auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller en J.F.M. Sterck
bron: J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Tweede deel 1620-1627. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1929
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
|
| |
| | | | | |
De Salige toortsen
Vanden E. Bruydegom, Heer Alard Krombalck,
En syne E. Bruyt, Ionckvrouw Tessel-Schade
Roemer Visschers.aant.aant.aant.aant.
t' AMSTELREDAM,
Gedruckt by Paulus van Ravesteyn.
ANNO 1623.

| | | |
AFGEDRUKT NAAR DEN TEKST VAN HET EENIG bekend exemplaar van den eersten druk (van 1623) op de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage, waarvan hiernaast het titelblad op ware grootte is afgebeeld. Niet vermeld in Ungers Bibliographie.
Het titelvignet is ontleend aan Roemer Visschers Sinne-poppen, By Willem Jansz. op 't water inde Sonnewyser 1614 (De Vries: Nederlandsche Emblemata No. 53) en opnieuw afgedrukt in de uitgave van 1620 [?] (De Vries No. 55), waarin Vondels gedicht op Anna Roemers gedrukt is (zie hiervoor blz. 392 en Dl. 1 blz. 828). In deze beide drukken is aan den bovenrand van de plaat gegraveerd: Revelasti Parvulis (Gij hebt het den kleinen geopenbaard).
Evenals de andere prentjes van R. Visschers Sinne-poppen, is het door Claes Jansz. Visscher gesneden. Het stelt blijkbaar voor een schip, dat de haven van Texel binnenloopt. Hierop zinspeelt Vondels randversje rondom 't vignet:
Geeft Tesselschade baet, 1
Sprack Adelaert, aen 't land, 2
In Tessels schoot gestrand. 4
[STERCK].
| |
| | | |
Aen Bruydegom, en Bruyt.
Opdracht.
Ghy die malkandren sijt door 't noodigh lot beschoren:1
Dees Dochter uyt mijn hoofd, en herssenen geboren,2
Geheylight uwe toorts, sy wellekom u bey:3
Op datse uw ledekant met maeghdepalm besprey. 4
| | | | | |
De Salige Toortsen Vanden E. Bruydegom, Heer Alard Krombalck,
En syne E. Bruyt, Ionckvrouw Tessel-Schade Roemer Visschers.*
Hoe sal ick 't heylig bed van Roemers Dochter roemen? 1
Mijn oogh te keurigh dwaelt. hier lacht een veld vol bloemen. 2
Helpt Aemsteljoffers helpt! wat hemels drijft mijn geest. 3
Vlecht hoeden, en ontsteeckt de toortsen tot dees feest. 4
5
Dat alle geesten nu, die sweven door myne adren, 5
Sich snellen opperwaerts, en in mijn breyn vergadren: 6
Sy sijnder al, ick voel 't. een Godheyd troont mijn siel, 7
En opent 't schoonst dat oyt een kies Poeet beviel. 8
God Iupiters gemael waeckte over d'Amsterdammers,
10
Met een sorghvuldigh oogh, na veel geleden jammers: 9-10
| | | |
Te liever, mids de Nood onbillijck, tegens recht, 11
Hun vesten had gesloopt, en tot den grond geslecht.
Want wat was doch verbeurt met 't Goddeloos omhelsen 13
Te wreken, van een Graef, die 't edel huys van Velsen 14
15
Had op het hert getreen, en sulcken vrou verkracht 15
Die te eerlijck was geëcht, en roemde op haer geslacht: 16
Een Graef, die queeckende een verbitterde gemeente, 17
Hoonde al den Adeldom, en quetste hem in 't gebeente. 18
De suster van Iupijn de stad hier over was
20
Gewogen sonderlingh, en bouwdese uyt haer ass' 19-20
So datse jongh te prijck, met 's Keysers kroon bepeerelt, 21
Sat tot verwonderingh der gantsche Christenweereld,
En dragen most den nijd, door handel, en gewoel, 23
Van steen daer Koningen brageerden op hun stoel. 24
25
Maer Iuno niet vernoeght, als die met rijcker gaven 25
Haer borgers toeven wou, begaen was om 's lands haven 26
Te schuymen van 't gevaer dat over 't scheepsvolck hingh, 27
Als na voltrocken reys vaeck kiel aen kiel vergingh,
Door tweer Meerminnen sangh: wier suyckersoete lippen, 29
30
En snaren Palinuur verlockten op de klippen, 30
| | | |
En stuurden eb, en vloed, en breydelden de zee: 31
Soo datter weer, en wind most luystren na dees twee:
Bey 't kroost van Callioop. d'een door haer ongenade 33
Genoemt werd na haer daed, en strengheyd Tessel-schade. 34
35
Saturnus dochter vast met desen last beswaert, 35
Hier op den breeden Raed der Goden had vergaert: 36
Die werden oud en grijs, en vonden sich verlegen: 37
Want Iuno dreef haer stuck, Apollo stondse tegen. 38
Sy dongh op dese wyse: Aenbiddelijcxste Goon, 39
40
Die met uw Majesteyt vervult den rijcken troon 40
Des grooten Donderaers: de spijt verruckt mijn sinnen, 41
Als ick gedenck, hoe twee half-land half-zee Meerminnen 42
Weerstreven een Godin, wiens toorne maeckt versaeght 43
Den oppersten, die moed op synen blixem draeght. 44
45
Mijn waterrijcke Stad, daer soo veel borgers krielen, 45
D'ondraeghelijcke scha moet boeten, vande kielen
Die stranden reys aen reys, en stooten op den grond, 47
Wanneerse seylen gaen's lands haven inden mond,
Of ryen op de ree, in pekelschuym bedolven, 49
50
En staen de berning uyt, en't swalpen vande golven, 50
| | | |
En baren, aen het woen geraeckt door spel en sangh
Van dese twee, vermaeckt met onsen ondergangh: 52
En waerom word ick traegh bevonden om te wreken
't ontfangen leet, of soud aen onse macht ontbreken? 54
55
Dat tuygh de Phrygiaen die t'Argos sit geboeyt: 55
Priaems geslachtboom tot den wortel uytgeroeyt. 56
Dat segh de basterdsoon, ten lesten vrygevochten, 57
Dweers door een grouwsaem spoor van leelijcke gedrochten, 58
Van so veel ongevals, en ramp hem voor de scheen
60
Gesprongen, om mijn spijt te wreken aen Alcmeen. 60
Paste oock mijn gramschap oyt op d'Africaensche vesten? 61
Slaen wy de rijcken niet met doodelijcke pesten? 62
Of met het scherpe sweert van droeven hongers nood,
Die d'arme sondaers pijnt met een gequollen dood? 64
65
Ick had Neptuin gezart dat hy 't sich wilde belgen, 65
En door een Zeegedrocht dien havenvloeck verdelgen 66
Tot heyl van Aemstelland, en vrydom van haer staet: 67
| | | |
Maer ben, 'k en weet niet hoe, verandert van beraed, 68
Om door een soet verbond, en huwelijcksche wetten,
70
En bruyloften haer hert en sinnen te verletten, 70
Door kuysche, en heylge sucht om teelen haers gelijck. 71
Dat dan voor dit besluyt mijn eersten yver wijck, 72
En dees vergaderingh, nae't ernstigh overwegen,
Sulcx stemme en daer toe spreeck een algemeenen segen. 74
75
Sy sweegh, en hoorde toe. het morren gingh rondsom. 75
Elck overwoeght. alleen Apollo wasser stom, 76
En kropte sijn verdriet, en wroeghde sich t'onvreden. 77
Ten lesten rees hy op, en borst met dese reden 78
Op Iunoos voorstel wt: Noyt onbeschaemder eysch
80
Oyt wt de setels klonck van Iupiters palleys.
