 vervulde: vulde; Daerop: waarop; met sulcx: met dit, hiermee. - r. 9 een goet Ruyter....: 'n spreekwoord met de bedoeling hier: die keizer is, kan de kroon verliezen; costelijcke: kostbare, dure; Cuspinianus: zie onder prent 2.
2't palleys der Princen....: 't hoog verheven, vorstelik paleis ( Princen: vorsten).
3daer: terwijl; t'zomers: 's zomers (uit te zomer: in de zomer en s'zomers, zoals tsnachts uit te nacht en 's nachts) ; vast: voortdurend.
4wonderlijck: biezonder, heel erg.
5was gheleken: had geleken ( was gheleken uit gelijk was en had geleken).
6in slavernije steken: in zware arbeid zitten.
9Welcx leven...: Wie van ons tweeën z'n leven.
10d'ervarentheyd: de ondervinding; heel kortling: binnen heel korte tijd.
12sterf: stierf ( sterf de ouwere vorm).
13kloecke: ijverige; verzorght: goed bezorgd, goed voorzien.
14veyl: veilig, onbezorgd; verduren: doorkomen, doorstaan.
18De vrome: de werkzame; heerlijck is bedeghen: in heerlike rijke voorspoed is ( bedeghen: gegroeid; van bedijen: in voorspoed toenemen).
|
|