auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller en J.F.M. Sterck
bron: J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Tweede deel 1620-1627. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1929
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
|
| |
| | | | | |
Stryd of Kamp Tusschen Kvyscheyd En Geylheyd.aant.aant.
't Amsterdam,
Ghedruckt by Iacob Aertsz. Kalom, Boeckverkooper, woonende aen de Nieuwe-Brugge, in de vyerige Kalom. 1624.

| |
| | | |
Opdraght.*
Ionfers, op wiens kaecxkens blosen, 1
Maer die Zedigheyd, en Schaemt 2-3
Daer op dopte, soo't betaemt:
5
Die, soo langh uw jaren recken, 4-5
BAECKENS sult ter Deughde strecken:
Neemt in 't goede Kuyscheyds Kamp: 7
Van mijn geest meer lichts wil jonnen, 9
10
Sal ick bet vernoegen konnen. 10
| | | |

Scheybeek, hofstede van de famielie Baeck in Beverwijk.
Gravure ontleend aan de 2e uitgave van ‘Stryd of Kamp, Tusschen Kuyscheyd En Geylheyd. 't Amsterdam, Ghedruckt by Iacob Aertsz. Calom. Boeckvercooper, woonende op 't water in de vyerige Kalom. 1625, blz. 105; deze uitgave is 'n onderdeel van Minne-plicht. ende Kvysheyts-Kamp. als mede Verscheyden Aardighe en Geestige Nieuwe Liedekens en Sonnetten. T'Amsterdam, Bij Iacob Aertsz. Calom. Ao CIƆIƆCXXVI’ [1626].
| |
| | | |
Stryd of kamp Tusschen Kvyscheyd En Geylheyd.
Geheylight aen de eerwaerdige, en aerdige Ionckvrouwen
Catharina Ende Dianira Baeck.*
Aen het Beeckjen datter dwers 1
Leckt door 't bosjen altijd versch, 2
En in 't vyvertje terstond
Sinckt de Viskens in den mond:
5
Aen het Beeckje dat steeds ebt, 5
En in duyn sijn leven schept:
Op wiens oever goedes moeds 7
Nymphjes lobbren barrevoets: 8
In wiens kil Natuur verleent 9
10
Keytjes, die men met 'tgesteent
Nimmermeer verwisslen sou. 10-12
| | | |
Op dit Beeckjen heeft op 't lest 13
Kuyscheyd sich een Burgh gevest,
15
En daer, uyt sorghvuldigheyd, 15
't Water drie mael om geleyd. 16
Wit Albast de vesten zijn,
Dieme best by sonneschijn 18
Wt de toppen blincken siet 19
20
Van Rieboordetjes en Riet. 20
Op dit Slot staet een Kappel,
Daer met wind, en snarenspel, 22
Een spierwitte Maeghdenrey
Menght een Goddelijck geschrey. 24
25
'tLicht, dat door het heyligh glas
Blickert, word van Maeghdewas 26
Nacht en dagh steeds aengevoed.
't Wieroock ruyckter wonder soet.
Maer der kunstenaren geest
30
Sweeft en leefter aldermeest:
Hier de naeld, en daer 't pinceel,
In tapijt, en op 't panneel.
Schijnt Susanne, kuyscheyds son,
35
Te beschreyen 'slevens licht,
En verwenscht het geyl gesicht
Van twee gryserts, die, vol brand,
Dingen na het heyligh pand,
Datse haer man heeft toegewijt.
40
Siet eens hoe de schaemte strijd.
Hoese worstelt met de dood;
| | | |
Om soo dierbaren kleynood
Voor den Bruygom diese erkent.
45
Elders als een Morgenstar
Blinckt de Bruyd van Potiphar, 46
En, aentreckelijcke pop, 47
Ruckt verlieft voor Ioseph op 48
Haren boesem: daer het beeld
50
Van yet weeldighs inne speelt. 49-50
Boesem, die nau aengeraeckt
Hand en vingers salich maeckt.
Boesem, daer een Afgods vrient,
Die op Isis feesten dient, 54
55
Om het offer sou versmaen, 53-55
En voor 't Outer sich ontgaen, 56
Maer siet ginder hoe d'Hebreeu 57
Vlied van 't lichaem blanck als sneeu,
En sijn mantel onbesmet 59
60
Laet aen 't overspeligh bed.
Elders sietmen hoe Lucrees,
Als een doodshoofd bleeck van vrees,
Als het anders niet magh sijn, 63
Word ontheylight van Tarquijn.
65
Wederom hoe sy terstond 65
Mettet stael haer selven wond, 66
En betuyght het kuysch gemoed 67
Met de sprenckels van haer bloed.
