De werken van Vondel. Deel 2. 1620-1627


auteur: Joost van den Vondel


editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller en J.F.M. Sterck


bron: J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Tweede deel 1620-1627. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1929  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 460]

De Salige toortsen Vanden E. Bruydegom, Heer Alard Krombalck,
En syne E. Bruyt, Ionckvrouw Tessel-Schade Roemer Visschers.aant.aant.aant.aant.

t' AMSTELREDAM,
Gedruckt by Paulus van Ravesteyn.

ANNO 1623.



illustratie

[p. 461]

AFGEDRUKT NAAR DEN TEKST VAN HET EENIG bekend exemplaar van den eersten druk (van 1623) op de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage, waarvan hiernaast het titelblad op ware grootte is afgebeeld. Niet vermeld in Ungers Bibliographie.

Het titelvignet is ontleend aan Roemer Visschers Sinne-poppen, By Willem Jansz. op 't water inde Sonnewyser 1614 (De Vries: Nederlandsche Emblemata No. 53) en opnieuw afgedrukt in de uitgave van 1620 [?] (De Vries No. 55), waarin Vondels gedicht op Anna Roemers gedrukt is (zie hiervoor blz. 392 en Dl. 1 blz. 828). In deze beide drukken is aan den bovenrand van de plaat gegraveerd: Revelasti Parvulis (Gij hebt het den kleinen geopenbaard).

Evenals de andere prentjes van R. Visschers Sinne-poppen, is het door Claes Jansz. Visscher gesneden. Het stelt blijkbaar voor een schip, dat de haven van Texel binnenloopt. Hierop zinspeelt Vondels randversje rondom 't vignet:

 
Geeft Tesselschade baet,1
 
Sprack Adelaert, aen 't land,2
 
Myn schip is dan te laet
 
In Tessels schoot gestrand.4

[STERCK].

[p. 462]

Aen Bruydegom, en Bruyt.

Opdracht.
 
Ghy die malkandren sijt door 't noodigh lot beschoren:1
 
Dees Dochter uyt mijn hoofd, en herssenen geboren,2
 
Geheylight uwe toorts, sy wellekom u bey:3
 
Op datse uw ledekant met maeghdepalm besprey.4
 
 
Uw verplichte
 
 
I.v.V.
[p. 463]

De Salige Toortsen Vanden E. Bruydegom, Heer Alard Krombalck,
En syne E. Bruyt, Ionckvrouw Tessel-Schade Roemer Visschers.*

 
Hoe sal ick 't heylig bed van Roemers Dochter roemen?1
 
Mijn oogh te keurigh dwaelt. hier lacht een veld vol bloemen.2
 
Helpt Aemsteljoffers helpt! wat hemels drijft mijn geest.3
 
Vlecht hoeden, en ontsteeckt de toortsen tot dees feest.4
5
Dat alle geesten nu, die sweven door myne adren,5
 
Sich snellen opperwaerts, en in mijn breyn vergadren:6
 
Sy sijnder al, ick voel 't. een Godheyd troont mijn siel,7
 
En opent 't schoonst dat oyt een kies Poeet beviel.8
 
God Iupiters gemael waeckte over d'Amsterdammers,
10
Met een sorghvuldigh oogh, na veel geleden jammers:9-10
[p. 464]
 
Te liever, mids de Nood onbillijck, tegens recht,11
 
Hun vesten had gesloopt, en tot den grond geslecht.
 
