terug  begin  verder
[p. 765]

I.V. Vondelens Geboortklock Van Willem van Nassav,

eerstgeboren sone der doorluchtichste Princen, Frederick Henrick Ende Amelia, Door Gods genade Princen van Oranje: Geboren met de son, den 27 van May, 1626, in 'sGravenhaeghe.aant.aant.aant.

T' AMSTERDAM,
Gedruckt by VVillem Jansz Blaeu, op't Water, inden gulden
Sonnewijser, M. DC. XXVI.



illustratie

[p. 766]

DE GEBOORTKLOCK WORDT HIER AFGEDRUKT volgens de tekst der eerste uitgave (Bibliographie van Vondels werken Nr. 150). Het oorspronkelike tietelblad vindt men typografies nagevolgd op de vorige bladzijde. De Latijnse spreuk in het vignet betekent: ‘onvermoeid werkende’ (uit Ovidius' Metamorphoses IX, 199). Hiernaast 't Klinckdicht, dat in 't oorspronkelik staat op de voorzij van de gravure op de vierde bladzij.

De prent is hier gereproduceerd op ware grootte. De onbekende tekenaar heeft of wel gewerkt naar de opgave van de dichter, zoals Vondel die voorstelling zelf heeft uitgewerkt in 't Oranje May-lied (blz. 762), of Vondel heeft in dat gedicht de voorstelling van de tekenaar gevolgd. Onder de Oranjeboom met Frederik Hendrik's wapen 't gelukkige vorstelik gezin; in 't midden 't kind aan de borst van de voedster, rechts de vader met de hand op de kop van de Hollandse leeuw, links de moeder, die in de ene hand een oranjeappel, in de ander haar waaier houdt. De god van de Handel komt uit de boom gevlogen en wijst naar de opgaande zon; hij toont 'n spreukband met 'n halfvers uit de 5e Ecloga van Vergilius: Deus, Deus ille, Menalca ('t Is een god, ja een god, Menalca), als 't ware de tekst voor Vondel's zingende vergodingsrede op 't Prinsekind van zijn fantazie. Melckerbuur en Elsken van vs. 648-vlgg. brengen hun gaven en lied. Op de achtergrond Vijverberg en Paleis; op de voorgrond bij ander gevleugelt en ongevleugelt de Haagse ooievaar.

Onderschrift van de prent. In vs. 2 heeft de oude uitgave ten, wij hebben 't verbeterd in den; den hemel is onderwerp, dus: de hemel was te steil voor Typhon's stormloop (storremkat: oud belegeringswerktuig, 'n soort van overdekte beweegbare galerij, om de zacht aansluipende manier kat genoemd).

De 4 regels zijn als een godspraak: Hier onder deze Oranjeboom schuilt 't Kind, wiens roem zal stijgen tot de sterren, terwijl een godenbestormer als 't monster Typhon of Typhóeus, de honderdarmige reus, die hoogte niet haalde, maar door Zeus' bliksems werd neergeslingerd. Andere Typhon's (bergstapelaars en -stuwers) mogen zich wederom verheffen, paal en perk van hun hoogmoed is vastgelegd in de lotsbestemming van dit Kind.

[p. 767]

Aen de doorluchtichste Princesse Amelia, Door Gods ghenade, Princesse van Oranje.
Klinckdicht.aant.aant.

 
Den hemel had in u dat heyligh pand besloten,Vs. 1
 
Daer 's moeders gloor uyt blinckt, en 's vaders majesteyt.2
 
Pand, 'twelck gesegent rijck in rijck borduursel leyd,
 
Op koesterenden schoot, met schoonheyd overgoten:
 
5
Pand, 't welck Oranje troost, en Hollands bondgenooten:5
 
Pand, met veel' wenschen van veel' duysenden verbeyd:
 
Pand, daer myn' Kallioop yet seldsaems van voorseyd:7
 
Geviert en aengebeên van Christe weerelds grooten.8
 
 
Hier springt hoefysers bron: hier bruyst een' diepe zee:9
10
Hier wey ick ruym: hier is de hoorn van Amalthe.10
 
Mevrou, vergeefme doch dese openhartigheden;
 
 
Soo sal mijn' sangeres sich rekenen te sijn
 
Sielsaliger als oyt hofschencker van Jupijn;13
 
Die Nectar schaft, daer goôn ter bruyloft sijn ghebeden.14
[p. 768]



illustratie

 
Hier schuylt hy, dien de Faem sal voeren aen de starren,
 
Wen Typhons storremkat den hemel valt te steyl.
 
Laet berreghstapelaers en stuwers blixems zarren:
 
In Willem 't noodlot heeft gemerreckt hooghmoeds peyl.
[p. 769]

I.V. Vondelens Geboortklock Van Willem van Nassav, geboren Prince van Oranje.

