auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller en J.F.M. Sterck
bron: J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Tweede deel 1620-1627. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1929
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
|
| |
| | | | | |
I.V. Vondelens Geboortklock Van Willem van Nassav,
eerstgeboren sone der doorluchtichste Princen, Frederick Henrick Ende Amelia, Door Gods genade Princen van Oranje: Geboren met de son, den 27 van May, 1626, in 'sGravenhaeghe.aant.aant.aant.
T' AMSTERDAM,
Gedruckt by VVillem Jansz Blaeu, op't Water, inden gulden
Sonnewijser, M. DC. XXVI.

| | | |
DE GEBOORTKLOCK WORDT HIER AFGEDRUKT volgens de tekst der eerste uitgave (Bibliographie van Vondels werken Nr. 150). Het oorspronkelike tietelblad vindt men typografies nagevolgd op de vorige bladzijde. De Latijnse spreuk in het vignet betekent: ‘onvermoeid werkende’ (uit Ovidius' Metamorphoses IX, 199). Hiernaast 't Klinckdicht, dat in 't oorspronkelik staat op de voorzij van de gravure op de vierde bladzij.
De prent is hier gereproduceerd op ware grootte. De onbekende tekenaar heeft of wel gewerkt naar de opgave van de dichter, zoals Vondel die voorstelling zelf heeft uitgewerkt in 't Oranje May-lied (blz. 762), of Vondel heeft in dat gedicht de voorstelling van de tekenaar gevolgd. Onder de Oranjeboom met Frederik Hendrik's wapen 't gelukkige vorstelik gezin; in 't midden 't kind aan de borst van de voedster, rechts de vader met de hand op de kop van de Hollandse leeuw, links de moeder, die in de ene hand een oranjeappel, in de ander haar waaier houdt. De god van de Handel komt uit de boom gevlogen en wijst naar de opgaande zon; hij toont 'n spreukband met 'n halfvers uit de 5e Ecloga van Vergilius: Deus, Deus ille, Menalca ('t Is een god, ja een god, Menalca), als 't ware de tekst voor Vondel's zingende vergodingsrede op 't Prinsekind van zijn fantazie. Melckerbuur en Elsken van vs. 648-vlgg. brengen hun gaven en lied. Op de achtergrond Vijverberg en Paleis; op de voorgrond bij ander gevleugelt en ongevleugelt de Haagse ooievaar.
Onderschrift van de prent. In vs. 2 heeft de oude uitgave ten, wij hebben 't verbeterd in den; den hemel is onderwerp, dus: de hemel was te steil voor Typhon's stormloop (storremkat: oud belegeringswerktuig, 'n soort van overdekte beweegbare galerij, om de zacht aansluipende manier kat genoemd).
De 4 regels zijn als een godspraak: Hier onder deze Oranjeboom schuilt 't Kind, wiens roem zal stijgen tot de sterren, terwijl een godenbestormer als 't monster Typhon of Typhóeus, de honderdarmige reus, die hoogte niet haalde, maar door Zeus' bliksems werd neergeslingerd. Andere Typhon's (bergstapelaars en -stuwers) mogen zich wederom verheffen, paal en perk van hun hoogmoed is vastgelegd in de lotsbestemming van dit Kind.
| | | | | |
Aen de doorluchtichste Princesse Amelia, Door Gods ghenade, Princesse van Oranje.
Klinckdicht.aant.aant.
Den hemel had in u dat heyligh pand besloten, Vs. 1
Daer 's moeders gloor uyt blinckt, en 's vaders majesteyt. 2
Pand, 'twelck gesegent rijck in rijck borduursel leyd,
Op koesterenden schoot, met schoonheyd overgoten:
5
Pand, 't welck Oranje troost, en Hollands bondgenooten: 5
Pand, met veel' wenschen van veel' duysenden verbeyd:
Pand, daer myn' Kallioop yet seldsaems van voorseyd: 7
Geviert en aengebeên van Christe weerelds grooten. 8
Hier springt hoefysers bron: hier bruyst een' diepe zee: 9
10
Hier wey ick ruym: hier is de hoorn van Amalthe. 10
Mevrou, vergeefme doch dese openhartigheden;
Soo sal mijn' sangeres sich rekenen te sijn
Sielsaliger als oyt hofschencker van Jupijn; 13
Die Nectar schaft, daer goôn ter bruyloft sijn ghebeden. 14
| | | |

Hier schuylt hy, dien de Faem sal voeren aen de starren,
Wen Typhons storremkat den hemel valt te steyl.