Want wat was doch verbeurt met 't Goddeloos omhelsen13
 
Te wreken, van een Graef, die 't edel huys van Velsen14
15
Had op het hert getreen, en sulcken vrou verkracht15
 
Die te eerlijck was geëcht, en roemde op haer geslacht:16
 
Een Graef, die queeckende een verbitterde gemeente,17
 
Hoonde al den Adeldom, en quetste hem in 't gebeente.18
 
De suster van Iupijn de stad hier over was
20
Gewogen sonderlingh, en bouwdese uyt haer ass'19-20
 
So datse jongh te prijck, met 's Keysers kroon bepeerelt,21
 
Sat tot verwonderingh der gantsche Christenweereld,
 
En dragen most den nijd, door handel, en gewoel,23
 
Van steen daer Koningen brageerden op hun stoel.24
25
Maer Iuno niet vernoeght, als die met rijcker gaven25
 
Haer borgers toeven wou, begaen was om 's lands haven26
 
Te schuymen van 't gevaer dat over 't scheepsvolck hingh,27
 
Als na voltrocken reys vaeck kiel aen kiel vergingh,
 
Door tweer Meerminnen sangh: wier suyckersoete lippen,29
30
En snaren Palinuur verlockten op de klippen,30
[p. 465]
 
En stuurden eb, en vloed, en breydelden de zee:31
 
Soo datter weer, en wind most luystren na dees twee:
 
Bey 't kroost van Callioop. d'een door haer ongenade33
 
Genoemt werd na haer daed, en strengheyd Tessel-schade.34
35
Saturnus dochter vast met desen last beswaert,35
 
Hier op den breeden Raed der Goden had vergaert:36
 
Die werden oud en grijs, en vonden sich verlegen:37
 
Want Iuno dreef haer stuck, Apollo stondse tegen.38
 
Sy dongh op dese wyse: Aenbiddelijcxste Goon,39
40
Die met uw Majesteyt vervult den rijcken troon40
 
Des grooten Donderaers: de spijt verruckt mijn sinnen,41
 
Als ick gedenck, hoe twee half-land half-zee Meerminnen42
 
Weerstreven een Godin, wiens toorne maeckt versaeght43
 
Den oppersten, die moed op synen blixem draeght.44
45
Mijn waterrijcke Stad, daer soo veel borgers krielen,45
 
D'ondraeghelijcke scha moet boeten, vande kielen
 
Die stranden reys aen reys, en stooten op den grond,47
 
Wanneerse seylen gaen's lands haven inden mond,
 
Of ryen op de ree, in pekelschuym bedolven,49
50
En staen de berning uyt, en't swalpen vande golven,50
[p. 466]
 
En baren, aen het woen geraeckt door spel en sangh
 
Van dese twee, vermaeckt met onsen ondergangh:52
 
En waerom word ick traegh bevonden om te wreken
 
't ontfangen leet, of soud aen onse macht ontbreken?54
55
Dat tuygh de Phrygiaen die t'Argos sit geboeyt:55
 
Priaems geslachtboom tot den wortel uytgeroeyt.56
 
Dat segh de basterdsoon, ten lesten vrygevochten,57
 
Dweers door een grouwsaem spoor van leelijcke gedrochten,58
 
Van so veel ongevals, en ramp hem voor de scheen
60
Gesprongen, om mijn spijt te wreken aen Alcmeen.60
 
Paste oock mijn gramschap oyt op d'Africaensche vesten?61
 
Slaen wy de rijcken niet met doodelijcke pesten?62
 
Of met het scherpe sweert van droeven hongers nood,
 
Die d'arme sondaers pijnt met een gequollen dood?64
65
Ick had Neptuin gezart dat hy 't sich wilde belgen,65
 
En door een Zeegedrocht dien havenvloeck verdelgen66
 
Tot heyl van Aemstelland, en vrydom van haer staet:67
[p. 467]
 
Maer ben, 'k en weet niet hoe, verandert van beraed,68
 
Om door een soet verbond, en huwelijcksche wetten,
70
En bruyloften haer hert en sinnen te verletten,70
 
Door kuysche, en heylge sucht om teelen haers gelijck.71
 
Dat dan voor dit besluyt mijn eersten yver wijck,72
 
En dees vergaderingh, nae't ernstigh overwegen,
 
Sulcx stemme en daer toe spreeck een algemeenen segen.74
75
Sy sweegh, en hoorde toe. het morren gingh rondsom.75
 
Elck overwoeght. alleen Apollo wasser stom,76
 
En kropte sijn verdriet, en wroeghde sich t'onvreden.77
 
Ten lesten rees hy op, en borst met dese reden78
 
Op Iunoos voorstel wt: Noyt onbeschaemder eysch
80
Oyt wt de setels klonck van Iupiters palleys.
 