Heeft Ganimeed te mild den necter toegeschoncken 81
Sijn stiefmoer, datse raest als waerse dol en droncken?
Wat overschrijtse haer perck? wat vordertse op mijn recht? 83
Wat doeltse nae een wit daer geen geschut op hecht? 84
85
Wat sticht sy Hemelbrand, dien niemand wt kan lessen? 85
Te onbillijck eyschtse 'tpuyck van alle Priesteressen 86
Apollo toegewijt, die door het gantsche jaer
Bewieroocken sijn Kerck, en eeren sijn altaer, 88
Met kranssen moy van verwe, en kaeckelbont gevlochten, 89
90
Met reucken diese ons oyt Godsdienstelijck toebrochten, 90
Soo vaeck sy blaecken deen een suyvervlammend vier: 91
| | | |
Gehult, en geperruyckt met heylige laurier. 92
Swijght Iuno, die dy toont soo rouw, en onbescheeden. 93
Sy sijn aen my verlooft door diergesworen eeden. 94
95
Mijn Dochters wacht uw dienst. mijn koorgewaed u deck. 95
Dat geen kerckschennis u besprenckel, nocht bevleck. 96
Mijn feest uw sorge sy. volhert in mijn gesangen, 97
En ghy voornamelijck, wiens wackre sinnen hangen 98
Aen Tasso braef van stijl, wiens asschen ghy beroert, 99
100
En soo hooghdravende door Holland spelen voert, 100
En gaet met Godefroy den oorloogh dy getroosten, 101
En hitst de westersche slaghoordens tegens 'toosten, 102
Weckt met 'thoefyser stof, en noopt den hengst verhit, 103
Die schuymbeckt op sijn draf, en knabbelt sijn gebit.
105
Ghy mede mijn Sibil, die namaels noch sult melden, 105
En welverdienden palm toebrengen sulcken helden 106
Die worstelden met raed, en dapper van gemoed, 107
Der vrijer volckren recht beschoncken met hun bloed. 108
Geen God, nocht geen Godes ontvreemde my dees panden. 109
110
Mijn voesterkinders sijn't, sy voen myne offerhanden. 110
| | | |
De galm van't snarenspel haer mond volght, vol van God. 111
Mijn drempels sy betreen. mijn Tempel is haer lot. 112
Neptun hier door gesteurt, borst harder wt, en grover: 113
Wat geest drijft Cynthius? wat dwaesheyd gaet hem over, 114
115
Dat hy den Raed der Goon wil meestren met sijn stem, 115
Als of elck luystren most na hen niet, maer nae hem?
Als waer sijn woord ons wet? of leert hy ons nu schuwen
De bruyloften, en set de kuischeyd boven 't huwen?
Soo dede hy seker niet, doen Daphne langhs den stroom 119-vlgg.
120
Van Peneus, ademloos veranderde in een boom: 120
Boom, noch van hem gelieft, boom, die hy met syne ermen 121
Soo lodderlijck omhelst, en wenschtse te verwermen. 122
Soo dede hy seker niet, doen't woud van Pelion 123
Met pijnbooms schaduwe hem soo naeuw niet heelen kon, 124
125
Of d'een of d'ander Nymph wist datelijck te seggen 125
Hoe hy Cyrene daer den gordel af deed leggen, 126
En frissche roosen las gedoodverwt van veel schaemt, 127
En kreuckte 't kruytjen vry wat stouter als't betaemt,
En settese in sijn koets, van waerse mocht beschouwen 129
130
Thessalien, en al d'omliggende landouwen. 130
| | | |
Doch dit luyd niet so vremd, vermids hy aerd Latoon 131
Meer als sijn suster doet, en draeght sich als een soon 132
De moeder heel gelijck. ontlochent hy sijn treken, 133
De knapen, die gekruyft hem melden, sullen spreken. 134
135
De Zeevooght sprack dit naeu, den Hemel was gesplist, 135
En hoemen langer keef, hoe bitser rees de twist.
Wat bleeffer ongeroert? wat dorstme niet verwyten? 137
Van schaemt verkrompen sich de blinckende tapyten.
Iupijn bleef onverschoont, soo leelijck droeght sich toe. 139
140
Men smaelde op sijn Beerin. men schrolden op sijn Koe: 140
Op Danaë, bewaeckt met gracht, en ysre toornen: 141
Op Cadmus suster, die den stier hingh aen syne hoornen: 142
Ick swijgh van Ganimeed, en andre rancken meer 143
Al wrockende opgeveylt, doch luttel tot syne eer. 144
145
Soo dat de diepe sael te bersten scheen van't rasen. 145
Want 't ginger als een Zee, van winden opgeblasen,
Niet machtigh meer sich self, als die geen strand en houd, 147
En siedende 't gesternt besprenckelt met haer sout. 148
Wanneer het roer niet meer den stuurman komt te stade: 149
| | | |
150
Die nu drijft reddeloos, op's onweers ongenade. 150
Of als in 't vlacke veld, de stekende trompet, 151
't knerstanden van het stael, nae billijckheyd, nocht wet 152
Doet luysteren den Moord: wiens schrickelijcke benden 153
Grasduynen in een oeghst van allerleye ellenden. 154
155
Maer als nu 't hoofd der Goon de daken vande lucht 155
Bedaerde, en sette neer het onbetoomt gerucht, 156
Mars noch vol vyers, de saeck, tot Iunoos baet, en voordeel,
Aldus vervangen heeft: men wachte sich een oordeel 158
Te vellen over 't pleyt, en 't hangende geschil,
160
Dat niet rechtmatigh stemt met mijn Vroumoeders wil: 160
Of dese degen sal haer smert, en wonden heelen.
Dees setels sijn gescheurt te bitter in twee deelen,
Waer van het strenghste leunt, en helt op onse sy': 163
Daer steun ick seker op, dat ooght en doelt op my. 164
165
Ick moedighse de borst om rustigh aen te spannen, 165
En d'overigen hoop van sijn geweld t'ontmannen. 166
Hier geld nocht wet, nocht reen, nocht heylig oud gebruyck.
't belieft ons. 't sy genoegh dat elck voor Iuno duyck. 168
Al sou de rijcke troon, en Iupiters gewesten 169
170
Sien sneuvlen al de Goon van 's Hemels brandsteenvesten; 170
Het schemerende goud, dat noyt yet sterflijcx sagh, 171
Ontluystert van veel stofs, beweven van het rach,
| | | |
En spinnekoppen web: de laeghgeseten menschen 173
Van d'outers weygeren, de wieroocken, met wenschen,
175
Met suchten, en gebeen, en aendachtssout vermenght: 175
En allen dienst geschorst die saligheyd toebrenght.