 
Hofjonffer rijck van prael, die al van ouds vermetel,+Vs. 1
 
Op uwe graeven stofte, en graeffelijcken zetel;2
 
Met kunst gevlochten Haegh, besproeyt van Vyverstroom,3
 
Die kiesch, de wortels leckt van den Oranjeboom;4
5
Oranjeboom, die ciert de Tempe van ons' landen;5
 
Boom, naer wiens geur en sap 's volcx monden watertanden:
 
Prieelnymph altijd frisch; vergunme dat ick dael7
 
Op eeuwigh groenen telgh; en lentsche nachtegael,8
 
In't quicxste van den May, aenhef te quinckeleren,9
10
Om uw Prins Willems wiegh en boortendagh te eeren,
 
Met lieflijck maetgesang; sang, boeyster van't gehoor;
 
Sang, die de ruwste siel lockt spelen buyten 't oor.12
 
Ick weet wel, preutsche Maeghd, dat in dees' soete dagen+13
 
Vw' lindetacken puyck van schelle keeltjes dragen;14
15
En dat uw Constantin, met sijne yvoire luyt,15
 
En voet en vingerdans, de vorstelijcke bruyd16
 
Het Maylied schenckt; wanneer sijn' goude Phoenixveder17
[p. 770]
 
Heeft 's Vorsten last vernoeght, en 't harte speelsieck weder18
 
Naer dicht en snaerspel joockt: daerghe uwen sin op set,19
20
En 't slechtste liedje kaut voor 'tleckerste bancket:20
 
Doch ick ken uwen aerd soo heusch, soo hoofs, soo edel,21
 
Dat ghy komt luysteren naer een' geringer' vedel:
 
Ick weet ick heb verlof van uwen Vijverbergh;23
 
En 't sal onnoodigh sijn dat ick't uw' swaenen vergh.24
25
Maer ghy, ô negental! ô Myterberghgodinnen!+25
 
Die 'snachts niet min als daeghs gaet waeren door mijn' sinnen;26
 
Om wie ick't leven lieve, en sonder welcke ick niet27
 
De majesteyt der sonne aenschou als met verdriet,28
 
En droef en eensaem wensch in duysternis te stronckelen:
30
Al sit sy hoogh in't goud, betulband met karbonckelen,30
 
Bemantelt met een kleed van vlam en purpergloed;
 
Waer voor al 'toosten knielt, en wierroockreucken voed:
 
O dochters van Iupijn! indien ick uw' bevelen33
 
Oyt yvrigh heb verricht; 'tsy dat ick speeltoonneelen
35
Opsteenen dede, en plengde een' biggeltraenenvloed,
 
Paleysen doofde in asch, en Princen smoorde in bloed;
 
Het sy mijn' cyter schepte in heldenlof haer' weelde;
 
'Tsy ick op dunner ried een hardervaersken queelde:34-38
 
Vwe ooren herwaerts neygt; uw dichters stem verhoort;
40
Bevloeyt met gulden inckt dees' salige geboort;40
 
Ontsluyt ghenadigh ons uw' bosschen en uw' bronnen;
 
Ontsluyt ons heylighdom, en hemelen vol sonnen;42
 
Gheeft rijmen, die ghetoest, der wijsen dichtkund schatt'43
 
Als pronck van diamant, met gouden klaeu gevat.43-44
[p. 771]
45
D'alstovende Godes die, door haer' boesemprickel,+Vs. 45
 
Meer levens aenqueeckt, als Saturnus met sijn' sickel46
 
Naijvrigh maeyt en velt; had zedert datse nam
 
De sorg ter harten van den hoogen heldenstam,47-48
 
En het Nassausche bloed, op Iupiters begeeren,
50
De saeck soo verr' ghebrogt, dat Frederick sijn' speeren
 
Helm, pantser, en pistool voor haere voeten ley;
 
Verwonnen door de deugd, en schoonheyd, en 't gevley
 
Van eene Amelia, met wie hy, soo 't betaemde,
 
In kuysch en wettigh bed, met sin en siel, versaemde.
55
Elck riep: een held vergaept sich aen sijne eegemael;
 
Een' borst die noyt en klopte (al stondter punt van stael
 
En vyands degen op, en dreygde door te dringen)
 
Die laet sich van een kind den schicht in't harte wringen;58
 
Een hart, daer hagelbuy van koegelen op stuyt,59
60
Is nu Cupidoos roof, en Cypris rijcke buyt.60
 
Dit speet den oorlooghsgod soo dat hy knarssetande,61
 
En riep by trommelslagh den veldheer van den lande+
 
Al weer aen grensewaert, met ongerusten geest;
 
Versteurende Hymens vreughd, in 't midden sijner feest,63-64
65
Doen 'svorsten bruyloftkoets verkeerde in legertente:65
 
Gelijck een' guure buy, in't lachenste der lente,
 
Der bloemen spickeling dick' treft, en droef beswalckt.67
 
Voor ditmael heeftme Mars, seyd Cypria, verschalckt,
 
En de gewenschte vrucht belet na lust te pluycken;69
70
Doch 'k sal sijn' treken tot mijn voordeel bet gebruycken:70
 
'Tbestand dat hyme brout, om elders krijgh te voen,71
 
Is slechts te rugge treen, om grootren sprong te doen.
 