Heeft Ganimeed te mild den necter toegeschoncken81
 
Sijn stiefmoer, datse raest als waerse dol en droncken?
 
Wat overschrijtse haer perck? wat vordertse op mijn recht?83
 
Wat doeltse nae een wit daer geen geschut op hecht?84
85
Wat sticht sy Hemelbrand, dien niemand wt kan lessen?85
 
Te onbillijck eyschtse 'tpuyck van alle Priesteressen86
 
Apollo toegewijt, die door het gantsche jaer
 
Bewieroocken sijn Kerck, en eeren sijn altaer,88
 
Met kranssen moy van verwe, en kaeckelbont gevlochten,89
90
Met reucken diese ons oyt Godsdienstelijck toebrochten,90
 
Soo vaeck sy blaecken deen een suyvervlammend vier:91
[p. 468]
 
Gehult, en geperruyckt met heylige laurier.92
 
Swijght Iuno, die dy toont soo rouw, en onbescheeden.93
 
Sy sijn aen my verlooft door diergesworen eeden.94
95
Mijn Dochters wacht uw dienst. mijn koorgewaed u deck.95
 
Dat geen kerckschennis u besprenckel, nocht bevleck.96
 
Mijn feest uw sorge sy. volhert in mijn gesangen,97
 
En ghy voornamelijck, wiens wackre sinnen hangen98
 
Aen Tasso braef van stijl, wiens asschen ghy beroert,99
100
En soo hooghdravende door Holland spelen voert,100
 
En gaet met Godefroy den oorloogh dy getroosten,101
 
En hitst de westersche slaghoordens tegens 'toosten,102
 
Weckt met 'thoefyser stof, en noopt den hengst verhit,103
 
Die schuymbeckt op sijn draf, en knabbelt sijn gebit.
105
Ghy mede mijn Sibil, die namaels noch sult melden,105
 
En welverdienden palm toebrengen sulcken helden106
 
Die worstelden met raed, en dapper van gemoed,107
 
Der vrijer volckren recht beschoncken met hun bloed.108
 
Geen God, nocht geen Godes ontvreemde my dees panden.109
110
Mijn voesterkinders sijn't, sy voen myne offerhanden.110
[p. 469]
 
De galm van't snarenspel haer mond volght, vol van God.111
 
Mijn drempels sy betreen. mijn Tempel is haer lot.112
 
Neptun hier door gesteurt, borst harder wt, en grover:113
 
Wat geest drijft Cynthius? wat dwaesheyd gaet hem over,114
115
Dat hy den Raed der Goon wil meestren met sijn stem,115
 
Als of elck luystren most na hen niet, maer nae hem?
 
Als waer sijn woord ons wet? of leert hy ons nu schuwen
 
De bruyloften, en set de kuischeyd boven 't huwen?
 
Soo dede hy seker niet, doen Daphne langhs den stroom119-vlgg.
120
Van Peneus, ademloos veranderde in een boom:120
 
Boom, noch van hem gelieft, boom, die hy met syne ermen121
 
Soo lodderlijck omhelst, en wenschtse te verwermen.122
 
Soo dede hy seker niet, doen't woud van Pelion123
 
Met pijnbooms schaduwe hem soo naeuw niet heelen kon,124
125
Of d'een of d'ander Nymph wist datelijck te seggen125
 