Laet berreghstapelaers en stuwers blixems zarren:
In Willem 't noodlot heeft gemerreckt hooghmoeds peyl.
| |
| | | |
I.V. Vondelens Geboortklock Van Willem van Nassav, geboren Prince van Oranje.
Hofjonffer rijck van prael, die al van ouds vermetel, +Vs. 1
Op uwe graeven stofte, en graeffelijcken zetel; 2
Met kunst gevlochten Haegh, besproeyt van Vyverstroom, 3
Die kiesch, de wortels leckt van den Oranjeboom; 4
5
Oranjeboom, die ciert de Tempe van ons' landen; 5
Boom, naer wiens geur en sap 's volcx monden watertanden:
Prieelnymph altijd frisch; vergunme dat ick dael 7
Op eeuwigh groenen telgh; en lentsche nachtegael, 8
In't quicxste van den May, aenhef te quinckeleren, 9
10
Om uw Prins Willems wiegh en boortendagh te eeren,
Met lieflijck maetgesang; sang, boeyster van't gehoor;
Sang, die de ruwste siel lockt spelen buyten 't oor. 12
Ick weet wel, preutsche Maeghd, dat in dees' soete dagen +13
Vw' lindetacken puyck van schelle keeltjes dragen; 14
15
En dat uw Constantin, met sijne yvoire luyt, 15
En voet en vingerdans, de vorstelijcke bruyd 16
Het Maylied schenckt; wanneer sijn' goude Phoenixveder 17
| | | |
Heeft 's Vorsten last vernoeght, en 't harte speelsieck weder 18
Naer dicht en snaerspel joockt: daerghe uwen sin op set, 19
20
En 't slechtste liedje kaut voor 'tleckerste bancket: 20
Doch ick ken uwen aerd soo heusch, soo hoofs, soo edel, 21
Dat ghy komt luysteren naer een' geringer' vedel:
Ick weet ick heb verlof van uwen Vijverbergh; 23
En 't sal onnoodigh sijn dat ick't uw' swaenen vergh. 24
25
Maer ghy, ô negental! ô Myterberghgodinnen! +25
Die 'snachts niet min als daeghs gaet waeren door mijn' sinnen; 26
Om wie ick't leven lieve, en sonder welcke ick niet 27
De majesteyt der sonne aenschou als met verdriet, 28
En droef en eensaem wensch in duysternis te stronckelen:
30
Al sit sy hoogh in't goud, betulband met karbonckelen, 30
Bemantelt met een kleed van vlam en purpergloed;
Waer voor al 'toosten knielt, en wierroockreucken voed:
O dochters van Iupijn! indien ick uw' bevelen 33
Oyt yvrigh heb verricht; 'tsy dat ick speeltoonneelen
35
Opsteenen dede, en plengde een' biggeltraenenvloed,
Paleysen doofde in asch, en Princen smoorde in bloed;
Het sy mijn' cyter schepte in heldenlof haer' weelde;
'Tsy ick op dunner ried een hardervaersken queelde: 34-38
Vwe ooren herwaerts neygt; uw dichters stem verhoort;
40
Bevloeyt met gulden inckt dees' salige geboort; 40
Ontsluyt ghenadigh ons uw' bosschen en uw' bronnen;
Ontsluyt ons heylighdom, en hemelen vol sonnen; 42
Gheeft rijmen, die ghetoest, der wijsen dichtkund schatt' 43
Als pronck van diamant, met gouden klaeu gevat. 43-44
| | | |
45
D'alstovende Godes die, door haer' boesemprickel, +Vs. 45
Meer levens aenqueeckt, als Saturnus met sijn' sickel 46
Naijvrigh maeyt en velt; had zedert datse nam
De sorg ter harten van den hoogen heldenstam, 47-48
En het Nassausche bloed, op Iupiters begeeren,
50
De saeck soo verr' ghebrogt, dat Frederick sijn' speeren
Helm, pantser, en pistool voor haere voeten ley;
Verwonnen door de deugd, en schoonheyd, en 't gevley
Van eene Amelia, met wie hy, soo 't betaemde,
In kuysch en wettigh bed, met sin en siel, versaemde.
55
Elck riep: een held vergaept sich aen sijne eegemael;
Een' borst die noyt en klopte (al stondter punt van stael
En vyands degen op, en dreygde door te dringen)
Die laet sich van een kind den schicht in't harte wringen; 58
Een hart, daer hagelbuy van koegelen op stuyt, 59
60
Is nu Cupidoos roof, en Cypris rijcke buyt. 60
Dit speet den oorlooghsgod soo dat hy knarssetande, 61
En riep by trommelslagh den veldheer van den lande +
Al weer aen grensewaert, met ongerusten geest;
Versteurende Hymens vreughd, in 't midden sijner feest, 63-64
65
Doen 'svorsten bruyloftkoets verkeerde in legertente: 65
Gelijck een' guure buy, in't lachenste der lente,
Der bloemen spickeling dick' treft, en droef beswalckt. 67
Voor ditmael heeftme Mars, seyd Cypria, verschalckt,
En de gewenschte vrucht belet na lust te pluycken; 69
70
Doch 'k sal sijn' treken tot mijn voordeel bet gebruycken: 70
'Tbestand dat hyme brout, om elders krijgh te voen, 71
Is slechts te rugge treen, om grootren sprong te doen.
