|
De werken van Vondel
|
| BLZ. | |
|---|---|
| KORT OVERZICHT VAN DEN INHOUD | 1 |
| HET LEVEN VAN VONDEL (1620-1627), DOOR DR. J.F.M. STERCK | 3 |
| VONDELS DRAMATIEK I, DOOR L. SIMONS: | |
| 1. VONDELS DRAMATISCHE NATUUR | 29 |
| 2. VONDEL EN HET TREURSPEL | 36 |
II
| BLZ. | |
|---|---|
| VONDELS WERKEN (VAN 1620 TOT 1627) | 53-818 |
| AENDACHTIGE BETRACHTINGE OVER CHRISTUS LYDEN [omtr. 1620] | 55 |
| HOWLYCK-SANG, TUSSCHEN GOD EN DE GELOOVIGE ZIELE [omtr. 1620] | 69 |
| VVTERSTE OORDEEL [1620] | 72 |
| VIER VVTERSTE. [omtr. 1620] | 73 |
| HIERVSALEM VERWOEST [1620] | 74 |
| AEN MIJN BROEDER OP HET TREVRSPEL DER IODEN. KLINCKERT (DOOR GUILHELMUS VONDELIUS) | 76 |
| AENDE IOODSCHE RABBYNEN. KLINCKERT | 100 |
| DAVIDS LOFZANGH VAN HIERVSALEM [1620] | 216 |
| DE HEERLYCKHEYD VAN SALOMON [1620] | 223 |
| DE VERTAELDER AEN KEYZEREN, KONINGEN, EN ALLEN GEWELDIGEN OP AERDEN. KLINCKERT | 225 |
| OP DE AENKOMSTE VAN DE KONINGINNE VAN 'T ZUYDEN TE HIERVSALEM. KLINCKERT | 299 |
| DE HELDEN GODES DES OUWDEN VERBONDS [1620] | 301 |
| AENDE OUWDVADEREN, PRIESTEREN, KONINGEN, PROPHETEN, EN HELDEN. KLINCKERT | 303 |
| KLINCKERT (Och of 't geoorlooft waer te danssen met de Reijen) | 315 |
| ODE OP DE GHEBOORTE VAN ONSE HOLLANDTSCHE SAPPHO ANNA ROEMERS [1620] | 392 |
[pagina 926]
| VONDELS WERKEN (VERVOLG): | |
| OP DEN BURGHER-KRIJGH DER ROOMEREN. KLINCKERT [1620] | 396 |
| AEN DEN BRUIDEGOM LAMBRECHT JACOBSZ. MET SIJN BRVIDT, AECHTJEN ANTHONIS [1620] | 397 |
| BABYLONISCHE GEVANGENIS. PSALM CXXXVI [omtr. 1620] | 398 |
| GEZANG, OP HET LATIJNSCHE WOORDT: TRAHIT SUA QUEMQUE VOLUPTAS [omtr. 1620] | 400 |
| OP 'T WOORT: DAER IS SOO YETS [omtr. 1620] | 403 |
| OP KASSANDRAS TREURSPEL [omtr. 1621] | 404 |
| KLINCK-DICHT OP HET DERDE DEEL VAN 'T LICHT DER ZEEVAERT [1621] | 405 |
| KLINKERT [OP ZACHARIAS HEYNS' VERTALING VAN DU BARTAS] [1621] | 406 |
| [OP ZACHARIAS HEYNS (ONDERSCHRIFT BIJ PORTRET)] [1621] | 408 |
| GEBEDT, UYTGESTORT TOT GODT, OVER MIJN GEDUERIGE QUIJNENDE SIECKTE, Anno 1621 | 409 |
| [OP HENDRICK DE KEYSER(ONDERSCHRIFT BIJ PORTRET)] [wschl. 1621] | 411 |
| OPDRAGHT DER AFBEELDINGHE VAN PRINS WILLEMS GRAF, AEN DE STATEN DER VEREENIGHDE NEDERLANDEN [BOVENSCHRIFT OP PRENT] [1622] | 412 |
| GEDACHTENIS VAN DESIDEER ERASMVS Rotterdammer. aen den heer PETER SCHRYVER [1622] | 414 |
| OP HET METALEN PRONCK-BEELD ONLANGS TE ROTTERDAM OPGERECHT TOT EERE VANDEN GROOTEN ERASMVS [1622] | 418 |