Soo sprackse, en ging terstond, in 'sbruydegoms afwesen,+
 
Meer brands verwecken, en haer' krachten t'samenlesen74
[p. 772]
75
Op't hooge Idalien; en samelde te gaerVs. 75
 
De Charites, daer toe een' vlugge schutterschaer;76
 
En wijdese van nieus, om, als geswore pagien,77
 
Te maecken haeren stoet by groote personagien:78
 
En toegerust met al 't geen minneplicht vereyscht,
80
Sy met haer' eersleep is naer Hollands hof verreyst:+80
 
Daer Henrix bedgenoot eerbiedigh komt begroeten
 
De moeder van de min; en neygende aen haer' voeten,
 
Onthaeltse met soo veel aenbiddings alsse kon:83
 
Gelijck als d'oosterling d'eerwaerde morgenson;84
85
En staet verslegen, als dat goddelijck vermogen85
 
Van Venus aengesicht bestraelt haer' sterflijcke oogen,
 
En werpt sijn schijnsel op dat voorhoofd sonder kreuck:
 
Terwijle d'heylge pruyck een' liefelijcken reuck88
 
Door 'thoflijck welfsel spreyd; en wanden en pilaeren89
90
Van veel verwonderings geslagen nau bedaeren.90
 
Na datse nu allencx wat harts bekomen heeft,91
 
Feesteertse de godin aenminnigh en beleeft92
 
Met dese woorden: ô ghy oorsprong aller weelden,
 
En 't schoonste dat oyt goôn of menschen sich verbeelden;
95
Weest drijmael wellekom; wel komtge my te pas,95
 
Die aen het mymeren al heel geslagen was,96
 
Door 't derven van mijn lief, die legers gaet bespringen,
 
En my besprongen liet van veel' bekommeringen.
 
De schepgodin hier op: ô eer van uw gheslacht!+99
100
Op wie de saelge rey der hemelgoden lacht,100
 
Schep moed, en duld dat Mars uw' Bruygom spelen voere,101
 
En met hem onder 't heyr der vyanden rumoere;
 
Iupijn belooft u hem te leveren in't end
 
Na weynigh' weken uyt sijn' rusting ongheschent:104
[p. 773]
105
Dan sal hy, krijgens sat, in d'oude liefde blaecken.Vs. 105
 
Wil ondertusschen met dees' kindren u vermaecken:
 
Mèt wees sy haeren stoet. AEmilia die loegh
 
Om 'tlodderlijcke volck; terwijlse gade sloegh+108108-vlgg.
 
Het teere breyn, met blonde en kruyfde pruyck beslagen;109
110
De bruyne gitten, die door schalcke wincbraeu sagen;
 
De leden schoon van leest, van roering rap en gaeu;111
 
Het spierwit vel, 'twelck scheen door 'tsuyver hemelsblaeu
 
Der kleedinge, waer op oranje sluyers hingen;
 
De parledruyping van des oorlels goude ringen;114
115
De wiecken bont van pluym, van jufferoogen bly;115
 
Pijlkokers op den rug, kruytflessen op hunn' sy;
 
Flitsbogen streng van pees, en silvere pistolen;117
 
En worrepschichten, die na'et micken nimmer dolen.
 
Vrijpostigh treedse toe, en uyt genade jont119
120
Dat 't een na'et ander vast, met eenen heuschen mond,120
 
'tSneeu haerer handen kust; en word noch in het naderen+
 
Der lippen niet gewaer de brand, die sich in d'aderen
 
Door adems gift verspreed, en voed een' soete pijn;123
 
Die haeren oorsprong neemt van't kinderlijck venijn:
125
Dies Cytherea groeyt, wanneerse 'tsaed siet saeyen,125
 
Waer vanse wenschelijck de vruchten hoopt te maeyen.126
 
De daeghlijcxe ommegang maeckt Cypris bende stout,127
 
Na datse op sachten schoot nu dien, nu desen houd;128
 
Of aen de roosen druckt, opluyckende op haer' wangen;
130
Of laetse om haeren neck gelijck gestrengelt hangen;130
 
Of staert op't lodderoogh, dat haer gesicht belonckt,131
 
En queeckt het vier, 'twelck door het kussen is ontvonckt;
 
Of laet een kraeltjen bloeds uyt blancke borsten pricken
 
Door 't minne schichtje; dies sy bleeck word van verschricken:
135
Sy doodverwt doodser 't rood dat op haer' kaecken bloost,135
[p. 774]
 
Wen 't wicht een' kleene bus op naeckten boesem loost,136
 
En met minqueeckend', maer geen' lichaem schaende vlamme,
 
Al heymelijck versengt melckwitte tweelingmamme.138
 
Ach, steentse, ick flaeu. Aglay Sabeesche reucken brengt,139
140
Terwijl haer Euphrosin met roosewater sprengt
 
In't aenschijn, 't welck uyt vrees sijn purper heeft verschoten:
 
Thalie ontrijgtse, als waer 't om 't hart te nau gesloten,
 
En weckt een' koelte, en aemt haer aensicht leven in.
 