Hoe hy Cyrene daer den gordel af deed leggen,126
 
En frissche roosen las gedoodverwt van veel schaemt,127
 
En kreuckte 't kruytjen vry wat stouter als't betaemt,
 
En settese in sijn koets, van waerse mocht beschouwen129
130
Thessalien, en al d'omliggende landouwen.130
[p. 470]
 
Doch dit luyd niet so vremd, vermids hy aerd Latoon131
 
Meer als sijn suster doet, en draeght sich als een soon132
 
De moeder heel gelijck. ontlochent hy sijn treken,133
 
De knapen, die gekruyft hem melden, sullen spreken.134
135
De Zeevooght sprack dit naeu, den Hemel was gesplist,135
 
En hoemen langer keef, hoe bitser rees de twist.
 
Wat bleeffer ongeroert? wat dorstme niet verwyten?137
 
Van schaemt verkrompen sich de blinckende tapyten.
 
Iupijn bleef onverschoont, soo leelijck droeght sich toe.139
140
Men smaelde op sijn Beerin. men schrolden op sijn Koe:140
 
Op Danaë, bewaeckt met gracht, en ysre toornen:141
 
Op Cadmus suster, die den stier hingh aen syne hoornen:142
 
Ick swijgh van Ganimeed, en andre rancken meer143
 
Al wrockende opgeveylt, doch luttel tot syne eer.144
145
Soo dat de diepe sael te bersten scheen van't rasen.145
 
Want 't ginger als een Zee, van winden opgeblasen,
 
Niet machtigh meer sich self, als die geen strand en houd,147
 
En siedende 't gesternt besprenckelt met haer sout.148
 
Wanneer het roer niet meer den stuurman komt te stade:149
[p. 471]
150
Die nu drijft reddeloos, op's onweers ongenade.150
 
Of als in 't vlacke veld, de stekende trompet,151
 
't knerstanden van het stael, nae billijckheyd, nocht wet152
 
Doet luysteren den Moord: wiens schrickelijcke benden153
 
Grasduynen in een oeghst van allerleye ellenden.154
155
Maer als nu 't hoofd der Goon de daken vande lucht155
 
Bedaerde, en sette neer het onbetoomt gerucht,156
 
Mars noch vol vyers, de saeck, tot Iunoos baet, en voordeel,
 
Aldus vervangen heeft: men wachte sich een oordeel158
 
Te vellen over 't pleyt, en 't hangende geschil,
160
Dat niet rechtmatigh stemt met mijn Vroumoeders wil:160
 
Of dese degen sal haer smert, en wonden heelen.
 
Dees setels sijn gescheurt te bitter in twee deelen,
 
Waer van het strenghste leunt, en helt op onse sy':163
 
Daer steun ick seker op, dat ooght en doelt op my.164
165
Ick moedighse de borst om rustigh aen te spannen,165
 
En d'overigen hoop van sijn geweld t'ontmannen.166
 
Hier geld nocht wet, nocht reen, nocht heylig oud gebruyck.
 
't belieft ons. 't sy genoegh dat elck voor Iuno duyck.168
 
Al sou de rijcke troon, en Iupiters gewesten169
170
Sien sneuvlen al de Goon van 's Hemels brandsteenvesten;170
 
Het schemerende goud, dat noyt yet sterflijcx sagh,171
 
Ontluystert van veel stofs, beweven van het rach,
[p. 472]
 
En spinnekoppen web: de laeghgeseten menschen173
 
Van d'outers weygeren, de wieroocken, met wenschen,
175
Met suchten, en gebeen, en aendachtssout vermenght:175
 
En allen dienst geschorst die saligheyd toebrenght.
 