| OP ERASMUS [wschl. 1622] | 420 |
| TOT LOF VANDE KUISCHE EN GODVRUCHTIGHE MARTELARESSE ST. AGNES. GHESANG [1622] | 420 |
| LYCK-DICHT, OP 'T OVERLIJDEN VAN D. COENRADUS VORSTIUS [1622] | 426 |
| KLINKERT [OP PROFESSOR SNELLIUS] [1622] | 428 |
[pagina 927]
| VONDELS WERKEN (VERVOLG): | |
| OP DE VERTALINGE VAN DE EERSTE WEECKE, VAN G. DE SALVSTE, Heer van Bartas. Gedaen door Heer WESSEL VAN BOETSELER, Vryheer en Baron tot Asperen, &c. KLINKERT [1622] | 429 |
| ALS JUFFROUW MAGDALENE HAREN BAAK TROUWDE. [1623] | 430 |
| HET LOF DER ZEE-VAERT. Gheheylight Den Edelen, Erentfesten, Gestrengen, Manhaften, Wysen, ende Voorsienigen Heere, LAVRENS REAEL, Voor desen Oppervooghd, en eenigen Beheerscher vande Oost-Indien [1623] | 431 |
| VECHTZANGK, VOOR IOFFROUW MARIA TESSELSCHADE. [1623] | 456 |
| DE SALIGE TOORTSEN VANDEN E. BRUYDEGOM, HEER ALARD KROMBALCK, EN SYNE E. BRUYT, IONCKVROUW TESSEL-SCHADE ROEMER VISSCHERS [1623] | 460 |
| BRUYLOFTSLIED | 478 |
| KLINCK-DICHT (Die Christenen ontzeit den Christelijken beker) [1623] | 480 |
| OP HET VERONGELUCKEN VAN DOCTOR ROSCIUS [1624] | 481 |
| [OP ROSCIUS (ONDERSCHRIFT BIJ PORTRET)] [wschl. 1624] | 482 |
| OP DE DOODT VAN IONGKVROUW MAGHTELT VAN KAMPEN [1624] | 483 |
| OP MEVROUW DE DROSTIN VAN MUIDEN, KRISTINE VAN ERP [1624] | 484 |
| OP MEESTER IOAN PIETERSEN SWELING, Phoenix der Musijcke, en Orgelist van Amsterdam. [wschl. 1624] | 485 |
| STRYD OF KAMP TUSSCHEN KVYSCHEYD EN GEYLHEYD [1624] | 486 |
| OP VRBAEN DEN ACHTSTEN [1625] | 495 |
| [WYCKZANGK] (Cathryn die met Diaen ten reye gaet) [1625] | 497 |
| CHRISTELYCK VRYAGIELIED [1625] | 499 |
| [ZANGH] (Dianier roeyde in een schuytjen) [1625] | 501 |
| PRINCELIED [1625] | 505 |
| BEGROETENIS AEN DEN DOORLUCHTIGHSTEN EN HOOGHGEBOREN VORST FREDERICK HENRICK [1625] | 507 |
[pagina 928]
| VONDELS WERKEN (VERVOLG): | |
| OP DE BEELDENIS VAN VORST FREDERICK HENRICK [1625] | 521 |
| OP DE BEELDENIS DER DOORLUCHTIGHSTE EN HOOGHGEBORE VORSTINNE AMELIA, PRINCESSE VAN ORANGIE, &c. [1625] | 524 |
| YET SELDSAEMS IN 'S GRAVENHAEGH | 526 |
| OP DE LEDIGE VREN VAN DEN GEESTRIJCKEN HEERE CONSTANTIN HVYGENS [1625] | 527 |
| DE AMSTELDAMSCHE HECVBA, TREUR-SPEL [1625] | 529 |
| HECUBA | 531 |
| I.V. VONDELENS PALAMEDES OFT VERMOORDE ONNOOSELHEYD. TREUR-SPEL [1625] | 615 |
| KLINCKERT (Ten leed geen seven jaer, of Palamedes schaeu) | 618 |
| OP BARNEVELT [1625?] | 753 |