Dit jocken my mishaeght, graeut Paphos koningin;144
145
Dits quetselijcke vreugd: verziert ons andre spelen.145
 
Bellone scheure uw heyr in twee gelijcke deelen:+146
 
't Een grijp het ander aen; doch niet als boertenswijs:147
 
't Een heb de nederlaegh, en 't ander strijck den prijs:
 
Mèt hingse in 't midden op een' koker swaer van goude
150
En pijlen: yeder wenscht dat hy het veld behoude:150
 
Elck vlamter op. Welaen mijn' kinders set u schrap;151
 
Doet, seydse, oprechte proef van waere ridderschap.152
 
Haer' sonen sijn terstond gehoorsaem haeren woerde.
 
Men recht standaerden op: men set sich in slaghoorde:154
155
Men treckter af en aen: 't gedrommel vult de lucht.155
 
De treurige Princes loost treurigh sucht op sucht,
 
Aenschouwende dit spel. Ach, spreecktse, kuyssche minne,
 
Indientme paste als eer een' Amazoonsche heldinne,158
 
Ick sou met forssen moede, op een schuymbeckend ros,159
160
Navolgen mijnen man door vlack, door veld, door bosch:
 
Ick sou met desen arm handhaven sijn' banieren;161
 
En geven Holland stof tot vreughd en vreughdevieren.162
 
Soo klaeghtse, en onder des soo valt de schemerschim;163
[p. 775]
 
En Phoebus drenckt sijn vier beneden onse kim:164
165
't Gedoofde starrelicht begint al meer te flonckeren.
 
De peynsende vorstin, door naerheyd van het donckeren166
 
Is naer, en toght na rust. Het drytal haer geleyd.167
 
D'een' treckt de keurssen uyt, en d'andre 't bed bespreyd168
 
Met bloemen mild van geur: een' darde vlijd het kussen:169
170
Maer 't vleyen van de pluym en kan geen' sorge sussen:170
 
Geen' sachtigheyd den rou der minnaeres versacht;171
 
Sy luyckt geen oogh ten slaep, al swijght de middernacht;
 
Al is de maen geraeckt ten halven haerer ronde.173
 
Een wichtje, seydse, geef sich herwaert op dees' sponde:+174
175
Of't ons' gedachten moght verleyen door sijn' praet:175
 
Ick keer my om end' om; ick hoor de dageraed.
 
Een jongsken, wiens vernuft d'opvoeding had vergouden,177
 
't Welck brongodinnen verr' voor Hylas stelen souden;178
 
(Soo rijck en soet van tael, dat op sijn' tong een' by
180
Van Hyble of van Hymet, den honighdau, die zy180
 
Wt thym gesogen heeft, en rieckende violen,
 
Te storten wenscht; en daer een God om sou gaen dolen,182
 
Indien het waer vermist) sich vlijt op 't spondegoud,
 
En met sijn' kout en praet de waeckende onderhoud;184
185
Kout die meer brands verweckt, en geenssins dient tot lessen:185
 
Hoe Fredrick t'elckemael van stroom en zeegodessen+
 
Belaeght werd en belonckt, wen sijn' vermaelde kiel187
 
Door't schuymend meyrgroen bruysde: het zy sijn' dappre siel188
 
Op vyands bodem dorst ons' ruyterbenden mennen189
190
In veldslagh; 'tsy hy stad of vesting ging berennen:
[p. 776]
 
Of aen den Teems vernieut 'tverbond hem toebetrout,
 
By dien, die vierwerf't hoofd omdruckt met kroonengoud;192
 
Daer hy sich gaet in drang soo veeler sielen mengelen,
 
En uytsteeckt als een god, geviert van juychende engelen:vs. 191-194
195
Hoe 't aemloos Bruynswijck door sijn' vroomheyd werd ontset:195
 
Hoe hy met moeden hengst ging in de Mayn te wedt:196
 
Of sijn' trompetten deed voor Brussels poorten spelen;197
 
En d'oorlooghsfackel stack in 's hartogen prieelen,198
 
In spijt van Spinola; die sagh als in een' droom
200
Den held, die'm namaels holp opbreken van den Zoom:200
 
Zoom, die gekarmosijnt in't laeuwe bloed van d'Iber,201
 
Door Bergens vesten bruyst, soo trots als oyt de Tiber;202
 
Doen Roome sincken sagh den hooghmoed van Tarquijn;203
 
Zoom, die van Nassaus roem sal eeuwigh tuyge sijn.
205
Maer doen de kouter elcx op 't breedste sou verklaeren,205
 
Haere oogen allebey' van vaeck beschoten waeren:
 
Dus morde hy sachtelijck tot datse vaster sliep:207
 
En met quam Morpheus daer; dien Cypris derwaert riep,208
 
Om haer' gerustigheyd, met fluysteren in d'ooren,209
210
Met minnebeelden, en met droomen noch te stooren.
 