Sacht! sacht! al hoogh genoegh! riep Liber, wy verwerren 177
Hoe langs hoe meer door twist. die 't gulden huys der sterren
Beheerschen wil met kracht, vermeesteren met dwangh, 179
180
Die brout des selfs verderf, en haest ten ondergangh, 180
Nocht smaeckt yet Goddelijcx. al is 't dat wy bekleden 181
Het purper, en rood goud van dit gestoelte, en treden
Op 't vloersel van turkois, en flonckerdiamant, 183
En setten met een swenck de rijcken na onse hand: 184
185
Wy sijn aen re'en verplicht, en onderlingh verbonden 185
Door wetten, eens gesmeet om niet te sijn geschonden. 186
Wie los maeckt desen band, een houvast vanden staet,
Daer ooghtmen op, als een die toeleyt op verraed, 188
En overgeven sich derf leunen tegens d'orden, 189
190
En van een rijcxgenoot een vyand is geworden.
't Bysonder, en't gemeen, met billijck onderscheyd 191
Moet worden aengemerckt, in dit swaerwichtigh pleyt. 192
't Gemeen staet geensins vry te keeren het bysonder
Recht tot syne eygen baet, of't bovenste raeckt onder. 193-194
195
Een nieuwen Chaos gaept ontstrenghtme desen knoop. 195
Ick sie den Hemel woest, de machten overhoop, 196
| | | |
Ten sy men sachter gaet. dus dat sich de Godessen 197
(Wie suyverheyd gevalt, en 'teeuwighdurend lessen 198
Van Venus minnevlam) verklaren inde saeck: 199
200
Op datme niemand quets, nocht eyndelijck de wraeck
Van't wrockende ongelijck verbittert, en beseten,
Maeck rechter van sijn leet, te dol, en Godvergeten. 200-202
Als dese nu verlof om spreken was ghejont, 203
Daer langh na was gejanckt, soo riepense uyt een mond: 204
205
Waer staenwe? voor wiens troon? 'tis veer genoeg gekommen!
Nu men in twijffel treckt 'toud recht, en d'eygendommen 206
Ons toegestaen van't Hof, en d'oppermajesteyt 207
Der Hemelvooghden self: die trouwe, en heyligheyd, 208
En waerheyd, en eenvoud omhelsden alsse swoeren,
210
En steeds, tot meyneeds straf, met blixemen rumoeren, 210
En dondren na beneen, en bersten wt een wolck, 211
Tot schennis van in deughd hen overtreffend volck. 212
Die't spierwit nonnenkleed wt trecken derf, en woeden, 213
Van vrede ontblooten derf vele Hemelsche gemoeden,
215
Versteuren alle plicht, die d'eer der Goon ophoud. 215
Waer toe Godyverigh altaer, en Kerck gebout? 216
Waer toe met kerckgebaer 't inwyen van ons drempels? 217
Als onse lust nu sticht, nu vier geeft op ons Tempels? 218
Dees twee Sibillen, oyt een wtgelesenst puyck, 219
| | | |
220
Met onverwelckte blaen beschaduwt om haer pruyck, 220
Staen veel te dier verplicht. sy strengelen, en breyden 221
Lofkranssen tot onse eer. de danssen sy beleyden 222
Der Reyen nimmermoede, en koesteren den swarm 223
Wiens yver onvermoeyt houd d'offervlackten warm. 224
225
Wy stemmen't nimmermeer, nocht laten't ons behagen. 225
Iupijn beducht voor veede, en droeve nederlagen, 226
En grimmigh in sich self, opstaende, als uyt den dut, 227
Sijn blixemsweyend hoofd tot drymael heeft geschud: 228
Waer door al watter sat, sprietooghde vande stralen,
230
En't weerlicht schitterende in's Hemels diepe salen, 229-230
Geslagen met ontsagh. ten lesten werd gehoort
Des grooten Vaders stem: wie sydy die verstoort
Der saligheden rust, door't al te hevigh woelen, 233
En jaeght de soete vrede wt soo geruste stoelen? 234
235
Of myne Gemalin, 't geen sy te strenge dreef,
En Delius 't gedingh alleen aen my verbleef, 235-236
Dat ickse als middelaer op 't ongesienst mocht scheyden: 237
Men vond veellicht een wegh tot reddingh tusschen beyden. 238
Na reen, en wederreen, en onderlingh beraen, 239
240
Werd d'wtspraeck aen Iupijn van weersijds toegestaen,
Die 't vonnis velde aldus: Apollo sal gedoogen
Der gener bruyloften, wier opgeslagen oogen242
| | | |
Sijn Godheyd houd verlet. doch sal in allen schijn243
Tot nadeel dit geensins te veer getrocken sijn,
245
Als of hy afstand deed van't recht hem opgedragen. 245
Oock sijn door't juck des echts dees Nymphen niet ontslagen
Van dienst of kerckenplicht. daer toe sal d'eerste vrucht247
Die't eerlijck bed verleent, en teelt in 's levens lucht248
Apollo sijn ghewijt. wt had hy: daerop loegen 249
250
d'Onsterffelijcke Goon, en droncken tot benoegen 250
Malkanderen de vre. waer toe soo veel geschils,
En oorlooghs? riepense, Iupijn jont Elck wat wils. 252
Men scheyde wel te vreen. doch Phoebus in 't vertrecken, 253
Trad morrende op sijn koets, en ging sijn daghvaert recken. 254
255
Het Aerdrijck door geen nesk, en doncker voorspoock ras 255
Gewaer werd, dat om hoogh wat groots besloten was.
Een paer op vetten roof gaeu afgerechte valcken 257
Twee duyven voerden wegh, en quamense verschalcken 258
Op 't hooge torendack, dat Schreyers hoeck bewaeckt. 259
260
De schildwacht, als 't gesternte aen 't vallen was geraeckt,
Van verre, in 't seylrijck Y, met lachende geschater, 261
Een waterlandsche rey sagh dobberen op 't water, 262
Met fackelen geçiert en loof, en groene blaen:
En d'oude burreghwal hoorde een stadeygen Swaen 264
| | | |
265
Geluyd slaen met haer keel, doen syse wist te dwingen 265
Als ofse eens uyt de borst het bruyloftslied wou singen.
De wijngaerd aende straet, geleyd van geestige hand 267
Tot daer 't verhemelt deckt de Nonnenledekant, 268
Hing swanger in een nacht van rype muscadellen: 269
270
Waer uyt men mocht de vreughd van 't aenstaende huwlijck spellen. 270
Ick kreegh aen 't huwelijck oock kennis in mijn droom.