Sacht! sacht! al hoogh genoegh! riep Liber, wy verwerren177
 
Hoe langs hoe meer door twist. die 't gulden huys der sterren
 
Beheerschen wil met kracht, vermeesteren met dwangh,179
180
Die brout des selfs verderf, en haest ten ondergangh,180
 
Nocht smaeckt yet Goddelijcx. al is 't dat wy bekleden181
 
Het purper, en rood goud van dit gestoelte, en treden
 
Op 't vloersel van turkois, en flonckerdiamant,183
 
En setten met een swenck de rijcken na onse hand:184
185
Wy sijn aen re'en verplicht, en onderlingh verbonden185
 
Door wetten, eens gesmeet om niet te sijn geschonden.186
 
Wie los maeckt desen band, een houvast vanden staet,
 
Daer ooghtmen op, als een die toeleyt op verraed,188
 
En overgeven sich derf leunen tegens d'orden,189
190
En van een rijcxgenoot een vyand is geworden.
 
't Bysonder, en't gemeen, met billijck onderscheyd191
 
Moet worden aengemerckt, in dit swaerwichtigh pleyt.192
 
't Gemeen staet geensins vry te keeren het bysonder
 
Recht tot syne eygen baet, of't bovenste raeckt onder.193-194
195
Een nieuwen Chaos gaept ontstrenghtme desen knoop.195
 
Ick sie den Hemel woest, de machten overhoop,196
[p. 473]
 
Ten sy men sachter gaet. dus dat sich de Godessen197
 
(Wie suyverheyd gevalt, en 'teeuwighdurend lessen198
 
Van Venus minnevlam) verklaren inde saeck:199
200
Op datme niemand quets, nocht eyndelijck de wraeck
 
Van't wrockende ongelijck verbittert, en beseten,
 
Maeck rechter van sijn leet, te dol, en Godvergeten.200-202
 
Als dese nu verlof om spreken was ghejont,203
 
Daer langh na was gejanckt, soo riepense uyt een mond:204
205
Waer staenwe? voor wiens troon? 'tis veer genoeg gekommen!
 
Nu men in twijffel treckt 'toud recht, en d'eygendommen206
 
Ons toegestaen van't Hof, en d'oppermajesteyt207
 
Der Hemelvooghden self: die trouwe, en heyligheyd,208
 
En waerheyd, en eenvoud omhelsden alsse swoeren,
210
En steeds, tot meyneeds straf, met blixemen rumoeren,210
 
En dondren na beneen, en bersten wt een wolck,211
 
Tot schennis van in deughd hen overtreffend volck.212
 
Die't spierwit nonnenkleed wt trecken derf, en woeden,213
 
Van vrede ontblooten derf vele Hemelsche gemoeden,
215
Versteuren alle plicht, die d'eer der Goon ophoud.215
 
Waer toe Godyverigh altaer, en Kerck gebout?216
 
Waer toe met kerckgebaer 't inwyen van ons drempels?217
 
Als onse lust nu sticht, nu vier geeft op ons Tempels?218
 
Dees twee Sibillen, oyt een wtgelesenst puyck,219
[p. 474]
220
Met onverwelckte blaen beschaduwt om haer pruyck,220
 
Staen veel te dier verplicht. sy strengelen, en breyden221
 
Lofkranssen tot onse eer. de danssen sy beleyden222
 
Der Reyen nimmermoede, en koesteren den swarm223
 
Wiens yver onvermoeyt houd d'offervlackten warm.224
225
Wy stemmen't nimmermeer, nocht laten't ons behagen.225
 
Iupijn beducht voor veede, en droeve nederlagen,226
 
En grimmigh in sich self, opstaende, als uyt den dut,227
 
Sijn blixemsweyend hoofd tot drymael heeft geschud:228
 
Waer door al watter sat, sprietooghde vande stralen,
230
En't weerlicht schitterende in's Hemels diepe salen,229-230
 
Geslagen met ontsagh. ten lesten werd gehoort
 
Des grooten Vaders stem: wie sydy die verstoort
 
Der saligheden rust, door't al te hevigh woelen,233
 
En jaeght de soete vrede wt soo geruste stoelen?234
235
Of myne Gemalin, 't geen sy te strenge dreef,
 