Doen nu verdreven was 't saffraenlicht van Auroor;211
[p. 777]
 
En dat de vyver van den hove, met den gloorvs. 212
 
Der son was overspreyd, die op het water beefde
 
Met straelend spiegelgoud, 't welck in't quicksilver leefde:214
215
Doen schoot de bedgenoot van den Hollandschen held+
 
Beroert uyt haeren droom, omgrijpende als onsteld;216
 
Gelijck ofse yemand wou met min en jonst omarmen;217
 
En trock een' sucht (waer van sich Venus most erbarmen)218
 
Wt 't binnenste haerer ziel: hier over met der haest219
220
Cupidoos moeder haer quam vinden al verbaest:220
 
Mijn' dochter, vraeghdese, wat is u overkomen?
 
Och antwoord de vorstin, 't sijn suyckersoete droomen
 
Van mijnen bruydegom. De vaeck nam d'overhand+
 
Na'et waecken, alsme docht dat uyt mijn' ledekant
225
Een boom wies hemelhoogh, gelaên met goude oranjen.
 
Onweder reesser op van Oostenrijck en Spanjen,
 
Met donder, hagel, wind, en blixemvier vermengt:
 
Noch bleven schors en vrucht en bladen onversengt.228
 
De telgen saten vol van allerhande vogelen;229
230
Die cierden 't spruytelgroen met geschaeckeerde vlogelen,230
 
En sloegen englegalm met soet geswolle keel;
 
Als d'aengelockte deên op Orpheus heylge veêl:232
 
't Gehoornde melleckbeest ging onbeschroomt te weyde;233
 
En Holland in sijn' schaedwe een weeldigh leven leyde;
235
Gelijck het gulde volck in gulde weerelds eeu:235
 
De Prins werd vriendlijck aengequispelt van den leeu;
 
De Vloecken weken hem, en bleecke Raserijen:237
 
Men sagh de lucht geveegt van kromgeklaeude Harpyen:238
 
Geen raedselbreyend Sphynx leyde op verslinden toe:239
240
Chimeren waren voorts het vonckespouwen moe:240
 
Geen' Gorgons piepten meer: geene Hydraes nijdigh bliesen:241
[p. 778]
 
Geen' Scylla baste meer; de Pythons staeckten 'tbiesen:242
 
Elck ingeseten liefde en vrede had tot sijn wit:243
 
De kruydeleser vond geen doodlijck aconith:242-244244
245
De boter geur en kleur kreegh als oranjevruchten:
 
Maer dit was aengenaem, geen' oorsaeck van versuchten.246
 
Ick sluymerde daer na; weer dochtme dat ick was+
 
In onsen lusthof, daer ick keurigh bloemen las,248
 
En frissche kranssen vlocht, en soete roosenhoeden:249
250
Mèt quam mijn heer op slagh, doen wy het minst vermoeden:
 
Ick grijpende om end' om, dat ick hem kranssen moght,251
 
Vond dat ick niets omhelsde als dunne en ydel' locht;252
 
Dies schrickte ick en verschoot, als waer 't van doodse spoocken;253
 
En daer mede is mijn slaep en sluymerval gebroken.254
255
Doen rechtese sich op, en schoot de kleedren aen;
 
Haer hebben Charites, na plicht, gerack gedaen;256
 
D'een' rijgt en d'andre snoert; eene andre vlijd de ployen;257
 
Dees' streelt de pruyck; en die den spiegel houd in't toyen,258
 
Of't silveren lampet, 't welck swaer in't houden word,
260
En 't suyver water op haer' suyvere handen stort;
 
Een' andre reyckt de dwael. Gekleed soo brengtse weder+261
 
Den dagh ten ende als voor, met peynsen op en neder.
 
Nu mijmertse in den tuyn; daer schildpad, Cherubijn,263263-vlgg.
 
Dolfijn, en kopre slang braeckt levend kristalijn;
265
Nu, om op 't heetste van den dagh de son te mijen,
 
Wordse overschaeut in linde en ypegaelderijen;266
 
Of ondertusschen, als 't lang draelen d'uuren reckt,
 
Sy in het kabinet 't begonnen werck voltreckt,+268
[p. 779]
 
En aen't borduuren valt; om tegens 's liefsten keeren,
270
Hem met haere eyge kunst, en handwerck te vereeren;
 
En bootst, terwijlse draên op sijde draden hecht,
 
Met sang de klaghten na der slotswaen van de Vecht.271-272
 
Door 't schildren met de naelde is niemand Pallas nader273
 
In aerdigheyd als dees'. D'oudgrootvaer en de vader+274
275
Haers Bruygoms krijgen hier onsterffelijcken lof.275
 
Geboomte naer van schadwe omcingelt 'tNassausche Hof:+276
 
Het welck ontsigh aenbrengt in der aenschouwren oogen.277
 
Geslepe jaspiszuijl stut marmorsteene bogen.
 
Op vloer van Porphyr treên handvlechtende in verbond279
280
Twee maghtige, door eên geheylight met den mond:280
 
D'een, die een' weereld voert, is keyser in Germanjen,281
 
En d'ander Eduard, stafdrager van Britanjen.
 