Twee Dierkens setten sich op 't uytterst' vanden stroom. 272
D'een uyt een parckement of halfgerolde çedel 273
Las noten met haer galm, en d'ander met een vedel: 274
275
Waer op een heele soo' Dolphynen onvermoeyt, 275
Als door Arions herp verlockt, quam aengeroeyt. 276
Twee wat vrypostiger, en nieusgier nader swommen. 277
De Iuffers schryelings, uyt dertelheyd, beklommen 278
De visschen glad van huyt (ick dacht hoe wil dit gaen) 279
280
Die na een keer twee dry haer voerden noordwaerts aen, 280
En gaven sich in 't diep. d'halfdoode Maeghden kreten, 281
En daermé was den lust van sang, en spel vergeten, 282
't Musyckblad, en de ve'el ten besten voor den vloed. 283
D'een reyckte d'ander toe met d'ermen het gemoed. 284
| | | |
285
Sy jammerden om hulp, och armen! maer s' ontbracker, 285
En door dit droef misbaer ontsprongh ick, en werd wacker. 286
Een wijl hier na gevielt, soo deser Dochtren geest 287
Kerckplechtigh besigh was, om vyeren 't jaerlijcx feest 288
Met lofsang, en gebeen, gelijckse het noo' versloffen, 289
290
Dat d'een van 't hoogh gewelf werd inde borst getroffen, 290
Met geen geveerde schicht, maer gloeyendige kool, 291
En koegel haer gegunt van eenigh kleyn pistool. 292
Sy swijmde voor 't altaer, eer d'outste haer stutte, of redde: 293
Die namse half dood, en droegse op 't noyt ontheyligt bedde. 294
295
Ach Suster! riepse, hoe is 't? wat deert dy? is het oock 295
Een flaeuwigheyd, ontstaen van een vergifte roock? 296
Of is het hert benaeuwt, om dat uw yver heden
Heeft te yverigh gevast, geworstelt met gebeden?
Neen, suchte 't levend lijck, dat is 't niet datme schort.
300
Mijn boesem is vol vyers. mijn siel gepynight word. 300
Brengt vocht. brenght laeffenis. 't sijn enckel heete kortsen. 301
Mijn boesem is vol vyers. wat blaken my al tortsen!
Ten lesten Anna roock, hoe dit sijn oorsprongh nam 303
Niet van een geyle brand, maer eerelijcker vlam, 304
305
En versche ontfangen sucht tot bruyloften, en telen. 305
Bekommert troostese haer, en voerde haer sinnen spelen. 306
Of sy verleyen mocht't voornemen door bericht, 307
| | | |
En songse voor het lof van kuysche maeghdenplicht. 308
Helaes! maer al vergeefs. vergeefs men om wil stoten 309
310
't Geen eenmael van den Nood gestemt is, en besloten. 310
Dit bleeck eerst als de Faem op Schreyers toren sat, 311
En bruyloft! bruyloft! blies, en noodighde al de stad 312
Op 't vrolijcke bancket, beluyt met soete rymen. 313
Van 't Noorden Krombalck quam, verselschapt met God Hymen, 314
315
Met heele, en halve Goon. van 't helderdagend oost 315
Trad Iupiters geslacht, dat eeuwighsingend kroost, 316
Met wind, en snarenspel voor 'sBruyts, en Bruygoms voeten, 317
En gingen met dit lied het saligh paer begroeten. 318
| |
Bruyloftslied.aant.
Ghy waert, Heer Bruydegom, een pronckbeeld van yvoor,
320
Dat reuck derft, smaeck, gesicht, gevoelen, en gehoor: 320
Waerin, door goochelkunst, de schim van 't leven sweeft: 321
Doch pols, nocht aderslagh, nocht roering in sich heeft. 322
Maer als dy Tessel-schade, uwe helft, te beurte viel, 323
Doen daeghde uw Son, en 't lijf ontfing ter feest sijn siel. 324
325
Het sterflijck werd verknocht met sijn onsterflijck deel. 325
't Was stuckwerck, daer ghy nu voltoyt sijt, en geheel. 326
| | | |
Wy sien 't hoe Goddelijck dy dees Godes omvanght, 327
En hoe ghy aen haer tael, en wyse lippen hanght,
En luystert na een God, die sijn geheym ontsluyt, 329
330
En wichelt door den mond van uw gewyde Bruyt. 330
Bruyt, die uw lief omhelst met onbevleckte trou,
Verleent, door ommegang, uw Minnaer sulcken vou,
En glants, dat hy met dy versma dese ydelheyd, 332-333
En 't goud, en 't purper kreuck dat Ganimedes spreyt. 334
335
Doch voor uwe Hemelvaert uyt's weerelds moordspelonck 335
Erft Amsterdam een spruyt, waer in, wat in dy blonck, 336
Erkent word, alsse draeght 't geen in dy heerlijck is:
Op datter noch een ster schijne in dees duysternis.
Eynde.
|
1Zinspeling door de tegenstelling schade en baet, zoals ook Roemer Visscher gedaan had door z'n hond de naam Schabaet te geven, omdat ondanks de scha bij Tessel geleden (zie blz. 456) er toch nog baet was gekomen. Hij had namelik de schepen verzekerd, zodat voor- en nadeel, baat en schade tegen elkaar opwogen.
2aen 't land: toen hij aan land gekomen was, in behouden haven was, ook met zinspeling op zijn volbrachte zeereis als zeeofficier.
4Tessels is tweezinnig: van Tessel ('t eiland) en van Tesselschade, waarvan Tessel(tje) de bekende afkorting was. In letterlike zin was Alard Krombalck na zijn zeetocht als officier van de admiraliteit (zie blz. 456) in Tessels haven aangeland.
1't noodigh lot: 't noodzakelik lot, 't noodlot.
2Dees Dochter: dit gedicht; uyt mijn hoofd.... geboren: met zinspeling op de geboorte van Pallas Athene (Minerva) godin van de wijsheid en van kunsten en wetenschappen, die uit Jupiters hoofd geboren was.
3Geheylight uwe toorts: uw bruiloft toegewijd; toorts: huwelijkstoorts, huwelik; zoals 't Lat. taeda of fax: fakkel van pijnbomenhout, huwelik betekent; (bij Vondel ook fakkel: huwelik). Bij de Romeinen werden in de bruiloftstoet brandende fakkels meegedragen; sy wellekom u bey: zij u beiden welkom.
4maeghdepalm: de gewone inlandse palm (buksplant), die vooral als versiering bij bruiloften werd gebruikt.
TEKSTKRITIEK: vs. l Dochter, de oude uitgave heeft Dochters.
*In de tietel: De Salige Toortsen: de gezegende huweliksfakkels, 't gezegende huwelik (zie Opdracht aant. op vs. 3); E.: edele; Alard Krombalck en Tessel-schade, zie blz. 456; Ionckvrouw: juffrouw; Roemer Visschers: (dochter) van Roemer Visscher (Lat. zegswijze).
1't heylig bed: 't heilig huwelik; roemen met zinspeling op Roemer.
2Mijn oogh te keurigh dwaelt: m'n oog (dwaalt) zoekt rond al te nauwgezet in 't kiezen, omdat 't te veel keus heeft (zóveel is er te prijzen).
3Aemsteljoffers voor 't meer klassieke: Amstelnimfen; eigenlik waternimfen van de Amstel: meisjes van Amsterdam; wat hemels drijft mijn geest: iets hemels spoort mijn geest aan.
4hoeden: kransen (verg. rozehoedje: rozekrans).
6opperwaerts: opwaarts; opper: hoger op.
7een Godheyd troont....: 'n goddelijk wezen, 'n goddelike zangster ('n Muze) troont (trekt) mijn ziel mee.
8opent: openbaart, vertoont; kies: fijngeestig, smaakvol; beviel: ten deel viel.
9-10Iupiters gemael: Jupiter's gemalin, Juno; Juno was de Romeinse godin van 't huwelik; en omdat Gysbreght van Aemstel de waarschijnlik legendariese huwelikschennis van Floris V gewroken had, en Amsterdam daarom verwoest was, wilde Juno op biezondere wijze Amsterdam beschermen (zie vs. 19-vlgg.); 't is de bekende verwoesting van Amsterdam door Kennemers, Waterlanders en Haarlemmers in 1304; die gebeurtenis brengt Vondel in zijn Gysbreght op 't toneel; gemael vroeger manl. en vrouwl.; jammers met s achter veel.