| GESPRECK OP HET GRAF VAN WIJLEN DEN HEERE JOAN VAN OLDENBARNEVELT [1625?] | 754 |
| KRACHTELOOSE PAEPENBLIXEM, toegeeygent LAMOTIVS en WALLAEVS, Biechtvaders van Heer Iohan van Oldenbarnevelt [1625?] | 755 |
| OP EEN MOORTPASQUIL, by een ander gedicht, en moetwilligh op mijnen naem gedruckt [1625?] | 756 |
| OP DE CHRISTELIJCKE SINNE-BEELDEN VANDEN SINRIJCKEN DICHTER ZACHARIAS HEYNS [1625] | 756 |
| KLINCKERT. AEN SCHIPPERS EN STUYRLUYDEN [1625] | 757 |
| OP HOOGERBEETS [omtr. 1625] | 758 |
| [OP DE BOETEN BETAELT DOOR DEN HEER PETER SCHRIJVER] Geschreven bij J.v. VONDEL, in het Stamboek van PETRUS SCRIVERIUS [omtr. 1625] | 759 |
| OP HET OVERLYDEN VAN WYLEN DEN E.E. HEERE CORNELIS PIETERSZ HOOFD, Raed en oud Burgermeester der vvydberoemde koopstede Amstelredam. Salighlyck ontslaepen den eersten dagh des jaers 1626. KLINCKDICHT [1626] | 760 |
| GRAFSCHRIFT | 761 |
| [IN EVMDEM] | 761 |
| ORANJE MAY-LIED [1626] | 762 |
[pagina 929]
| VONDELS WERKEN (VERVOLG): | |
| I.V. VONDELENS GEBOORTKLOCK VAN WILLEM VAN NASSAV [1626] | 765 |
| AEN DE DOORLUCHTICHSTE PRINCESSE AMELIA | 767 |
| KLINCKDICHT (Noch leeft, tot Hollands heyl, de vvachter van den tuyn) [1626] | 804 |
| OP DR. JOAN FONTEYN [1626] | 805 |
| AEN DEN EDELEN, GESTRENGEN, EN MANHAFTEN HEER LAVRENS REAEL, Ridder, oud generaal van de Oostindien, &c. Op sijn ridderschap en invvyinge door sijne Majesteyt van groot Brittanien. KLINCKDICHT [1626] | 806 |
| ANTIDOTVM. Tegen het vergift der Geestdryvers. Tot verdedigingh van 't beschreven woord Gods [1626] | 808 |
| BEDE, AEN DE OPPER VYANDEN VAN DE VOORSTANDERS DER VRYHEYDT TOT LEYDEN [1626] | 812 |
| WATERBEL OF VERZIERT GERUCHT [omtr. 1626] | 814 |
| BEECKZANG AEN KATHARINE [wschl. 1626/7] | 816 |
| WELLEKOMST AEN DEN EDELEN GESTRENGEN HEER CONSTANTYN HUYGENS, Ridder ende geheymschryver van den doorluchtighsten prince van Oranje [1627] | 817 |
III
| BLZ. | |
|---|---|
| LITERATUUR-OPGAVE DOOR DR. J.F.M. STERCK | 819 |
| BIBLIOGRAPHIE DOOR DR. J.F.M. STERCK | 821 |
| AANVULLINGEN EN OPMERKINGEN VAN DR. J.F.M. STERCK | 825 |
| AANTEEKENINGEN VAN DR. H.W.E. MOLLER: | |
| I. TEKSTKRITIEK | 830 |
| II. AFWIJKENDE LEZINGEN | 836 |
| III. JAARTALLEN VAN DE GEDICHTEN | 898 |
| IV. NADERE VERKLARINGEN | 903 |
| V. AANVULLINGEN EN VERBETERINGEN | 921 |
| INHOUD VAN HET TWEEDE DEEL | 925 |
[pagina ongenummerd, inlegvel 1]
AAN ALLE INGETEEKENDEN OP DE WERKEN VAN VONDEL
Amsterdam, Juni 1929.