Elders Daphne lauwerboom 69
| | | |
70
Schaduw jont den waterstroom,
Stronckelen in slibbrigh kley. 72
Meer van diergelijcke stof
Mercktmen hier de Deuchd tot lof. 74
75
Wie voor Kuyscheyd heeft gestreen
Leeft door 'sweerelds eeuwen heen. 33-76
Venus, die te Paphus heerst, 77
Was de geen, die d'aldereerst 78
Dempen wou vrou Kuyscheyds stam, 79
80
En het Slot berennen quam: 80
Quam 't bestoken met haer speyr,
Met een groot ontallijck heyr.
't Aterlinghse Dwerghjen loos 83
Sy tot 'slegers Maerschalck koos.
85
Dese toegerust met boogh,
Tros, en pijlen, moedich toogh 86
Als Veldhoofdman trots voor aen,
Wel gemoedight om te slaen. 88
Iock, en Lach, en Boevery, 89
90
Lusjes, Kusjes, Sotterny, 90
Steeckjes, Treeckjes, en Gevley, 91
Pronckten met sijn leverey. 92
Kuyscheyd van haer tinne sagh
Met het kriecken van den dagh,
95
Hoese werd becingelt dicht
Van dat eerloos Hoerewicht.
Daetlijck sprack sy preuts, en fier, 97
Tot Cathrijn, en Dianier:
| | | |
Op Trawanten op! en gaet,
100
En de valbrugh vallen laet.
Boodschapt Cypris in mijn naem, 101
Datse haer met haer Soon niet schaem, 102
Tegens my in 't veld alleen
Half gewapent wt te treen. 104
105
Bey nae 't opnen van de poort
Tradense wt. Cathrijn dee 'twoord:
Vond, met 'tboefjen daer ontrent.
110
Met uw stokebrand de Min, 110
Neemt voor lief de groetenis
Om t'ongaen 'tlange oorlooghs ramp 113
Sich erbiedse een vryen kamp 114
115
Aen te gaen, en is getroost
Dy te wachten, en uw kroost. 116
Venus moed ontsonck de siel 117
Met dat d'handschoen voor haer viel. 118
Min greepse op. Dees metter vaert 119
120
Haesten weder slotewaert. 120
'Twas een lust t'aenschouwen, hoe
Men van weersijds ruste toe, 122
Om te leveren den strijd,
Half bedeest en half verblijd.
Nonnetronien blanck en bol, 126
Als haer Vrou ten vederspel 127
| | | |
Wt reed op een witte Tel, 128
Met een Rijdrock hagelwit.
130
'tKleed dat voeght haer daerse sit, 130
Met haer speer. omgort wel stijf, 131
Pijlen ramlen aen haer lijf.
Cypris en haer Soon vol moeds
Werd getrocken in een koets
135
Van twee Swanen tay van schacht, 135
Die de Min aendreef met kracht. 136
Venus in het rennen heet, 137
Scheurde haer vyands opperkleed, 138
Maer de Kuyscheyd van sich stack
140
Dat de punt in 't herte brack.
Wend, och wend! kreet Cypris doen. 141
Als hy sagh sijn moeder bloen, 142
Wilde hy keeren metter haest,
Maer sy greep hem soo verbaest: 144
145
Greep, en smeet hem metter hand,
Schier een steenworp verre in 't sand,
Dat hy van soo swaren val
Hinckt, en eeuwigh hincken sal.
Daerme raeckt in rep, en roer 149
150
'tLeger van dese ooster Hoer. 150
Yeder vlucht, een yeder vliet.
Waer sy bleef en weet ick niet.
Maer de Kuyscheyd krijghsheldin
Reed met zege Slootwaert in:
155
Daer Cathrijn, en Dianier
Haer bekransten met laurier.
FINIS.
|
*Van 1624. Dit gedicht, waarvan hierboven de opdraght staat, is afgedrukt volgens de eerste uitgave in 1624: t'Amsterdam, Ghedruckt by Iacob Aertsz. Calom; zie de tietel op de vorige bladzij. (Bibliographie van Vondels werken, nr. 106).
2-3Niet de gewone blos van de natuur, maar die van de zielekultuur, de rozen van zedigheid en ingetogenheid.
4-5dopte: schilderde ( doppen bijvorm van dopen) ; langh.... recken: zover.... reiken.
7Neemt in 't goede: neemt voor lief.
9wil jonnen: zal gunnen, zal geven.
10bet vernoegen: beter voldoen.
*In de tietel: Kuyscheyd en Geylheyd: maagdelikheid en zinnelike liefde; Geheylight: toegewijd; aerdige: geestige.
Catharina en Dianira Baeck: dochters van Laurens Joosten Baeck en Dieuwertje Jacobs Haringcarspel, zusters van Joost Baeck, vriend van Joost en Willem van den Vondel, en zwager van de dichter Hooft (zie blz. 430).
1Aen het Beeckjen: Vondel laat deze Stryd plaats vinden op 't landgoed van de famielie Baeck, n.l. Scheybeek in Beverwijk; 't had deze naam, omdat 't beekje dat landgoed in tweeën scheide.
2Leckt: in dunne straaltjes voortsijpelt; altijd versch: met altijd fris water.
7wiens: welks; goedes moeds: blij te moê.