Een goudelaeckense rijcxmantel hoogh van roem283
 
Ciert elck gelijckelijck, doch ongelijck van bloem;284
285
Eer, die de nasaet sal doen reknen overouderen.285
 
'tOmhangsel, dat soo rijck afhangt van Adolfs schouderen,+286
 
Belaên is met Iupijn; die goddelijck beschrijd287
 
Den Roomschen adelaer: van waer hy worpt en smijt
 
Drijpunten blixemstrael, gevat met gramme vingeren,
290
Op wederspannigh volck en spits, welck' beeft door 't slingeren
 
Van 'tswavelige vier, beneden in den boord;
 
Daer landschap, in't verschiet, verschrickt den donder hoort;290-292
 
En blaeut en flaeut voor 'toogh, soo meesterlijck verdreven293
[p. 780]
 
Met naelde, als oyt pinceel eens maelers wrocht na'et leven.
295
D'archengel Michaël, gaet met gevelde speer,+295
 
In 's konings mantel fel den fellen draeck te keer:
 
Die met gekeerden neck vergif braeckt voor sijn' voeten;297
 
Gewieckt, gekamt, geschubt, en kaeckelbont van sproeten,298
 
Som blaeu, som groen, som geel, langs glibberigen huyd.299
300
De voncken vliegen 't dier ten brandende oogen wt:
 
En 'shemels veldheer, die vol moeds dar rusting wraecken,301
 
Bralt met een' wapenrock van gloeyende schaerlaecken.302
 
Gevlerckte cherubin op 's ridders boesem lacht.303
 
Infijn en hagelwit veldteecken ciert dees' draght,304
305
'tSchijnt dartle windekens in 't paradijsweb dwarlen,305
 
Van Engelen gesoomt met suyverlijcke parlen,306
 
Besprengt met sprencklen bloeds, geparst met doornekroon
 
Wt 's heylands hoofdslaep. Gods kampvechter dus ten toon,307-308
 
Aen sijn' ten ruggebeen frisch wtgewosse pennen,309
310
Met heylgen dau besproeyt, is lichtelijck te kennen.
 
Maer in het naeste perck verneemtmen het geraes+311-vlgg.
 
Eens legers, besich om te trecken over Maes,
 
By uchtendschemering. Men sieter ruyters hebben
 
Den voortoght: andre weer beletten 't weldigh ebben314
315
Des strooms; terwijle vast het voetvolck d'andre sy315
 
Voorttreckende gewint. Men siet Prins Willem bly
 
Sijne hoplien groeten, die den waterkant opstygen;
 
Vol hoops om Alba nu in 't vlacke veld te krijgen.318
 
Nu prangde AEmilia de broosen van den Vorst319
320
Met spooren fijn van goud; en uyt benaude borst
 
Sy reys aen reys versuchte, en kende by de maenschijn
[p. 781]
 
Den soon, door ommetreck verbeeld van 's vaders aenschijn;321-322
 
En kuste haer naeldwerck dick' (de liefde is doch niet vrij323
 
Van sulcke teederheyd en soete afgoderij)
325
En sporegespster noopte haer' vlugge min met sporen:325
 
Gelijck Pygmalion, eer noch sijn' witte yvoore326
 
Gelijckenis oyt geest gevoelde of aderslagh;327
 
Eer hy in 't doode beeld yet levens blieken sagh,328
 
Of voorhoofdkreucken, mondvertrecken, ooghverdraeyen:
330
Soo pooght ons' minnaeres haer kranck gemoed te paeyen,
 
En vast een' soete wonde in quynende adren voed;331
 
Vermids 't pijldragend volck stoockt stadigh gloed op gloed332
 
Tot dat haers heeren komst ten lesten werd geboren,333
 
In 't rijpste van den oegst, tot Venus oegst beschoren.334
335
Dat nu een' meeremin of sanggoddinne dar+335
 
Vermelden, met wat vreughd dees' Solmsche morgenstar,
 
Die eenen tijd lang van haer' son en siel afdwaelde,
 
Hem wellekom ontfing, en vierighlijck onthaelde,
 
En schepte glans en gloor en leven uyt sijn licht.
340
Van blijschap seeghse, doense 't vrolijck aengesicht
 
Bekende in open helm, en dat paer gluurende oogen.341
 
Cupidons schoten toe, of quamen aengevlogen;+342
 
Dees hem ontgord 't van oostersteentjens blinckend swaerd;343
 
Die 't hellemet aflicht al ziddrende; en vervaert344
345
Voor 't bleeck Medusaes hoofd, aengrijnende uyt 't vergulsel;345
 
Voor 't morssigh slangenhayr, wel eer blondverwigh hulsel;346
 
Voor 't stael met vederbos beswaeyt, geblutst van lood.347
 
Een ander die ontgespt het harnasch; daer de dood
[p. 782]
 
Tot meermael proef af nam, met koegelen en klingen:348-349
350
't Welck veele, al swoegende, aen den wand te pronck ophingen;vs. 350
 