L.S.
Het heden verschenen Tweede Deel heeft aan het slot de volgende opmerking van Dr. Moller:
‘De verklaring van Vondels werken eischt een zoo langdurig en grondig onderzoek op onnoemelijk veel punten, dat de volledige verschijning van alle deelen een te groote vertraging zou ondervinden. Nu is Prof. De Vooys reeds enkele maanden geleden begonnen met de bewerking van 't Derde Deel. En zoo zullen door ons beider arbeid, geheel zelfstandig en afzonderlijk, de verschillende deelen veel spoediger verschijnen, en kunnen wij de volledige voltooiing binnen enkele jaren tegemoet zien.’
De uitgeefster wil daaraan het volgende toevoegen.
Verschillende ingeteekenden hebben niet zonder reden bij hun boekhandelaar of rechtstreeks bij ons geklaagd en gevraagd:
‘Waar blijft toch het tweede deel van Vondel?’
Nu het er eindelijk is, zullen zij zich spoedig hebben getroost met een eerste vluchtige taxatie van den ontzaglijk rijken inhoud.
Het zal hen bovendien verrassen, dat zij met de 2 thans verschenen deelen, die begroot waren op 40 vel elk (naar welke begrooting de verkoopprijs is berekend), thans reeds 40 procent aan boekomvang meer hebben ontvangen dan zij konden verwachten, en dit (natuur-lijk!) zonder prijsverhooging.
Deze ‘gratis toegegeven’ 480 bladzijden hebben - men gelieve het wel te bedenken! - mede hun aandeel gehad in de vertraging. Zal, wat we op goeden grond verwachten, het derde deel nog in dit jaar het licht zien, dan durven we hopen, dat de laatste
[pagina ongenummerd, inlegvel 2]
klaagtoon zal versterven en dat alle Ingeteekenden zich zonder voorbehoud en blijvend zullen verheugen over het bezit van dezen ‘Vondel’, waarover door de Critiek zoo warm de lof is gezongen. Ter opfrissching van 't geheugen der vriendelijke lezers eenige aanhalingen:
PROF. DR. J. HUIZINGA schreef in De Gids van November 1927 een opstel over De nieuwe uitgave van Vondel; het volgende is er aan ontleend: ‘Wie het statige deel opent zal oog en hand gestreeld vinden door blank, zacht, stevig papier; hij ziet een welverzorgden druk - uit de Erasmus-letter van S.H. de Roos, en onder een voor maat en harmonie gevoelig oog gezet. Op den donkergroenleeren band anticipeert de strakke gouden rugversiering haar herhaling op de negen deelen die ernaast zullen staan.
Nu bekruipt den bezitter de lust tot vergelijken, en hij legt er de andere uitgaven naast: de gemoedelijke deeltjes van Unger, de dorre banden schamel drukwerk van Van Vloten, maar vooral de oorspronkelijke uitgave van Van Lennep, die wat uiterlijke gedaante betreft, de meest eigenlijke voorganger van de nieuwe is. Een hulde aan Van Lennep's editie siert Dr. Sterck's voorwoord; ook “Bingers voorname typografische uitvoering” geldt zijn lof. en als men den wil voor de daad neemt, terecht. Dit wás het fraaiste, wat in 1855 de boekkunst in Nederland te leveren vermocht. Het doet goed, bij onze dagelijksche cultuurbenauwingen, althans op dit punt eens van ganscher harte te kunnen getuigen: dan zijn wij toch wel heel wat vooruitgegaan!...