En Delius 't gedingh alleen aen my verbleef,235-236
 
Dat ickse als middelaer op 't ongesienst mocht scheyden:237
 
Men vond veellicht een wegh tot reddingh tusschen beyden.238
 
Na reen, en wederreen, en onderlingh beraen,239
240
Werd d'wtspraeck aen Iupijn van weersijds toegestaen,
 
Die 't vonnis velde aldus: Apollo sal gedoogen
 
Der gener bruyloften, wier opgeslagen oogen242
[p. 475]
 
Sijn Godheyd houd verlet. doch sal in allen schijn243
 
Tot nadeel dit geensins te veer getrocken sijn,
245
Als of hy afstand deed van't recht hem opgedragen.245
 
Oock sijn door't juck des echts dees Nymphen niet ontslagen
 
Van dienst of kerckenplicht. daer toe sal d'eerste vrucht247
 
Die't eerlijck bed verleent, en teelt in 's levens lucht248
 
Apollo sijn ghewijt. wt had hy: daerop loegen249
250
d'Onsterffelijcke Goon, en droncken tot benoegen250
 
Malkanderen de vre. waer toe soo veel geschils,
 
En oorlooghs? riepense, Iupijn jont Elck wat wils.252
 
Men scheyde wel te vreen. doch Phoebus in 't vertrecken,253
 
Trad morrende op sijn koets, en ging sijn daghvaert recken.254
255
Het Aerdrijck door geen nesk, en doncker voorspoock ras255
 
Gewaer werd, dat om hoogh wat groots besloten was.
 
Een paer op vetten roof gaeu afgerechte valcken257
 
Twee duyven voerden wegh, en quamense verschalcken258
 
Op 't hooge torendack, dat Schreyers hoeck bewaeckt.259
260
De schildwacht, als 't gesternte aen 't vallen was geraeckt,
 
Van verre, in 't seylrijck Y, met lachende geschater,261
 
Een waterlandsche rey sagh dobberen op 't water,262
 
Met fackelen geçiert en loof, en groene blaen:
 
En d'oude burreghwal hoorde een stadeygen Swaen264
[p. 476]
265
Geluyd slaen met haer keel, doen syse wist te dwingen265
 
Als ofse eens uyt de borst het bruyloftslied wou singen.
 
De wijngaerd aende straet, geleyd van geestige hand267
 
Tot daer 't verhemelt deckt de Nonnenledekant,268
 
Hing swanger in een nacht van rype muscadellen:269
270
Waer uyt men mocht de vreughd van 't aenstaende huwlijck spellen.270
 
Ick kreegh aen 't huwelijck oock kennis in mijn droom.
 
Twee Dierkens setten sich op 't uytterst' vanden stroom.272
 
D'een uyt een parckement of halfgerolde çedel273
 
Las noten met haer galm, en d'ander met een vedel:274
275
Waer op een heele soo' Dolphynen onvermoeyt,275
 
Als door Arions herp verlockt, quam aengeroeyt.276
 
Twee wat vrypostiger, en nieusgier nader swommen.277
 
De Iuffers schryelings, uyt dertelheyd, beklommen278
 
De visschen glad van huyt (ick dacht hoe wil dit gaen)279
280
Die na een keer twee dry haer voerden noordwaerts aen,280
 
En gaven sich in 't diep. d'halfdoode Maeghden kreten,281
 
En daermé was den lust van sang, en spel vergeten,282
 
't Musyckblad, en de ve'el ten besten voor den vloed.283
 
D'een reyckte d'ander toe met d'ermen het gemoed.284
[p. 477]
285
Sy jammerden om hulp, och armen! maer s' ontbracker,285
 
En door dit droef misbaer ontsprongh ick, en werd wacker.286
 
Een wijl hier na gevielt, soo deser Dochtren geest287
 
Kerckplechtigh besigh was, om vyeren 't jaerlijcx feest288
 
Met lofsang, en gebeen, gelijckse het noo' versloffen,289
290
Dat d'een van 't hoogh gewelf werd inde borst getroffen,290
 