Soo sprackse, en ging terstond, in 'sbruydegoms afwesen, +
Meer brands verwecken, en haer' krachten t'samenlesen 74
| | | |
75
Op't hooge Idalien; en samelde te gaer Vs. 75
De Charites, daer toe een' vlugge schutterschaer; 76
En wijdese van nieus, om, als geswore pagien, 77
Te maecken haeren stoet by groote personagien: 78
En toegerust met al 't geen minneplicht vereyscht,
80
Sy met haer' eersleep is naer Hollands hof verreyst: +80
Daer Henrix bedgenoot eerbiedigh komt begroeten
De moeder van de min; en neygende aen haer' voeten,
Onthaeltse met soo veel aenbiddings alsse kon: 83
Gelijck als d'oosterling d'eerwaerde morgenson; 84
85
En staet verslegen, als dat goddelijck vermogen 85
Van Venus aengesicht bestraelt haer' sterflijcke oogen,
En werpt sijn schijnsel op dat voorhoofd sonder kreuck:
Terwijle d'heylge pruyck een' liefelijcken reuck 88
Door 'thoflijck welfsel spreyd; en wanden en pilaeren 89
90
Van veel verwonderings geslagen nau bedaeren. 90
Na datse nu allencx wat harts bekomen heeft, 91
Feesteertse de godin aenminnigh en beleeft 92
Met dese woorden: ô ghy oorsprong aller weelden,
En 't schoonste dat oyt goôn of menschen sich verbeelden;
95
Weest drijmael wellekom; wel komtge my te pas, 95
Die aen het mymeren al heel geslagen was, 96
Door 't derven van mijn lief, die legers gaet bespringen,
En my besprongen liet van veel' bekommeringen.
De schepgodin hier op: ô eer van uw gheslacht! +99
100
Op wie de saelge rey der hemelgoden lacht, 100
Schep moed, en duld dat Mars uw' Bruygom spelen voere, 101
En met hem onder 't heyr der vyanden rumoere;
Iupijn belooft u hem te leveren in't end
Na weynigh' weken uyt sijn' rusting ongheschent: 104
| | | |
105
Dan sal hy, krijgens sat, in d'oude liefde blaecken. Vs. 105
Wil ondertusschen met dees' kindren u vermaecken:
Mèt wees sy haeren stoet. AEmilia die loegh
Het teere breyn, met blonde en kruyfde pruyck beslagen; 109
110
De bruyne gitten, die door schalcke wincbraeu sagen;
De leden schoon van leest, van roering rap en gaeu; 111
Het spierwit vel, 'twelck scheen door 'tsuyver hemelsblaeu
Der kleedinge, waer op oranje sluyers hingen;
De parledruyping van des oorlels goude ringen; 114
115
De wiecken bont van pluym, van jufferoogen bly; 115
Pijlkokers op den rug, kruytflessen op hunn' sy;
Flitsbogen streng van pees, en silvere pistolen; 117
En worrepschichten, die na'et micken nimmer dolen.
Vrijpostigh treedse toe, en uyt genade jont 119
120
Dat 't een na'et ander vast, met eenen heuschen mond, 120
'tSneeu haerer handen kust; en word noch in het naderen +
Der lippen niet gewaer de brand, die sich in d'aderen
Door adems gift verspreed, en voed een' soete pijn; 123
Die haeren oorsprong neemt van't kinderlijck venijn:
125
Dies Cytherea groeyt, wanneerse 'tsaed siet saeyen, 125
Waer vanse wenschelijck de vruchten hoopt te maeyen. 126
De daeghlijcxe ommegang maeckt Cypris bende stout, 127
Na datse op sachten schoot nu dien, nu desen houd; 128
Of aen de roosen druckt, opluyckende op haer' wangen;
130
Of laetse om haeren neck gelijck gestrengelt hangen; 130
Of staert op't lodderoogh, dat haer gesicht belonckt, 131
En queeckt het vier, 'twelck door het kussen is ontvonckt;
Of laet een kraeltjen bloeds uyt blancke borsten pricken
Door 't minne schichtje; dies sy bleeck word van verschricken:
135
Sy doodverwt doodser 't rood dat op haer' kaecken bloost, 135
| | | |
Wen 't wicht een' kleene bus op naeckten boesem loost, 136
En met minqueeckend', maer geen' lichaem schaende vlamme,
Al heymelijck versengt melckwitte tweelingmamme. 138
Ach, steentse, ick flaeu. Aglay Sabeesche reucken brengt, 139
140
Terwijl haer Euphrosin met roosewater sprengt
In't aenschijn, 't welck uyt vrees sijn purper heeft verschoten:
Thalie ontrijgtse, als waer 't om 't hart te nau gesloten,
En weckt een' koelte, en aemt haer aensicht leven in.