11mids de Nood: omdat 't noodlot.
13verbeurt: misdaan; de volgende verzen slaan op de moord van Gerard van Velzen op graaf Floris de Vijfde, die (volgens de overlevering) de eer zou geschonden hebben van Gerard's vrouw, terwijl Gerard Floris' belangen behartigde in 't buitenland.
15sulcken: zulk 'n, zo'n.
16te eerlijck was geëcht: in ere, wettig, was gehuwd; te eerlijck: heel eerzaam.
17Een Graef....: 'n graaf (Floris) die door de burgers ( de gemeente) te begunstigen, toen ze verbitterd waren tegen de adel; bijna letterlik uit Inhovdt van Hooft's Gerard van Velzen: ‘Nae dat Floris de vijfde, Graeve van Hollandt, de gemeente lang gequeeckt hebbende om den Adel te onderdrucken....’
18al: heel; in 't gebeente: diep.
19-20De zuster van Jupiter, Juno, was hierom (omdat Amsterdam verwoest was wegens de wraak op de huwelikschennis) de stad biezonder genegen ( gewogen).
21jongh te prijck.... sat: in jonge praal troonde; met's Keysers kroon bepeerelt: met de beparelde keizerskroon; 't wapen van Amsterdam was bekroond met de keizerskroon; dit voorrecht is aan de stad geschonken door keizer Maximiliaan, en wel naar men (ten onrechte?) gemeend heeft, uit dankbaarheid voor z'n genezing door 't Heilig Sakrament van Mirakel (in de heilige Stede) van Amsterdam (eigenlik is 't de Oostenrijkse huiskroon of aartshertogelike kroon).
23door handel, en gewoel: om haar handel en drukte, om haar drukke handel.
24steen....: steden, waar koningen op hun zetel praalden.
25als die: als iemand, die.
26toeven: onthalen, goeddoen; begaen was: was bekommerd, druk in de weer.
27schuymen: bevrijden (oorspr.: van 't schuim ontdoen).
29Door tweer Meerminnen sangh: door 't gezang van de twee zeenimfen, nml. Anna en Tesselschade die hier met de bekende Sirenen vergeleken worden; tweer: tweeër, van twee.
30snaren: snarespel (viool of harp); Palinuur: de stuurman, ( Palinúrus bij Vergilius de stuurman van Aeneas).
33Bey 't kroost van Callioop: beide, kinderen van Kallíope, de godin van epiese en lieriese dichtkunst. Zo waren zij als dichteressen, en Tesselscha vooral door haar vertaling van Tasso's epies gedicht Jeruzalem verlost, kinderen van Kallioop; ongenade: hardvochtigheid (in ironiese zin).
34Tessel-schade: Schade bij Tessel, hier letterlik bedoeld omdat ze schade toebracht in 's lands haven (vs. 26-vlgg.).
35Saturnus dochter: Juno; vast: erg; met desen last nml. om Amsterdam's haven voor die Sirenen te beveiligen.
36den breeden Raed: de volledige raad.
37Die kregen er grijze haren van, en waren in verlegenheid.
38dreef haer stuek: bepleitte haar zaak; Apollo als beschermer van de dicht- en zangkunst; stondse tegen: verzette zich tegen haar.
41(de grote) Donderaer is Jupiter of Zeus; de spijt verruckt mijn sinnen: de haat, de verbittering brengt me in verwarring.
42half-land half-zee Meerminnen: half land- half zeenimfen, omdat de meisjes bij de Schreyerstoren als 't ware half op 't water woonden.
43wiens: wier; versaeght: bevreesd.
44Den oppersten nml. Jupiter; die moed... draeght: die zich verheft, verhovaardigt ( moed: hoogmoed).
45daer soo veel borgers krielen: waar 't zo krioelt van burgers.
47reys aen reys: keer op keer, en tegelijk: de ene reis na de andere.
49ryen op de ree: en op de ree heen en weer geslingerd worden.
50En staen de berning uyt: en de branding doorstaan.
52vermaeckt met: vermaakt door, die vermaak hebben in.
54soud....: zou 't ons aan macht ontbreken om dat leed te wreken; deze zegswijze is ongewoon en 'n versmelting van: zou 't ons aan macht ontbreken, en zou onze macht ontbreken (te kort schieten).
55Dat kunnen de Trojanen getuigen die gevangen zitten in Argos (waarheen ze door Agamemnon na de val van Troje gevoerd werden); Phrygiaen: Frygiër, Trojaan.
56Priaems geslachtboom: 't geslacht van Priamos was uitgeroeid met de vermoording van Astyanax (zie Amsteldamsche Hecuba).
57Dat segh de basterdsoon: dat zou de bastaardzoon kunnen vertellen, nml. Herkules; hij was de zoon van Jupiter en Alkméne de vrouw van Amphítryon; daarom liet Juno hem ook voortdurend vervolgen, en liet ze Eurystheus hem de twaalf bekende werken opdragen o.a. allerlei monsters doden (vs. 58); ten lesten vrygevochten.... van so veel ongevals: die zich ten slotte heeft vrijgevochten van zo veel rampen.
58een grouwsaem spoor: 'n gruwelike weg.
60Om mijn haat ( spijt) op Alkmeen te wreken (omdat Jupiter Alkmene had voorgetrokken).
61Heeft mijn gramschap zich ook ooit bekommerd om Karthágo, d.i. heeft mijn gramschap Karthágo niet laten verwoesten?
62Juno's toorn sloeg o.a. 't eiland Aigína, bij Attika, met de pest; ook alweer om Jupiter's (Zeus) ontrouw tegenover haar, met Aigína (naar wie volgens de sage 't eiland heette); (zie Ovidius' Metamorphoses VII, 517-vlgg., bij Vondel VII, 719-vlgg.).
64gequollen dood: kwijnende, slepende dood; gequollen deelw. van kwellen: folteren, doen wegkwijnen; dus eigenlik gefolterd; sterk vervoegd onder invloed van kwelen: pijn lijden, wegkwijnen; of deelwoord van kwelen zelf, en dan eigenlik wegge-kwijnd.
65Neptuin: Neptunus, de god-beheerser van de zee; gezart: geprikkeld ( zarren naast sarren) ; dat hy 't sich wilde belgen: dat hij er vertoornd om zou worden (om wat die ‘Sirenen’ de scheepvaarders aandeden).
66dien havenvloeck: dat verderf van s'lands haven (de beide ‘Sirenen’).
67vrydom: vrijheid, bevrijding; van haer staet: van de staat der beide zusters, de staat waar zij in woonden.
70te verletten: bezig te houden.
71heylge sucht: zuivere begeerte.
74Sulcx stemme: zo mag besluiten.
75het morren....: 't gemompel ging aan alle kanten op.
76overwoeght: overwoog't (in besprekingen) (met oe-klank zie blz. 135 op vs. 677).
77en wroeghde sich t'onvreden: en zat ontevreden zich te verbijten ( t'onvreden: in onvrede, in onrust).