Met geen geveerde schicht, maer gloeyendige kool,291
 
En koegel haer gegunt van eenigh kleyn pistool.292
 
Sy swijmde voor 't altaer, eer d'outste haer stutte, of redde:293
 
Die namse half dood, en droegse op 't noyt ontheyligt bedde.294
295
Ach Suster! riepse, hoe is 't? wat deert dy? is het oock295
 
Een flaeuwigheyd, ontstaen van een vergifte roock?296
 
Of is het hert benaeuwt, om dat uw yver heden
 
Heeft te yverigh gevast, geworstelt met gebeden?
 
Neen, suchte 't levend lijck, dat is 't niet datme schort.
300
Mijn boesem is vol vyers. mijn siel gepynight word.300
 
Brengt vocht. brenght laeffenis. 't sijn enckel heete kortsen.301
 
Mijn boesem is vol vyers. wat blaken my al tortsen!
 
Ten lesten Anna roock, hoe dit sijn oorsprongh nam303
 
Niet van een geyle brand, maer eerelijcker vlam,304
305
En versche ontfangen sucht tot bruyloften, en telen.305
 
Bekommert troostese haer, en voerde haer sinnen spelen.306
 
Of sy verleyen mocht't voornemen door bericht,307
[p. 478]
 
En songse voor het lof van kuysche maeghdenplicht.308
 
Helaes! maer al vergeefs. vergeefs men om wil stoten309
310
't Geen eenmael van den Nood gestemt is, en besloten.310
 
Dit bleeck eerst als de Faem op Schreyers toren sat,311
 
En bruyloft! bruyloft! blies, en noodighde al de stad312
 
Op 't vrolijcke bancket, beluyt met soete rymen.313
 
Van 't Noorden Krombalck quam, verselschapt met God Hymen,314
315
Met heele, en halve Goon. van 't helderdagend oost315
 
Trad Iupiters geslacht, dat eeuwighsingend kroost,316
 
Met wind, en snarenspel voor 'sBruyts, en Bruygoms voeten,317
 
En gingen met dit lied het saligh paer begroeten.318

Bruyloftslied.aant.

 
Ghy waert, Heer Bruydegom, een pronckbeeld van yvoor,
320
Dat reuck derft, smaeck, gesicht, gevoelen, en gehoor:320
 
Waerin, door goochelkunst, de schim van 't leven sweeft:321
 
Doch pols, nocht aderslagh, nocht roering in sich heeft.322
 
 
2.
 
Maer als dy Tessel-schade, uwe helft, te beurte viel,323
 
Doen daeghde uw Son, en 't lijf ontfing ter feest sijn siel.324
325
Het sterflijck werd verknocht met sijn onsterflijck deel.325
 
't Was stuckwerck, daer ghy nu voltoyt sijt, en geheel.326
 
[p. 479]
 
3.
 
Wy sien 't hoe Goddelijck dy dees Godes omvanght,327
 
En hoe ghy aen haer tael, en wyse lippen hanght,
 
En luystert na een God, die sijn geheym ontsluyt,329
330
En wichelt door den mond van uw gewyde Bruyt.330
 
 
4.
 
Bruyt, die uw lief omhelst met onbevleckte trou,
 
Verleent, door ommegang, uw Minnaer sulcken vou,
 
En glants, dat hy met dy versma dese ydelheyd,332-333
 
En 't goud, en 't purper kreuck dat Ganimedes spreyt.334
 
 
5.
335
Doch voor uwe Hemelvaert uyt's weerelds moordspelonck335
 
Erft Amsterdam een spruyt, waer in, wat in dy blonck,336
 
Erkent word, alsse draeght 't geen in dy heerlijck is:
 
Op datter noch een ster schijne in dees duysternis.

Eynde.