Dit jocken my mishaeght, graeut Paphos koningin; 144
145
Dits quetselijcke vreugd: verziert ons andre spelen. 145
Bellone scheure uw heyr in twee gelijcke deelen: +146
't Een grijp het ander aen; doch niet als boertenswijs: 147
't Een heb de nederlaegh, en 't ander strijck den prijs:
Mèt hingse in 't midden op een' koker swaer van goude
150
En pijlen: yeder wenscht dat hy het veld behoude: 150
Elck vlamter op. Welaen mijn' kinders set u schrap; 151
Doet, seydse, oprechte proef van waere ridderschap. 152
Haer' sonen sijn terstond gehoorsaem haeren woerde.
Men recht standaerden op: men set sich in slaghoorde: 154
155
Men treckter af en aen: 't gedrommel vult de lucht. 155
De treurige Princes loost treurigh sucht op sucht,
Aenschouwende dit spel. Ach, spreecktse, kuyssche minne,
Indientme paste als eer een' Amazoonsche heldinne, 158
Ick sou met forssen moede, op een schuymbeckend ros, 159
160
Navolgen mijnen man door vlack, door veld, door bosch:
Ick sou met desen arm handhaven sijn' banieren; 161
En geven Holland stof tot vreughd en vreughdevieren. 162
Soo klaeghtse, en onder des soo valt de schemerschim; 163
| | | |
En Phoebus drenckt sijn vier beneden onse kim: 164
165
't Gedoofde starrelicht begint al meer te flonckeren.
De peynsende vorstin, door naerheyd van het donckeren 166
Is naer, en toght na rust. Het drytal haer geleyd. 167
D'een' treckt de keurssen uyt, en d'andre 't bed bespreyd 168
Met bloemen mild van geur: een' darde vlijd het kussen: 169
170
Maer 't vleyen van de pluym en kan geen' sorge sussen: 170
Geen' sachtigheyd den rou der minnaeres versacht; 171
Sy luyckt geen oogh ten slaep, al swijght de middernacht;
Al is de maen geraeckt ten halven haerer ronde. 173
Een wichtje, seydse, geef sich herwaert op dees' sponde: +174
175
Of't ons' gedachten moght verleyen door sijn' praet: 175
Ick keer my om end' om; ick hoor de dageraed.
Een jongsken, wiens vernuft d'opvoeding had vergouden, 177
't Welck brongodinnen verr' voor Hylas stelen souden; 178
(Soo rijck en soet van tael, dat op sijn' tong een' by
180
Van Hyble of van Hymet, den honighdau, die zy 180
Wt thym gesogen heeft, en rieckende violen,
Te storten wenscht; en daer een God om sou gaen dolen, 182
Indien het waer vermist) sich vlijt op 't spondegoud,
En met sijn' kout en praet de waeckende onderhoud; 184
185
Kout die meer brands verweckt, en geenssins dient tot lessen: 185
Hoe Fredrick t'elckemael van stroom en zeegodessen +
Belaeght werd en belonckt, wen sijn' vermaelde kiel 187
Door't schuymend meyrgroen bruysde: het zy sijn' dappre siel 188
Op vyands bodem dorst ons' ruyterbenden mennen 189
190
In veldslagh; 'tsy hy stad of vesting ging berennen:
| | | |
Of aen den Teems vernieut 'tverbond hem toebetrout,
By dien, die vierwerf't hoofd omdruckt met kroonengoud; 192
Daer hy sich gaet in drang soo veeler sielen mengelen,
En uytsteeckt als een god, geviert van juychende engelen: vs. 191-194
195
Hoe 't aemloos Bruynswijck door sijn' vroomheyd werd ontset: 195
Hoe hy met moeden hengst ging in de Mayn te wedt: 196
Of sijn' trompetten deed voor Brussels poorten spelen; 197
En d'oorlooghsfackel stack in 's hartogen prieelen, 198
In spijt van Spinola; die sagh als in een' droom
200
Den held, die'm namaels holp opbreken van den Zoom: 200
Zoom, die gekarmosijnt in't laeuwe bloed van d'Iber, 201
Door Bergens vesten bruyst, soo trots als oyt de Tiber; 202
Doen Roome sincken sagh den hooghmoed van Tarquijn; 203
Zoom, die van Nassaus roem sal eeuwigh tuyge sijn.
