Het lof der zee-vaert. Gheheylight Den Edelen, Erentfesten, Gestrengen, Manhaften, Wysen, ende Voorsienigen Heere,
Lavrens Reael, Voor desen Oppervooghd, en eenigen Beheerscher vande Oost-Indien.aant.aant.aant.aant.*
Ick sieder die den Golf verlooft is, 't rijck Venedig,449
450
Het pratte Lissebon, Marsillien steeds onledig,450
En Londen Konings stoel, haer suster, en gebuur451
't Welvarende Amsterdam, en Dantsick korenschuur.
Ick sieder 't uytheemsch volck handklappen, en haer groeten,453
En Mooren swart van huyt neervallen voor haer voeten,
455
En wenschen mijn Godes geluck, en spoed, en heyl,455
En al die om haer eer een ooge slaet in 't seyl.456
Ick vind my onder land. wy sien de Loodsluy naren,457
Een volck dat kennis heeft aen gron'den, wind, en baren.458
Sy leggen ons aen boord, die wel ervaren maets,459
460
En Tritons van het meyr ons sturen binnen gaets.460
[p. 455]
Wy krygen in't gesicht den hoogen Burgh van Muyen,461
Daer Hoofd der Rymers hoofd met veersen streelt de buyen,462
De Nymphen vande Vecht op 't strijcken van sijn Veel
Met Glaucus leyd ten dans. Wy sien het Zee-prieel,463-464
465
De marckt van Christenrijck, daer Weelde in haren zetel,
En trotsgewelfde Beurs ten sterren vaert vermetel.465-466
Wy naecken Schreyers hoeck, daer lieffelijck en bly467
Een Waterlandsche Rey, de Iuffertjens van 't Y,468
Met ongehuyfde pruyck, en kletten geestig singen,469
470
En na den toon van sang, en spel hun treden dwingen.470
Twee Diertjens inden hoop aenminnig groeten ons:471
d'Een volght met soet musijck des anders violons,472
En hebben toegewijt haer kuysheyd Phoebus suster.473
Laet vallen 't ancker, strijck. hier is de vloed geruster.474
475
Hier gaet noch eb noch ty. hier hoortmen geen geruys.475
Hier open ick mijn reys in 't saligh Roemers huys:476
Wiens vloer betreden word, wiens dorpel is gesleten477
Van Schilders, kunstenaers, van Sangers, en Poëten.
I.V. Vondelen.
*Van 1623. Afgedrukt naar de tekst in: Zeespiegel, Inhoudende Een korte Onderwysinghe inde konst der zeevaert, En Beschryvinghe der See'n en kusten van de Oostersche/Noordsche/ en Westersche Schipvaert. Wt ondervindinghen van veel ervaren Zeevaerders vergadert/ en t'samen ghestelt Door VVillem Iansz Blaeuw. Tot Amsterdam, Ghedruckt by Willem Iansz Blaeuw, inde vergulde Sonnewyser. 1623. In de tietel: Het Lof: de roem (lof vroeger ook 'n het-woord zie Dl. 1, blz. 501 op r. 9); Gheheylight: toegewijd aan; erentfesten: achtbare (zie blz. 77 in de tietel); voorsienigen: vooruitziende; Lavrens Reael (1583-1637), geboren in Amsterdam; na z'n studie in de rechten te Leiden werd hij gouverneur van de Molukken, later Gouverneur-Generaal tot 1618; daarna was ie o.a. herhaaldelik Schepen in Amsterdam. Hij kwam geregeld in Roemer's huis, en vormde met Vondel, P.C. Hooft en Anthonis de Hubert de klub die de Troades van Seneka in proza vertaalde, en allerlei taalvragen besprak; oppervooghd: opperheer; eenigen Beheerscher vande Oost-Indien: alleenheerser over Oost-Indië; -Indiën: meervoudsvorm.
1Iedereen die't bepekte en geteerde kan hanteren (aengrypen); Al wat: alles wat, iedereen die.
4in Thetis schoot: in de schoot der zee (Thetis: Griekse zeegodin); opgewiegt: grootgebracht.
5Bolkvanger-dragend gild: gilde der dragers van geteerde regenjassen, d.i. zeevaarders; bolkvanger is 'n ruwe pij van geteerd zeil, die door de zeelui bij stormweer gedragen wordt; (bolk: golf, regenstorm); en blaeuwe toppershoeden: en gilde van de blauwe matrozehoeden (wij zouden zeggen: gilde van de zuidwesters); toppershoeden waren hoogtoppige hoeden.
6Die koortsen haelt: die de koorts krijgt, die 't niet uit kunt houden; en lucht schept...: en vrij ademt.