auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller en J.F.M. Sterck
bron:
J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Eerste deel 1605-1620. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1927
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
|
| |
Gebedt.aant.aant.*
Uw zegen, Heer, dael op ons allen.
Bewaer ons, dat wy tot geen quaet vervallen.
Ons zorge zoek' het rijk daer boven meest. 3
Nu in den naem van Vader, Zoon, en Geest,
5
Genuttight, met een dankbaer hart, te gader,
Al wat ons wort gegunt van Godt den Vader. 6
Zijn milde hant verleent ons drank en spijs:
Men geef hem lof, en dank, en eer, en prijs.
|
*GEBEDT. - Van omtrent 1620. Afgedrukt naar J.v. Vondels Poëzy, 1682, II, blz. 653 onder ‘Oude rymen.’
Dit is 'n gebed voór de maaltijd, bewerkt naar de bekende woorden van Kristus tot zijn leerlingen ( Lukas 12, 22-31; Mattheüs 6, 31-33).
3Laat onze zorg, eerst 't rijk der hemelen zoeken; (Zoek eerst 't rijk Gods,... en dit alles zal u toegeworpen worden. Lukas 12, 31; Mattheüs 6, 33); Ons zorge: ons naast onse, zie blz. 457 op vs. 268; zorge oorspronkelike vorm van zorg.
6van Godt den Vader: (Uw vader weet dat gij dit alles nodig hebt. Mattheüs 6, 32; Lukas 12, 30).
|
|