81Ganimeed: de schenker van de goden; hij was 'n zoon van de Trojaanse koning Tros, en werd door Jupiter geroofd; vandaar wordt in 't volgend vers Juno zijn stiefmoer genoemd; necter: nektar, de godedrank.
83Waarom gaat ze haar macht te buiten? Waarom eist ze op wat mijn recht is, wat mij toebehoort, (de beide zangsters van Apollo de god van de dichtkunst); perck: grens.
84daer geen geschut op hecht: waar geen pijl op blijft vastzitten, 'n doel dat niet te treffen, niet te bereiken is.
85Hemelbrand: de brand (van strijd) onder de goden; wt.... lessen: uitblussen.
86De Priesteressen van Apollo zijn de dichteressen.
89kaeckelbont: in vele sterke kleuren.
90oyt: altijd; Godsdienstelijck: in verering voor mijn godheid.
92Gehult, en geperruyckt: 't hoofd omkranst (de priesters en priesteressen van Apollo hadden't hoofd met lauwer omkranst); hullen: omkransen.
93dy: u (ouwe verbogen vorm bij du); rouw: ruw; onbescheeden: onbescheiden.
95Hier spreekt hij zijn twee beschermelingen toe; wacht uw dienst: neemt uw bediening waar.
96kerckschennis: heiligschennis; besprenckel: bespat, bevlekt.
97Mijn feest: mij te vieren.
98wiens wackre sinnen: wier ijverige geest (Tesselschade, zie vs. 33).
99Aen Tasso braef van stijl: aan de verheven stijl van Tasso (z'n Jeruzalem verlost) ; wiens asschen ghy beroert: wiens nagedachtenis gij doet herleven.
100En soo hooghdravende..: en op zo verheven wijze in Holland (in 't Hollands) doetzingen.
101Godefroy: Godfried van Bouillon, de hoofdpersoon in dit heldedicht; den oorloogh dy getroosten: de oorlog u getroosten, de last van de oorlog op u gaat nemen.
102slaghoordens: slagorden (zie blz. 96 op r. 19).
103Weckt met 'thoefyser stof: 't stof met 't hoefijzer opjaagt; en noopt den hengst verhit: de vurige hengst met sporen prikkelt.
105Gij ook mijn zienster, mijn dichteres. Hij spreekt hier Anna Roemers toe van wie hij hoopt dat zij eens Holland's helden zal bezingen; Sibil: profetes, zienster (zie blz. 395 vs. 66); namaels: later; melden: bekend maken (nml. die helden, zie vlg. vs.).
106sulcken helden: aan zulke helden. Hij doelt hier o.a. op Oldenbarneveld zoals uit de verandering in de latere uitgaven duidelik blijkt (zie aant. achterin).
107met raed: met wijs beleid.
108Der vrijer volckren recht beschoncken: 't recht van de vrije volken inwijden met hun bloed (zoals de offers bij de Ouden met wijn werden beschonken).
109ontvreemde my dees panden: laat geen god of godin mij deze dierbare kinderen ontnemen.
110voesterkinders: voedsterkinderen ( voester zie Dl. 1, blz. 786 op vs. 91); offerhanden: offers ( offerhanden met h zie Dl. 1, blz. 476 in de tietel).
111haer mond volght: begeleidt haar gezang; vol van God: vervuld van mijn godheid, door mijn godheid bezield.
112Mijn drempels: (de drempels van) mijn tempel; mijn Tempel is haer lot: hun levenslot is in mijn tempel te dienen.
113gesteurt: gestoord, verstoord.
114Wat geest drijft Cynthius: door wat voor 'n boze geest wordt Cynthius gedreven; Cynthius is Apollo, zo genoemd naar de berg Cynthus (Kunthos) op 't eiland Delos, waar hij geboren werd; gaet hem over: overkomt hem.
115meestren: overmeesteren.
119-vlgg.dede hy uitspr. deed'y; doen: toen; Apollo wenste de dochter van Peneus, Daphne, tot vrouw, maar zij vluchtte naar haar vader die haar in 'n laurierboom veranderde. Apollo omkranste zich toen met haar blaren; sindsdien is de laurier Apollo toegewijd.
122lodderlijck: liefelik, vol liefde; verwermen: verwarmen, als om die weer te bezielen.
123Pelion 'n berg in Griekenland.
124hem soo naeuw niet heelen kon: hem niet zo zorgvuldig kon verbergen.
125datelijck: dadelik, terstond; datelijck uit 'n vorm daatlijck.
126Cyrene 'n dochter van de koning der Lapithen. leefde als jageres in de bossen, en werd daar door Apollo ontvoerd naar Libië (Afrika); den gordel af deed leggen: 'n vertaling van 't Latijnse zonam solvere, 'n verbloemde zegswijze voor: 'n vrouw haar maagdelikheid ontnemen.
127En de verse rozen (van haar kuisheid) plukte, die verbleekt ( gedoodverwt) waren van grote schaamte.
129in sijn koets: in zijn zonnewagen (Apollo is ook Phoebus de zonnegod).
130Thessalien: de Pelion lag in Thessalien.
131luyd: klinkt; aerd: aardt naar; Latoon: Latóna of Leto, de moeder van Apollo; ook met Latona had Jupiter zich verbonden, daarom haatte Juno haar.
132Meer als sijn suster doet: Apollo's zuster Artemis of Diana huwde nooit, en werd de kuise genoemd (verg. blz. 455, vs. 473).
133heel: helemaal; ontlochent: lochent, ontkent ( ontlochenen eigenlik: weglochenen, ont- ten overvloede door invloed van 't Latijnse abnegare) ; treken: streken, schelmstukken.
134Zijn kinderen, die door hun lange krullen hem verraden ( melden) zullen getuigen, dat hij geen bruiloften schuwt; gekruyft: gekruld, met lange krullen (zoals Apollo zelf).
135Nauweliks had de zeebeheerser ( Neptuin) dit gezegd, of de hemel was verdeeld (in twee partijen); gesplist voor gesplitst, verg. Dl. 1 blz. 705 op vs. 10.
137ongeroert: onaangeroerd (alles werd opgehaald); dorstme: durfde men.
139onverschoont: niet gespaard; droeght sich toe: ging 't er toe.
140Beerin: de nimf Callisto, die om haar gemeenschap met Jupiter door Juno in 'n berin werd veranderd; 't zelfde deed ze met Io, die de gedaante van 'n koe kreeg; schrolden: schimpte ( schrolden met n, zie Dl. 1 blz. 441 op vs. 318.
141Danaë tot wie Jupiter afdaalde in 'n goude regen, toen zij op last van haar vader Akrisios streng bewaakt werd, omdat volgens 'n voorspelling haar zoon eens Akrisios zou doden; bewaeckt: hoewel ze bewaakt werd; toornen: torens.
142Cadmus suster: Europa, die door Jupiter in de gedaante van 'n stier geschaakt werd; die den stier hingh aen syne hoornen: die aan de stier z'n horens hing.
143Ganimeed, zie aant. op vs. 81; rancken: ongeoorloofde handelingen.
144opgeveylt: naar voren gebracht.
145de diepe sael: de hoge hemelzaal.
147machtigh: meester; als die geen strand en houd: daar geen strand die weerhoudt.
148sout: zeewater ('t Latijnse sal: zeewater, zee).
