auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller en J.F.M. Sterck
bron: J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Tweede deel 1620-1627. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1929
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
|
| |
| | | |
Vechtzangk, voor Ioffrouw Maria Tesselschade.aant.aant.aant.aant.*
Wijze: Droefheit magh ick wel klagen.
Wiens zangk en vedelsnaar 2
5
Die met zijn wiecken hing,
Daar zangk zijn hart bekneep, 6
Het keeltje, dat hem greep; 7-8
Dees op den oever stondt, 9
10
Daar Glaukus, heet van Min, 10
| | | |
Kust en herkust den mondt
Die in zijn armen glijdt,
En zijght van liever lee, 14
15
En voeght haer bruitschat by 15
't Rijck hylixgoet der zee. 16
Pan zangzieck, op dat pas, 17
20
Hier Tityr mede ontboôn. 20
Zy huckte neêr in 't groen, 21
Daar van een hoogen wal 22
Het oogh moght ronde doen,
25
Toen sloegh haer keel geluit.
Help Godt, wat zoeter zang. 26
Zwijgh Tityrs boerefluyt. 27
Toen tot haer neighde riet
Geboomte en vogelvlught. 31-32
Ach Dafnis, zong zy, ach!
Wat gaet u, Ridder, aen? 34
Het hair te bergh zou staen.
| | | |
Is 't groen daer ghy op staet 37
Dan t'eng, en veel te naeuw,
Dat ghy 't verwislen gaet
40
Voor 't wilde woeste blaeuw? 40
Denck wat de zee verslint,
Als zy den afgrondt schuurt,
45
En gaept den Hemel toe, 45
Optrecken, schrickens moe, 47
50
Die leven, lijf, en ziel,
Den lichten wint betrouwt,
Op 't dryven van een kiel; 51-52
En stuyft ter weerelt uit, 53
Daer loot geen gronden peilt: 54
55
Daer 't schip aen starren stuit, 55
En door de klippen zeilt.
Noch hiel ick 't u te goe, 57
Niet reede een oorloogh toe, 59
60
O gruwel! op den vloedt. 60
Te vechten, lijf om lijf: 62
| | | |
O Reuzen, treet niet stijf. 63-64
65
Te lande is vlughtens troost. 65
De wanhoop drijft in 't schuim. 66
Och, of ghy 't lant verkoost. 67
Ghy schudt helmet en pluim, 68
70
Wel aan, ick neem geduldt. 70
Ghy kiest dan 't levend graf, 71
En ick blijf sonder schuldt. 72
Wanneer ghy, als Iupijn, 74
Met blixems woênde zijn, 75-76
Met hoop van zege voên, 78
80
In 's Koningks galioen. 80
Dan denck eens, hoe 't my kruist, 81
Als ghy den Spanjaart tart,
Met 't slaghswaart in de vuist:
Mits ick uw schipbreuck haat,
Niet naar uw leven sta. 87-88
|
*Van 1623. Afgedrukt naar de oudste bekende tekst in I.V. Vondels Verscheide Gedichten van 1644, blz. 353, onder ‘ Gezangen’.
In de tietel: Vechtzangk, 'n lied bij de monding van de Vecht. - Maria Tesselschade de jongste dochter van Roemer Visscher, is geboren in Amsterdam, 21 Maart 1594. Zij kreeg van haar geestige vader de naam Tesselschade, omdat omtrent de tijd van haar geboorte veel schepen bij 't eiland Tessel vergaan waren, en ook hij daar veel schade bij geleden had. Zij is in 1623 gehuwd met Alard Crombalch of Krombalck (zie 't volgend gedicht De Salige Toortsen). Ook zij beoefende de dichtkunst en was evenals Anna bekwaam in allerlei fraaie uitvoerende kunsten. Na de dood van haar man is ze in 1642 katoliek geworden evenals haar zuster Anna (zie blz. 392) en stierf in 1649 in Amsterdam.
Toen Vondel dit schreef was Tesselschade verloofd met Alard Krombalck. Deze was zee-officier bij de Admiraliteit van 't Noorderkwartier. Na z'n huwelik leefde hij ambteloos in Alkmaar, mogelik op aandringen van Tesselschade, zoals Vondel haar in dit lied in de mond legt. Hij stierf in 1634. Vondel stelt in deze zang voor, dat Tesselschade aan de oever van de Zuiderzee op 't Muiderslot bij de mond van de Vecht (2e stroof) 'n lied zingt, waarin zij Alard Krombalck smeekt zich niet meer in 't oorlogsgevaar op zee te wagen; blijkbaar moest hij voór z'n huwelik nog 'n tocht meemaken.