Verwondert om de kunst gedreven in metael:
 
Daer Mulciber in wrocht sijn' deughd en oorloogsprael.+352
 
Hier vind hy sich betrapt van d'Arragonsche laegen.353
 
Wat raed, o jonge Prins! ick schrick, noch dart ghij 't waegen;
355
Noch word ghy handgemeen, verselt met Briauté,355
 
En franschen adeldom, en past op steeck nocht sne;
 
Daer 't yser barst en knarst, en schampt van helm en ringkraegh,
 
Na'et braecken der pistool: en houd in die bespringvlaegh358
 
Der vyanden het roer: en loefwaert wel te ty,
360
Dringt dapper in op hen, die leggen in de ly.359-360
 
Hier sagense hem, bestuwt van welgebore graeven,+361
 
Op sijnen moor De Groot doorwaden Nieupoorts haeven:362
 
Ascanius gelijck, doen heet op roof en moord,363
 
Hy met Troiaenschen stoet opsteegh den Tiberboord.
365
Het ebbend schuym beroert, nau 't spieglen wil gedoogen365
 
Van rusting; daer de son in schittert uyt den hoogen.
 
Het moedigh dier met mond en oogen vreeslijck driescht,367
 
En 't knabbelt sijn gebit, en 't schijnt hun dat het briescht.368
 
Gins draeght de klepper moed op sijn' gedragen meester,+369
370
Daer stof en roock en smoock de lucht beweeft. het vreester
 
En zidderter, wat hier omheynd is of ontrent.371
 
d'Oranje pluym en kam die maecken hem bekend.372
 
Sijn vyands heyr begint het harte te beswijcken.
 
Wie sagh een lichaem oyt getart van soo veel' pijcken?374
375
Wie sagh oyt jongeling die min voor grijse suft?375
 
Maer in de lucht om hoogh, daer schilderde 't vernuft+
[p. 783]
 
De glori, groots en prat; welcke in haere hand ten toone377
 
Voor beyde legers voert een' overwinners kroone,
 
Aenprickelster ten strijd; en maeckt de ridders stout
380
Wt haeren wagen, die stal in de wolcken houd380
 
Met seven aernen; welcke in parrele gareelen381
 
Verstrecken tot gespan, wanneerse vaert uyt spelen.382
 
De faem recht voor haer sweeft, en blaest nu fijn, nu grof,383
 
Door silvere basuyn, wiens klanck is enckel lof.
385
Leef lang, ô Nassausch bloed! ick sie den slagh gewonnen,
 
Den Admirant gevaên, en Albrecht scharp ontronnen.386
 
Gins druckt een hopman op de lenden van den vorst+
 
Sijn' swangre karrabijn; de prins op 'shopmans borst;388
 
Die by 't veldteecken reede Oranjen houd gegrepen.
390
Bacx vind sich tot ontset van om end' om benepen.390
 
De god des Roervliets doods, geeft op een' naeren schreeu,391
 
Eer hy ontworstelen siet Hollands fieren leeu;
 
Die ginder, soo sijn volck Bourgoensche vaenen sloopen,393
 
Is nyver besigh met Trivultius te stroopen.394
395
Hier was, ô Milanees! uw' kracht een' ydle wijck.395
 
Vw graefschap, rood beschreyt, wacht uw gebalssemt lijck.
 
Gins, eer noch Titons bruyd aenbreeckt met purpre wangen,+397
 
Werd Henrick Berghsche graef prins Hendericx gevangen;
 
Doen Erckelens te spa de deughd en kracht vernam399
400
Van Fredericx petard. men sieter roock en vlam400
 
Ten daecken uytslaen, al 't Limborghsche land sich reppen:
 
Men hoordter dorp en stad alarm en brandklock kleppen.
 
Soo onsacht weckt de wraeck de boosheyd, alsse slaept.
 
Terwijle sich de jeughd aen stuck voor stuck vergaept+404
405
Nieusgierigh, 't lieve paer versadighde 't verlangen.
 
Sy blijft om sijnen hals, hy aen den haeren hangen,
 
Tot dat hen d'avondstond ter tafel nood en set;
[p. 784]
 
Daer onderlinge kout was 't leckerste bancket.vs. 408
 
Van weersijds wecktense door 't liefelijck beloncken
410
Een' goddelijcke walmte, en kuysche minnevoncken.410
 
Dischtoortsen blaecktender geciert met myrteblaên.
 
Dus hief de minnerey op pijp en snaeren aen:412
 
O ghy die sorge draeght voor keyserlijcke rancken!+
 
Wie met eerbiedigheyd Nassausche telgen dancken;
415
Alstovende godin, van wesen overschoon,
 
Die 't bruyloftbedde spreyt van menschen en van goôn;
 
Wie hemel aerde en zee ontsichelijck staegh vieren,417
 
En wind en weder dient; wie allerhande dieren
 
Toejuychen met geschrey, en tuygen datgher sijt;419
420
Wen lentische landou uw' godheyd bloemen wijd;420
 
Wanneer 't bedaude kruyd komt plotslijck uytgedrongen.
 