8Nymphjes: de meisjes Baeck; lobbren: plassen.
10-12die.... verwisslen sou: die men nooit zou willen ruilen tegen de juwelen van 'n hooggeboren dame ( sou: wij zouden hier geen punt zetten maar: -).
13Op dit Beeckjen: aan dit beekje ( Op in dezelfde betekenis als aen in vs. 1 en 5, zoals op vroeger gebruikt was: die stad ligt op de rievier, enz.)
15sorghvuldigheyd: voorzichtigheid.
18Dieme: die men ( me zwakbetoonde vorm van men).
19Wt de toppen: boven de toppen uit.
20Rieboordetjes: bloembiezen.
22wind, en snarenspel: blaas- en snaarmuziek.
24geschrey: geroep, gezang.
26van Maeghdewas: met zuivere kaarsewas.
46Bruyd: jonge echtgenote.
47pop: beeld, beeldmooie vrouw.
48Ruct.... op: rukt open.
49-50het beeld van yet....: iets buitengewoon....
54Potiphar's vrouw trachtte Jozef te verleiden tijdens de grote (Isis)feesten, waarbij haar man tegenwoordig moest zijn; Isis is de voornaamste godin van Egipte, die de stijging en daling regelt van de Nijl, en zo Egipte z'n vruchtbaarheid schenkt; een Afgods vrient.... dient: 'n afgodspriester die z'n ambt vervult in de eredienst op Isis' feest.
53-55daer.... om: waarom, om welke (boezem).
56sich ontgaen: zich zelf vergeten.
59Zij had hem bij z'n mantel vastgegrepen.
63Omdat zij er weerloos tegenover is.
65Wederom: verder, op 'n ander tafereel.
66Lucretia doodde zich zelf, omdat haar kuisheid geschonden was.
67betuyght: getuigenis geeft van.
69Daphne lauwerboom: Daphne als lauwerboom.
72Stronckelen: struikelen, glibberen; en in woordspeling met stronk (waar stronkelen van is afgeleid), als 'n boomstronk wortelen.
33-76Deze strofen beschrijven de artistieke taferelen, die er te zien zijn. Vs. 33-44 de kuise Suzanna; vs. 45-60 de geschiedenis van Jozef met Potiphar's vrouw; vs. 61-68 herinneren aan de door Tarquinius onteerde Lucretia; vs. 69-72 aan de bergnimf Daphne, wier maagdelikheid tegenover haar aanrander Apollo werd gered door Zeus, door haar in 'n laurierboom te veranderen.
77Venus, de godin van de (huweliks)liefde, had in Paphus op Cyprus haar beroemdste tempel.
78d'aldereerst: Latijnse zegswijze voor 't allereerst.
79Dempen: ten onder brengen; stam: geslacht.
80berennen: belegeren, insluiten.
83't Kleine, sluwe duveltje Cupido.
86Tros, en pijlen: tros, bundel pijlen (klassieke stijlfiguur hendiadys).
88Zeer belust om slaags te raken.
89Iock: scherts; Boevery: guitigheid.
90Lusjes: genietinkjes, behagelikheidjes.
92Waren in zijn gevolg; leverey: livrei.
101Cypris: de Cypriese, een der vele namen van de godin der liefde (naar 't eiland Cyprus).
102Dat ze zich niet genere.
104Half gewapent: mij die maar half gewapent ben; wt te treen: op te komen.
110de Min: 't boefje Cupido.
113ongaen: zoals vaak voor ontgaen; 't ramp: ramp ook 'n het-woord.
114Sich erbiedse: biedt ze (zich) aan; een vryen kamp: 'n zelfstandige strijd, 'n tweekamp.
116uw kroost: uw kind Cupido.
117Aan Venus' gemoed ontzonk 't hart; 't hart (de moed) ontzonk haar ( siel: hart, moed).
118d'handschoen als uitdaging tot de strijd.
119Min: Cupido; Dees: de beide meisjes.
120Haesten: haastten zich.
122ruste toe: zich toerustte.
126Nonnetronien: meisjesgezichten ( tronie had nog geen ongunstige betekenis).
127haer Vrou: haar meesteres, Kuisheid; ten vederspel: als op de vogeljacht (met de valk); voor haar was 't 'n spel, als de vogeljacht.
128Tel: telganger (damespaard).
130't Kleed (de rijrok) staat haar sierlik, zoals ze daar te paard zit.
131omgort wel stijf: heel stevig gegordeld, met 'n stevige gordel (waar de pijlbundel aan bevestigd is).
135De zwanen waren Venus toegewijd.
136de Min: de Soon van vs. 133.
137in het rennen heet: heet, vurig in de aanval.
138vyands: vijandin; vijand als algemene naam.
142hy: de door Cypris toegeroepene Cupido.
144sy: Kuisheid; soo verbaest: in zijn ontsteltenis, toen ie helemaal ontsteld was.
149Daerme: daarmee, daarop.
150ooster: uit 't Oosten, Oosterse.
|
|