1De Sireen, die door haar zang betoverde = Tesselschade
2Wiens: wier ( wiens ook voor 't vrouwl.); 't is bekend dat de dochters van Roemer Visscher zeer kunstzinnig, vooral muzikaal waren aangelegd, en op 't Muiderslot, de woonplaats van Drossaert Hooft, dikwels hun muziek en zang lieten horen.
4Adelaar is Krombalck met zinspeling op z'n voornaam Alard uit Adelaard ( adelaar heeft geen ander verband met Adelaard, dan alleen in 't woord adel, en dan nog is in 't eerste woord adel 't bijv. n.w. = edel).
6Waar zang z'n hart boeide.
7-8Tot dat hij verliefd ( verslingert) de zingende Tesselschade ( Het keeltje) die hem had aangetrokken, gevangen had.
9Dees = Tesselschade stond op de oever van de Zuiderzee (Glaukus), waar de Vecht (de blancke stroomgodin) in zee vloeit ( in zijn armen glijdt en zijght). Vondel beeldt in deze stroof te gelijkertijd de liefde uit van Maria Tesselschade en Alard Krombalck.
10Daar Glaukus: waar Glaukus; volgens de sage was Glaucus, 'n zeegod, verliefd op Scylla, 'n Sirene (Ovidius Metamorphoses XIII, vs. 898-vlgg. Vondels vertaling XIII, vs. 1250-vlgg). Glaukus voor de Zuiderzee verg. Zeevaert, blz. 455, vs. 464).
15haer bruitschat: 't water dat ze mee in zee voert.
16hylixgoet der zee: huweliksgoed, de wijde wateren, van de zee.
17Pan, de Veldgod, die op de veldfluit speelde; hier wordt Hooft bedoeld; zangzieck, op dat pas: begerig naar zang op dat ogenblik.
18Dafnis: (Daphnis) in de klassieke sage 'n gunsteling van Pan; hier Krombalck.
20Tityr: wschl. noemt Vondel zo zich zelf hier; Tityr ( Títyrus) 'n herder in Vergilius' Eclogae of herdersdichten; ook Vergilius werd zo genoemd door de dichter Propertius.
21Zy: Tesselschade; huckte neêr: hurkte neer.
22van een hoogen wal: van 't slot te Muiden,
26Hemel, wat 'n zoet gezang; ( Help Godt: God helpe); zoeter met er achter wat.
27boerefluyt: herdersfluit.
31-32Struiken en bomen neigden zich tot de zangster (zoals ze op Orpheus' snarespel te reie gingen; Ovidius' Metamorphoses X, vs. 86-vlgg. bij Vondel vs. 126-vlgg); vogel-vlught: 'n vlucht van vogels.
34Wat begint ge, mijn beschermer.
37't groen: 't groene veld, de aarde.
40't.... blaeuw: de blauwgroene zee ('t Latijnse caeruleum mare).
42uw oude buurt: je geboortestreek (Alkmaar).
45Met z'n geweldig opstuwende wateren de Hemel dreigt te verslinden.
47Optrecken....: hun tronen door de zee bevochten, hogerop brengen; schrickens moe: de voortdurende angst moe; ze willen niet in voortdurende angst zijn.
51-52Toevertrouwt aan de (lichtzinnige) wisselende winden.
53ter weerelt uit: de wereld uit ( ter: te der).
57'k Zou 't u nog ten goede houden; 't niet zo erg vinden.
59Niet 'n oorlog bereidde, geen aanstalten maakte tot 'n oorlog. (Krombalck was zeeofficier op de oorlogsvloot).
60op den vloedt.... te vechten: om op de vloed te vechten.
62lijf om lijf: leven om leven, op leven en dood.
63-64Die bodem is zo broos, o oorlogshelden, stapt niet te hard!
65Op 't land is er de troost van te kunnen vluchten.
66in 't schuim: op de schuimende zee drijft de wanhoop (daar is geen hoop).
67Och, of: och, mocht ge toch.
68Ge schudt nee met uw helm ( helmet) en pluim.
70Ik neem m'n smart geduldig aan.
71't levend graf: de golvende (levendige) zee.
72Ik blijf zonder schuld, omdat ik alles gedaan heb om u te weerhouden.
75-76Op de scheepsboorden van de vijand uw bliksems (van 't kanonvuur) zult slingeren.
80's Koningks galioen = 't galjoen (oorlogschip) van Spanje's koning.
84-vlgg.En leg die raad van 't bezorgde hart van uw lieve zangster ( Sireen) altijd ten goede uit.
87-88Dit in tegenstelling met de Sireen Scylla, die later in 'n monster veranderd op 'n rots huisde, en de schipbreuk van de schepen bewerkte (zie blz. 416 op vs. 44; blz. 443 op vs. 237 en Dl. 1 blz. 144 op vs. 69-70).
|
|