En bronaêr openbarst met levendige sprongen.422
 
Begeerlijck alle siel, 't sy waerwaert datghe gaet,
 
Vw spoor volght, en bekoort uw' gangen gade slaet.423-424
425
Beest, vogel, visch, versien met borstels, veeren, vinnen,425
 
Op bergh, op blad, in beeck, al woende leeren minnen;426
 
Getroffen in de borst van uwen prickelstrael:
 
Wiens krachten elck vermelt, en groot maeckt op sijn' tael.428
 
Soo temtghe wallevisch, en groothartige leeuwen,
430
En rijgt onendelijck der dingen beurtige eeuwen,430
 
En schaeckelt d'eeuwigheên, vermids ghy, saet en sout
 
Der weereld, alles teelt, en alles onderhoud.
 
Niets magh'er sonder u het sterflijck oogh behagen.433
 
Geslaghten vallen neer met zidderen en tsaegen,
435
Met schoot vol offers, en met harten vol demoeds,
 
Voor 't hoogh autaer van u, ô oorsaeck alles goeds!
 
Die Mavors, onder 's heyrs aenhitsende trompetten,
 
Salpeterblixemen en donders, neer kunt setten;437-438
 
Set nu een weynigh neer het woeden van den krijgh,
[p. 785]
440
En geef dat desen nacht kartou en trommel swijgh.vs. 440
 
Ghy hebt den wapengod, met overgroot verlangen,+
 
Gegoten in uw' schoot, aenminnigh dick' ontfangen;442
 
Wanneer, omvloeyt van u, hem d'oude vlam beving,
 
En hy al staerende, in uw aenschijn weyen ging,
445
En gierigh sijn gesicht versaden in uwe oogen;445
 
Daer tweelingschutterkens uyt quetsten met hunn' boogen:
 
Of stuuren sijn gedacht in het verborgen deel.447
 
Vw' wangen bloosden dan als roosen op haer' steel;
 
De lely bloeyde hier witst; de schoonheyd schoot haer' straelen
450
Op 't krachtighste; en hy sagh'er perlen en koraelen,
 
En tintelend gestarnt, en glans die schoonder brand
 
In vrouwenoogen als in flonckerdiamant.
 
De tonge d'ooren vleyde. Hy voelde 't slaen der aderen,
 
Die blaeu in wit albast sich spreyen en vergaderen:454
455
Hy roocker amberlucht, en lepte nectardranck:
 
En door de soetigheên, van soo veel wellusts, kranck,
 
Omermt in 't weeldigh bad, besweeck sijn geest na'et woelen:
 
En nuttighde endelijck 't soet prickelend gevoelen458
 
Van d'oppersaligheyd, welcke uwe mildheyd kan
460
Medeelen, en geen lid was van uw' godheyd wan.460
 
Anchises ging niet min in zee van wellust waden,+461
 
O dochter van de zee! wanneer met myrtebladen462
 
Hy overschaduwt, uwe omhelsingen genoot;
 
En won den Troischen held, beleyder van de vloot:464
465
En doenghe kussens sat, u rechtende van d'aerde,465
 
Op 't kruydigh bedde van uw' leckre bruyloft staerde,466
 
Ghy dese woorden spelde uyt nieuwe bloemen: hier467
 
Sijn weeldigh twee tot een gesmolten door het vier.
 
Geef, geef, godinne, dees' gelieven uwen segen,
470
Dat elck sijn' weerga niet onlieflijcker bejegen,470
[p. 786]
 
Tot bouwing van dit hoogh en overoud geslaght;
 
Waer uyt Batavien den nieuwen held verwacht.472
 
Soo song de blijde rey, en loegh, wen onder 't singen
 
Verborge vlam bestond door been en merch te dringen:474
475
Gelijck het moederlicht, met heymelijcken brand,475
 
Na wintervorst doorkruypt en murruwt teere plant.476
 
Daer stond een oude kop, en blonck van goud en steenen;+477
 
Daer Keyser Adolf, doen sijn balssemt hayr beschenen478
 
Werd van 't heylheyligh cier, den keyserlijcken hoed,479
480
Den eersten dranck uyt dronck; doen der keurvorsten stoet
 
Aenrechte sijnen disch, en weereldlijck en geestelijck
 
Met armelijnen praelde, en rood schaerlaecken feestelijck;482
 
Een wonderbaere pracht: vrou Cypris desen had483
 
Gewijd ten slaepdranck, en vermengt met 't selfde nat
485
Daer 't breyn van Iupiter wel eer me' was beschoncken,
 
Doen hy Alcmenaes min soo diep had ingedroncken;486
 
En aen haer winnen ging dat overgodlijck saed,487
 
Gesielt met strijdbre deughd, en dwingelandenhaet:488
 
Dien heeft de schoone bruyd, tot wellekomst en eere,489
490
Haer' bruygom toegebrogt, en lang verwachten heere;490