149komt te stade: ten dienst staat, helpt.
150's onweers: van de storm.
151de stekende trompet: de gestoken trompet (verg. Dl. 1 blz. 661 op vs. 2).
152't knerstanden: 't knersen; wet: natuurwet.
153den Moord: 't moorden, de oorlog.
154Grasduynen: zich te goed doen; oeghst: oogst (zie blz. 116 op vs. 284).
155als: toen; de daken vande lucht: 't hemelpaleis, de hemelingen ( daken: 't Lat. tecta: daken, woningen).
156en sette neer het onbetoomt gerucht: en 't tomeloos rumoer bedaarde.
158vervangen heeft: opgenomen, verdedigd heeft (als haar vervanger, gemachtigde).
160Dat niet rechtmatigh stemt: dat niet juist overeenstemt; Vroumoeders wil: de wil van mijn meesteres en moeder (verg. heer vader).
163het strenghste: 't sterkste.
164ooght en doelt: rekent en hoopt.
165Ick moedighse de borst....: ik bemoedig hun 't hart om onversaagd de strijd te aanvaarden.
166't Overig gedeelte z'n macht ( geweld) t'ontnemen.
168't belieft ons: zo is 't onze wens (sic placet); 't sy genoegh dat elck: 't moet genoeg zijn voor ieder; ieder moet tevreden zijn, moet zich getroosten voor Juno te duiken.
170sneuvlen: neerstorten; brandsteenvesten: muren van barnsteen.
171Al zouden (Jupiter's hemelgewesten) het stralend goud ontluisterd zien door veel stof, bedekt met rag van 't spinnekoppeweb; schemerende: schitterende; dat noyt yet sterflijcx sagh: dat geen sterveling ooit gezien heeft.
173Al zouden ze de beneden wonende ( laeghgeseten) mensen zien onthouden aan de altaren ( Van d'outers weygeren) de wierookoffers vermengd met....
175aendachtssout: 't offerzout dat in 't offervuur geworpen werd; ( aandacht: godsvrucht).
179Beheerschen met kracht: overheersen met geweld.
180haest ten ondergangh: spoedt zich naar z'n verderf.
181Nocht smaeckt yet Goddelijcx: en heeft niets goddeliks meer.
183turkois: (turkoois, Turks) hemelsblauw.
184met een swenck: met één zwaai ( swenck: zweng, bij zwengen: draaien) ; onse hand uitspr. onz'and.
185aen re'en verplicht: aan redelikheid gebonden.
188Daer ooghtmen op: daar let men scherp op; die toeleyt op verraed: die 't toelegt op verraad, verraderlike plannen maakt ( toeleyt: toeleit, van toeleggen).
189overgeven....: misdadig (overgegeven aan de misdaad) zich durft verzetten.
191't Bysonder, en 't gemeen: 't persoonlik en 't algemeen belang (zo ook in vs. 193).
192aengemerckt: in 't oog gehouden, behartigd.
193-194't Staat niet vrij aan de gemeenschap ( 't gemeen recht) 't persoonlik belang tegen te werken tot eigen voordeel, of alles gaat ten onderste boven; het bysonder recht: 't persoonlik recht, belang.
195'n Nieuwe chaos zie ik gapen, zo men deze knoop losmaakt.
196woest: verwoest; overhoop: in vijandschap.
197sachter gaet: met minder geweld, meer beleid te werk gaat.
198Die aan de zuiverheid de voorkeur geven, en Venus' liefdevlam trachten uit te doven.
199sich (197).... verklaren inde saeck: zich duidelik uitspreken in dit geding.
200-202Opdat men niemand zal kwetsen, en evenmin tenslotte de wraak, verbitterd en als bezeten door 't onrecht, waarover men blijft wrokken, rechter zou maken over zijn leed; dat was al te dwaas en Godvergeten (letterlik: op al te dwaze en Godvergeten wijze).
203dese nml. de godinnen; ghejont: gegund.
204gejanckt: dringend om gevraagd.
206d'eygendommen: de eigen vrijheden, de eigen rechten.
207van't Hof: door 't hof, de hoge raad der goden.
208Der Hemelvooghden: der hemelheersers, der oppergoden; trouwe: ouwe vorm van trouw.
210tot meyneeds straf: om 'n meineed te straffen.
211bersten wt een wolck: hun donder en bliksem uit 'n wolk neerslingeren.
212Tot schennis van: tot bestraffing van.
213Die: de god die; nonnenkleed: maagdekleed; derf: durft.
215Versteuren: verbreken, schenden; die....: zo iemand houdt de eer der goden op, is hier oppergod.
216Godyverigh: in ijver voor God.
217kerckgebaer: kerkelike plechtigheden; drempels: tempels.
218Wanneer onze drift de ene dag onze tempels bouwt, de andere dag in brand steekt (door alle wetten met voeten te treden).
219Dees twee Sibillen: deze twee zangsters (zie op vs. 105); oyt: altijd.
220't Hoofd omkranst met onverwelkte lauweren.
221Staen veel te dier verplicht: hebben veel te (dure) heilige verplichtingen; breyden: vlechten (oorspronkelike ook nu nog dialektiese vorm van breien).
223en koesteren den swarm: en verheugen, verkwikken de menigte.
224Wier onvermoeide godsijver voortdurend de offeraltaren branden doet ( offervlackten: altaarplatten).
225Wy stemmen't nimmermeer: wij zullen er nooit in toestemmen.
227uyt den dut: uit z'n dromend gepeins.
228blixemsweyend: bliksemzwaaiend; voor 't twede lid zie blz. 225 aant. op vs. 6.
229-230sprietooghde: knipoogde (zie blz. 167 op vs. 1363); vande stralen, en 't weerlicht: van de stralen van 't bliksemlicht.
233saligheden: zalige goden.
235-236Als maar mijn gemalin (Juno), de zaak die ze al te straf doordreef, en de Deliër (Apollo) de zaak ( 't gedingh) alleen aan mijn uitspraak onderwierpen, opdat...; 't geen: de zaak die; Delius: de Deliër, d.i. Apollo, zo genoemd omdat hij op 't eiland Delos geboren werd; verblijven: onderwerpen aan 'n scheidsrechterlike uitspraak.
237Dat ickse.... op't ongesienst mocht scheyden: opdat ik op 't onverwachtst tussen hen kon beslissen.
238veellicht: wellicht; ( veellicht uit 't oostelik Nederlands).
239Na reen, en wederreen: na over en weer bespreken; reen = reden( en), gesprek(ken).
242wier opgeslagen oogen....: wier omhoog geslagen ogen steeds op zijn godheid gevestigd zijn, dus: alleen op hem gericht zijn, hem vereren door hun dicht- en zangkunst.
TEKSTKRITIEK: vs. 263 en loof, de oude uitgaaf heeft van loof.
243doch: toch; in allen schijn: klaarblijkelik; schijn: blijk.
245opgedragen: toegestaan.
247Van dienst of kerckenplicht: van hun verplichte dienst in Apollo's tempel, als kunstenaressen; dienst of kerckenplicht: plicht tot dienst in de kerk; daer toe: daarbij; bovendien.
248't eerlijck bed: 't eerbaar huwelik.
249wt had hy: hij was uitgesproken ('t Latijnse dixit).
250tot benoegen: tot (wederzijdse) voldoening, voldaan.