205
Maer doen de kouter elcx op 't breedste sou verklaeren, 205
Haere oogen allebey' van vaeck beschoten waeren:
Dus morde hy sachtelijck tot datse vaster sliep: 207
En met quam Morpheus daer; dien Cypris derwaert riep, 208
Om haer' gerustigheyd, met fluysteren in d'ooren, 209
210
Met minnebeelden, en met droomen noch te stooren.
Doen nu verdreven was 't saffraenlicht van Auroor; 211
| | | |
En dat de vyver van den hove, met den gloor vs. 212
Der son was overspreyd, die op het water beefde
Met straelend spiegelgoud, 't welck in't quicksilver leefde: 214
215
Doen schoot de bedgenoot van den Hollandschen held +
Beroert uyt haeren droom, omgrijpende als onsteld; 216
Gelijck ofse yemand wou met min en jonst omarmen; 217
En trock een' sucht (waer van sich Venus most erbarmen) 218
Wt 't binnenste haerer ziel: hier over met der haest 219
220
Cupidoos moeder haer quam vinden al verbaest: 220
Mijn' dochter, vraeghdese, wat is u overkomen?
Och antwoord de vorstin, 't sijn suyckersoete droomen
Van mijnen bruydegom. De vaeck nam d'overhand +
Na'et waecken, alsme docht dat uyt mijn' ledekant
225
Een boom wies hemelhoogh, gelaên met goude oranjen.
Onweder reesser op van Oostenrijck en Spanjen,
Met donder, hagel, wind, en blixemvier vermengt:
Noch bleven schors en vrucht en bladen onversengt. 228
De telgen saten vol van allerhande vogelen; 229
230
Die cierden 't spruytelgroen met geschaeckeerde vlogelen, 230
En sloegen englegalm met soet geswolle keel;
Als d'aengelockte deên op Orpheus heylge veêl: 232
't Gehoornde melleckbeest ging onbeschroomt te weyde; 233
En Holland in sijn' schaedwe een weeldigh leven leyde;
235
Gelijck het gulde volck in gulde weerelds eeu: 235
De Prins werd vriendlijck aengequispelt van den leeu;
De Vloecken weken hem, en bleecke Raserijen: 237
Men sagh de lucht geveegt van kromgeklaeude Harpyen: 238
Geen raedselbreyend Sphynx leyde op verslinden toe: 239
240
Chimeren waren voorts het vonckespouwen moe: 240
Geen' Gorgons piepten meer: geene Hydraes nijdigh bliesen: 241
| | | |
Geen' Scylla baste meer; de Pythons staeckten 'tbiesen: 242
Elck ingeseten liefde en vrede had tot sijn wit: 243
De kruydeleser vond geen doodlijck aconith: 242-244244
245
De boter geur en kleur kreegh als oranjevruchten:
Maer dit was aengenaem, geen' oorsaeck van versuchten. 246
Ick sluymerde daer na; weer dochtme dat ick was +
In onsen lusthof, daer ick keurigh bloemen las, 248
En frissche kranssen vlocht, en soete roosenhoeden: 249
250
Mèt quam mijn heer op slagh, doen wy het minst vermoeden:
Ick grijpende om end' om, dat ick hem kranssen moght, 251
Vond dat ick niets omhelsde als dunne en ydel' locht; 252
Dies schrickte ick en verschoot, als waer 't van doodse spoocken; 253
En daer mede is mijn slaep en sluymerval gebroken. 254
255
Doen rechtese sich op, en schoot de kleedren aen;
Haer hebben Charites, na plicht, gerack gedaen; 256
D'een' rijgt en d'andre snoert; eene andre vlijd de ployen; 257
Dees' streelt de pruyck; en die den spiegel houd in't toyen, 258
Of't silveren lampet, 't welck swaer in't houden word,
260
En 't suyver water op haer' suyvere handen stort;
Een' andre reyckt de dwael. Gekleed soo brengtse weder +261
Den dagh ten ende als voor, met peynsen op en neder.
Nu mijmertse in den tuyn; daer schildpad, Cherubijn, 263263-vlgg.