Het komt op de houding tegenover Vondel aan. De nieuwe uitgave, met haar onberispelijke trouw aan den ouden vorm, beduidt den terugkeer van onze generatie naar de zuivere historiciteit, een verdieping en verfijning van inzicht...’
DR. K.H. DE RAAF in een opstel ‘Een grootsche Uitgave’ (N.R. Crt. van 29 Oct. '27):
‘Wat hier gedaan gedaan werd, is geen kleinigheid. We moeten erkennen, dat we met ontzag en groote waardeering vervuld zijn voor den geweldigen arbeid van Dr. Moller. Zijn geduld, zijn ijver, zijn scherpzinnigheid en degelijke filologische en bibliografische kennis moet men bewonderen. Dit alles, vereenigd met de angstvalligste nauwgezetheid (waarvan we sprekende voorbeelden zouden kunnen geven), maakte hem bij uitstek geschikt om dit deel van de groote taak tot een goed einde te brengen...’
Dr. De Raaf besluit: ‘En hiermede neem ik afscheid van dit prachtige boekwerk en van de mannen die zich zoozeer beijverd hebben, er iets van te maken dat zijne waarde zal behouden zoo lang de Nederlandsche natie blijft bestaan.’
PROF. DR. ALBERT VERWEY in het Handelsblad van 7 Oct. 1927:
‘Een geleerde uitgave dus, in de eerste plaats, hoewel door verschillende middelen aantrekkelijk en toegankelijk gemaakt voor leeken....
[pagina ongenummerd, inlegvel 3]
Dr. Moller heeft een zeer groot aandeel aan deze uitgaaf. Men moet over zijn taak niet gering denken. Er is een eindeloos overleg en een voortdurende aandacht noodig....
Van de verdere verschijning van het werk stel ik me een vaak herhaald genoegen voor. Ik eindig dan ook met een hartelijke aanbeveling. De uitgaaf is een ongeloofelijke aanwinst voor leeken zoowel als geleerden die in Vondel belangstellen....’
PROF. DR. C.G.N. DE VOOYS (in 1929 zelf toegetreden tot de commissie der redactie van de uitgave) schrijft in De Nieuwe Taalgids van Nov. 1927:
‘Afzonderlik vermelding verdient de mooie zeldzame prent 's Lans Welvaren, als grondslag voor het Lof-ghesang over de Scheepsvaert onmisbaar. Leggen we dit boek naast de “prachtuitgave” van Van Lennep, dan kunnen we met voldoening vaststellen dat de boekkunst in Nederland sindsdien grote vorderingen gemaakt heeft.
Maar ook de inwendige verzorging getuigt van toewijding en nauwgezetheid. Het is bekend hoeveel de uitgave Van Lennep - Unger te wensen liet. Reeds lang geleden toonde Willem de Vreese aan, dat Unger de teksten slordig behandeld had, terwijl de noten maar al te vaak een dilettanties karakter droegen. Het was geen geringe taak, die Dr. Moller op zich nam: alle teksten moesten nauwkeurig met de oudste drukken vergeleken worden; de latere lezingen - door Unger verwaarloosd, maar voor Vondel's zelfkritiek vaak zo belangrijk - dienden opgespoord en vermeld te worden, in een afzonderlike bijlage; mogelike fouten in de overlevering waren te overwegen. Dit alles is met loffelike ijver geschied. Ook de filoloog vindt hier voortaan een betrouwbare grondslag voor zijn studie.’
De herinnering aan deze goede woorden en het besef der lezers zelven, dat hier een groot stuk nationaal cultuurland voor het eerst naar den eisch is ontgonnen, moge bezielen tot nieuwe opgewekte propaganda!
N.V. Mij. voor Goede en Goedkoope Lectuur
L. SIMONS
N. VAN SUCHTELEN
Directeuren.