252Elck wat wils: aan ieder iets van zijn verlangen ( wil: begeerte); de spreuk van Roemer Visscher; hier dus met zinspeling op 't Roemer-huis.
253Phoebus: Apollo als zonnegod; in: bij.
254koets: zonnewagen; ging sijn daghvaert recken: begon snel zijn dagelikse tocht ( recken: snel doen lopen).
255door geen nesk, en doncker voorspoock: door geen dwaas en somber voorteken; dus door 'n werkelik en duidelik voorteken; die gunstige voortekens vermeldt ie in de volgende verzen; nesk Hollandse vorm van nesch: week, onnozel, dwaas.
258Twee duyven slaat natuurlik op de twee Roemertjes; verschalcken: listig overvallen.
259't hooge torendack: 't dak van de Schreierstoren, waar 't huis van Roemer Visscher vlak bij lag; zie verder aant. op vs. 467 blz. 455.
261seylrijck: vol zeilen, vol schepen.
262Een waterlandsche rey: 'n rei van Ynimfen, en tegelijk met zinspeling op de Amsterdamse meisjes.
264d'oude burreghwal: de oude gracht; een stadeygen Swaen: 'n zwaan van de stad zelf; tweezinnig: 'n zwaan die in de stadsgracht thuis hoort, en 'n dichter, burger van de stad (waarmee Vondel zich zelf wel bedoelt), de zwaan is 't zinnebeeld van de dichter.
265syse: zij ze (dat ‘se’ slaat op haer keel) ; te dwingen nml. om te zingen.
267De wijngaerd: de wingerd (die waarschijnlik tegen 't huis van Visscher was opgeleid); geestige hand: kunstzinnige hand (van de meisjes zelf).
268Tot daer....: tot waar de hemel (van 't ledikant) 't maagdelik bed overhuift, dus: tot 't raam van haar slaapkamer; ledikant was vroeger ook 'n de-woord.
269Hing in eén nacht vol ( swanger) rijpe (muskadel)druiven.
270mocht: kon; spellen: voorspellen; aenstaende huwlijck: uitspr. aanstaand' uwlijk.
272Dierkens: meisjes (zie Dl. 1 blz. 144 aant. op vs. 80).
273uyt: van; halfgerolde çedel: half open gerold handschrift.
274Las noten met haer galm: zong (las de noten met haar zang, al zingend), en de andere speelde op haar viool.
275Waer op: en daarop; een.... soo' Dolphynen: 'n groep Dolfijnen.
276Aríon: 'n Griekse harpspeler op Lesbos (ongeveer 600 v. Kr.). Volgens de sage werd hij op 'n zeereis door rovers gedwongen in zee te springen. Te voren vroeg hij nog eens te mogen spelen; toen hij in zee sprong nam een van de dolfijnen, die op z'n verrukkelik spel rond de boot waren komen zwemmen, hem op, en zo brachten ze hem veilig thuis.
277nieusgier (met klemtoon op de eerste lettergreep): nieuwsgierig.
278schryelings: schrijlings; uyt dertelheyd: uit overmoedige pret.
280Die na 'n paar keer heen en weer gezwommen te hebben, ze naar 't Noorden meevoerden.
281En gaven sich in't diep: en zich in zee begaven; halfdoode: halfdood van schrik, doodsbenauwde.
282van: voor ( lust van is 'n Latinisme).
283ten besten voor: tot 'n prooi voor.
284Ze omhelsden elkander met liefde in hun smart.
285s': ze, nml. de hulp; och armen: helaas (letterlik: ach mij ongelukkige; armen 4e n.v. naar 't Latijn: heu miserum).
286ontsprongh ick: sprong ik op uit m'n slaap.
287gevielt: gebeurde 't; soo: toen; de volgende verzen doelen hierop, dat Tesselschade op 't jaarfeest van Apollo, bewusteloos zou zijn gevallen.
288Kerckplechtigh: met plechtigheden in Apollo's tempel.
289gelijckse het noo' versloffen: zoals ze dat niet gaarne verzuimen; noo': node, ongaarne.
290van 't hoogh gewelf: vanuit 't gewelf van de tempel, of van de hemel.
291geveerde schicht: pijl.
292koegel (met oe-klank): kogel, (zie blz. 439 op vs. 155); gegunt van: toegediend door; eenigh: een of ander.
293d'outste: nml. haar oudere zuster Anna.
294half: uitspr. 'alf; op't noyt ontheyligt bedde: op 't maagdelik bed.
296Een flaeuwigheyd: 'n flauwte.
300vol vyers: vol (liefde)vuur.
301kortsen de ouwere vorm van: koortsen.
304een geyle brand: 'n wellustige brand; eerelijcker vlam: eerbaarder liefdevuur.
305versche: nieuwe; sucht: verlangen.
306en voerde haer sinnen spelen: en deed haar geest spelen; en vermaakte haar geest ( haer: uitspr. 'aar).
307Of....: of ze haar voornemen mocht afleiden, doen veranderen; bericht: vermaning.
308songse voor: zong haar voor.
310van den Nood gestemt is: door 't noodlot bestemd, bepaald is.
311de Faem: de godin de Faam, als verpersoonliking van de nieuwstijding (zie Dl. 1, blz. 248).
313beluyt met soete rymen: ingeluid met liefelike zangen.
314Van 't Noorden: Krombalck kwam van Alkmaar; Hymen: de god van 't huwelik.
315halve Goon: goden van lagere rang; 't is 'n vertaling van 't Latijnse semideus: 'n held uit 'n god en 'n aardse vrouw geboren.
316Iupiters geslacht....: de vrolike muziekanten en (bruilofts)zangers; Jupiter's kinderen ( geslacht) zijn degenen die onder de planeet Jupiter geboren zijn; hun werd 'n vrolik (joviaal) karakter toegeschreven ( joviaal van Jovis: Jupiter).
317Met wind, en snarenspel: met blaas- en snaarmuziek; met muziek van blaas- en snaarinstrumenten (windspel en snarespel).
321de schim van 't leven: de schijn van 't leven ( schim: schaduw, schijn).
323dy: u; uwe helft (uitspr. uw'elft): uw wederhelft.
324't lijf: 't lichaam; ter feest: op 't feest.
326stuckwerck: onvolmaakt werk; daer: terwijl; geheel: volmaakt.
329een God: 'n godheid, Apollo, die spreekt door de mond van Tesselschade's dichtkunst (vs. 330).
330wichelt: zijn orakels geeft; Apollo gaf in 't Griekse Delphi zijn orakels; gewyde: toegewijd aan Apollo, als de god van de dichtkunst.
332-333door ommegang: door uw omgang; sulcken vou, en glants: die stralende wezenstrek, schitterende levenshouding ( vou: plooi); dese ydelheyd: de ijdelheid van deze aarde; ze moeten opstijgen in de hemel bij de goden en, met de purpere mantel omhangen, zetelen op de goude troon (334).
334kreuck: doet plooien (bij 't zitten op de troon); Ganimedes: de god-opperschenker die hen ontvangen zal, en naar de troon zal voeren.
335moordspelonck: dodelik hol, 'n verblijf waar men 't leven moet verliezen.
336een spruyt waaronder hier 'n meisje verstaan wordt, in verband met de volgende verzen.
|
|