Dolfijn, en kopre slang braeckt levend kristalijn;
265
Nu, om op 't heetste van den dagh de son te mijen,
Wordse overschaeut in linde en ypegaelderijen; 266
Of ondertusschen, als 't lang draelen d'uuren reckt,
Sy in het kabinet 't begonnen werck voltreckt, +268
| | | |
En aen't borduuren valt; om tegens 's liefsten keeren,
270
Hem met haere eyge kunst, en handwerck te vereeren;
En bootst, terwijlse draên op sijde draden hecht,
Met sang de klaghten na der slotswaen van de Vecht. 271-272
Door 't schildren met de naelde is niemand Pallas nader 273
In aerdigheyd als dees'. D'oudgrootvaer en de vader +274
275
Haers Bruygoms krijgen hier onsterffelijcken lof. 275
Geboomte naer van schadwe omcingelt 'tNassausche Hof: +276
Het welck ontsigh aenbrengt in der aenschouwren oogen. 277
Geslepe jaspiszuijl stut marmorsteene bogen.
Op vloer van Porphyr treên handvlechtende in verbond 279
280
Twee maghtige, door eên geheylight met den mond: 280
D'een, die een' weereld voert, is keyser in Germanjen, 281
En d'ander Eduard, stafdrager van Britanjen.
Een goudelaeckense rijcxmantel hoogh van roem 283
Ciert elck gelijckelijck, doch ongelijck van bloem; 284
285
Eer, die de nasaet sal doen reknen overouderen. 285
'tOmhangsel, dat soo rijck afhangt van Adolfs schouderen, +286
Belaên is met Iupijn; die goddelijck beschrijd 287
Den Roomschen adelaer: van waer hy worpt en smijt
Drijpunten blixemstrael, gevat met gramme vingeren,
290
Op wederspannigh volck en spits, welck' beeft door 't slingeren
Van 'tswavelige vier, beneden in den boord;
Daer landschap, in't verschiet, verschrickt den donder hoort; 290-292
En blaeut en flaeut voor 'toogh, soo meesterlijck verdreven 293
| | | |
Met naelde, als oyt pinceel eens maelers wrocht na'et leven.
295
D'archengel Michaël, gaet met gevelde speer, +295
In 's konings mantel fel den fellen draeck te keer:
Die met gekeerden neck vergif braeckt voor sijn' voeten; 297
Gewieckt, gekamt, geschubt, en kaeckelbont van sproeten, 298
Som blaeu, som groen, som geel, langs glibberigen huyd. 299
300
De voncken vliegen 't dier ten brandende oogen wt:
En 'shemels veldheer, die vol moeds dar rusting wraecken, 301
Bralt met een' wapenrock van gloeyende schaerlaecken. 302
Gevlerckte cherubin op 's ridders boesem lacht. 303
Infijn en hagelwit veldteecken ciert dees' draght, 304
305
'tSchijnt dartle windekens in 't paradijsweb dwarlen, 305
Van Engelen gesoomt met suyverlijcke parlen, 306
Besprengt met sprencklen bloeds, geparst met doornekroon
Wt 's heylands hoofdslaep. Gods kampvechter dus ten toon, 307-308
Aen sijn' ten ruggebeen frisch wtgewosse pennen, 309
310
Met heylgen dau besproeyt, is lichtelijck te kennen.
Maer in het naeste perck verneemtmen het geraes +311-vlgg.
Eens legers, besich om te trecken over Maes,
By uchtendschemering. Men sieter ruyters hebben
Den voortoght: andre weer beletten 't weldigh ebben 314
315
Des strooms; terwijle vast het voetvolck d'andre sy 315
Voorttreckende gewint. Men siet Prins Willem bly
Sijne hoplien groeten, die den waterkant opstygen;
Vol hoops om Alba nu in 't vlacke veld te krijgen. 318
Nu prangde AEmilia de broosen van den Vorst 319
320
Met spooren fijn van goud; en uyt benaude borst
Sy reys aen reys versuchte, en kende by de maenschijn
| | | |
Den soon, door ommetreck verbeeld van 's vaders aenschijn; 321-322
En kuste haer naeldwerck dick' (de liefde is doch niet vrij 323
Van sulcke teederheyd en soete afgoderij)
325
En sporegespster noopte haer' vlugge min met sporen: 325
Gelijck Pygmalion, eer noch sijn' witte yvoore 326
Gelijckenis oyt geest gevoelde of aderslagh; 327
Eer hy in 't doode beeld yet levens blieken sagh, 328
Of voorhoofdkreucken, mondvertrecken, ooghverdraeyen:
330
Soo pooght ons' minnaeres haer kranck gemoed te paeyen,
En vast een' soete wonde in quynende adren voed; 331
Vermids 't pijldragend volck stoockt stadigh gloed op gloed 332
Tot dat haers heeren komst ten lesten werd geboren, 333
In 't rijpste van den oegst, tot Venus oegst beschoren. 334
335
Dat nu een' meeremin of sanggoddinne dar +335
Vermelden, met wat vreughd dees' Solmsche morgenstar,
Die eenen tijd lang van haer' son en siel afdwaelde,
Hem wellekom ontfing, en vierighlijck onthaelde,
En schepte glans en gloor en leven uyt sijn licht.
340
Van blijschap seeghse, doense 't vrolijck aengesicht
Bekende in open helm, en dat paer gluurende oogen. 341
Cupidons schoten toe, of quamen aengevlogen; +342
Dees hem ontgord 't van oostersteentjens blinckend swaerd; 343
Die 't hellemet aflicht al ziddrende; en vervaert 344
345
Voor 't bleeck Medusaes hoofd, aengrijnende uyt 't vergulsel; 345
Voor 't morssigh slangenhayr, wel eer blondverwigh hulsel; 346
Voor 't stael met vederbos beswaeyt, geblutst van lood. 347
Een ander die ontgespt het harnasch; daer de dood
| | | |
Tot meermael proef af nam, met koegelen en klingen: 348-349
350
't Welck veele, al swoegende, aen den wand te pronck ophingen; vs. 350
Verwondert om de kunst gedreven in metael:
Daer Mulciber in wrocht sijn' deughd en oorloogsprael. +352
Hier vind hy sich betrapt van d'Arragonsche laegen. 353
Wat raed, o jonge Prins! ick schrick, noch dart ghij 't waegen;
355
Noch word ghy handgemeen, verselt met Briauté, 355
En franschen adeldom, en past op steeck nocht sne;
Daer 't yser barst en knarst, en schampt van helm en ringkraegh,
Na'et braecken der pistool: en houd in die bespringvlaegh 358
Der vyanden het roer: en loefwaert wel te ty,
360
Dringt dapper in op hen, die leggen in de ly. 359-360
Hier sagense hem, bestuwt van welgebore graeven, +361
Op sijnen moor De Groot doorwaden Nieupoorts haeven: 362
Ascanius gelijck, doen heet op roof en moord, 363
Hy met Troiaenschen stoet opsteegh den Tiberboord.
365
Het ebbend schuym beroert, nau 't spieglen wil gedoogen 365
Van rusting; daer de son in schittert uyt den hoogen.
Het moedigh dier met mond en oogen vreeslijck driescht, 367
En 't knabbelt sijn gebit, en 't schijnt hun dat het briescht. 368
Gins draeght de klepper moed op sijn' gedragen meester, +369
370
Daer stof en roock en smoock de lucht beweeft. het vreester
En zidderter, wat hier omheynd is of ontrent. 371
d'Oranje pluym en kam die maecken hem bekend. 372
Sijn vyands heyr begint het harte te beswijcken.
Wie sagh een lichaem oyt getart van soo veel' pijcken? 374
375
Wie sagh oyt jongeling die min voor grijse suft? 375
Maer in de lucht om hoogh, daer schilderde 't vernuft +
| | | |
De glori, groots en prat; welcke in haere hand ten toone 377
Voor beyde legers voert een' overwinners kroone,
Aenprickelster ten strijd; en maeckt de ridders stout
380
Wt haeren wagen, die stal in de wolcken houd 380
Met seven aernen; welcke in parrele gareelen 381
Verstrecken tot gespan, wanneerse vaert uyt spelen. 382
De faem recht voor haer sweeft, en blaest nu fijn, nu grof, 383
Door silvere basuyn, wiens klanck is enckel lof.
385
Leef lang, ô Nassausch bloed! ick sie den slagh gewonnen,
Den Admirant gevaên, en Albrecht scharp ontronnen. 386
Gins druckt een hopman op de lenden van den vorst +
Sijn' swangre karrabijn; de prins op 'shopmans borst; 388
Die by 't veldteecken reede Oranjen houd gegrepen.
390
Bacx vind sich tot ontset van om end' om benepen. 390
De god des Roervliets doods, geeft op een' naeren schreeu, 391
Eer hy ontworstelen siet Hollands fieren leeu;
Die ginder, soo sijn volck Bourgoensche vaenen sloopen, 393
Is nyver besigh met Trivultius te stroopen. 394
395
Hier was, ô Milanees! uw' kracht een' ydle wijck. 395
Vw graefschap, rood beschreyt, wacht uw gebalssemt lijck.
Gins, eer noch Titons bruyd aenbreeckt met purpre wangen, +397
Werd Henrick Berghsche graef prins Hendericx gevangen;
Doen Erckelens te spa de deughd en kracht vernam 399
400
Van Fredericx petard. men sieter roock en vlam 400
Ten daecken uytslaen, al 't Limborghsche land sich reppen:
Men hoordter dorp en stad alarm en brandklock kleppen.
Soo onsacht weckt de wraeck de boosheyd, alsse slaept.
Terwijle sich de jeughd aen stuck voor stuck vergaept +404
405
Nieusgierigh, 't lieve paer versadighde 't verlangen.
Sy blijft om sijnen hals, hy aen den haeren hangen,
Tot dat hen d'avondstond ter tafel nood en set;
| | | |
Daer onderlinge kout was 't leckerste bancket. vs. 408
Van weersijds wecktense door 't liefelijck beloncken
410
Een' goddelijcke walmte, en kuysche minnevoncken. 410
Dischtoortsen blaecktender geciert met myrteblaên.
Dus hief de minnerey op pijp en snaeren aen: 412
O ghy die sorge draeght voor keyserlijcke rancken! +
Wie met eerbiedigheyd Nassausche telgen dancken;
415
Alstovende godin, van wesen overschoon,
Die 't bruyloftbedde spreyt van menschen en van goôn;
Wie hemel aerde en zee ontsichelijck staegh vieren, 417
En wind en weder dient; wie allerhande dieren
Toejuychen met geschrey, en tuygen datgher sijt; 419
420
Wen lentische landou uw' godheyd bloemen wijd; 420
Wanneer 't bedaude kruyd komt plotslijck uytgedrongen.
En bronaêr openbarst met levendige sprongen. 422
Begeerlijck alle siel, 't sy waerwaert datghe gaet,
Vw spoor volght, en bekoort uw' gangen gade slaet. 423-424
425
Beest, vogel, visch, versien met borstels, veeren, vinnen, 425
Op bergh, op blad, in beeck, al woende leeren minnen; 426
Getroffen in de borst van uwen prickelstrael:
Wiens krachten elck vermelt, en groot maeckt op sijn' tael. 428
Soo temtghe wallevisch, en groothartige leeuwen,
430
En rijgt onendelijck der dingen beurtige eeuwen, 430
En schaeckelt d'eeuwigheên, vermids ghy, saet en sout
Der weereld, alles teelt, en alles onderhoud.
Niets magh'er sonder u het sterflijck oogh behagen. 433
Geslaghten vallen neer met zidderen en tsaegen,
435
Met schoot vol offers, en met harten vol demoeds,
Voor 't hoogh autaer van u, ô oorsaeck alles goeds!
Die Mavors, onder 's heyrs aenhitsende trompetten,
Salpeterblixemen en donders, neer kunt setten; 437-438
Set nu een weynigh neer het woeden van den krijgh,
| | | |
440
En geef dat desen nacht kartou en trommel swijgh. vs. 440
Ghy hebt den wapengod, met overgroot verlangen, +
Gegoten in uw' schoot, aenminnigh dick' ontfangen; 442
Wanneer, omvloeyt van u, hem d'oude vlam beving,
En hy al staerende, in uw aenschijn weyen ging,
445
En gierigh sijn gesicht versaden in uwe oogen; 445
Daer tweelingschutterkens uyt quetsten met hunn' boogen:
Of stuuren sijn gedacht in het verborgen deel. 447
Vw' wangen bloosden dan als roosen op haer' steel;
De lely bloeyde hier witst; de schoonheyd schoot haer' straelen
450
Op 't krachtighste; en hy sagh'er perlen en koraelen,
En tintelend gestarnt, en glans die schoonder brand
In vrouwenoogen als in flonckerdiamant.
De tonge d'ooren vleyde. Hy voelde 't slaen der aderen,
Die blaeu in wit albast sich spreyen en vergaderen: 454
455
Hy roocker amberlucht, en lepte nectardranck:
En door de soetigheên, van soo veel wellusts, kranck,
Omermt in 't weeldigh bad, besweeck sijn geest na'et woelen:
En nuttighde endelijck 't soet prickelend gevoelen 458
Van d'oppersaligheyd, welcke uwe mildheyd kan
460
Medeelen, en geen lid was van uw' godheyd wan. 460
Anchises ging niet min in zee van wellust waden, +461
O dochter van de zee! wanneer met myrtebladen 462
Hy overschaduwt, uwe omhelsingen genoot;
En won den Troischen held, beleyder van de vloot: 464
465
En doenghe kussens sat, u rechtende van d'aerde, 465
Op 't kruydigh bedde van uw' leckre bruyloft staerde, 466
Ghy dese woorden spelde uyt nieuwe bloemen: hier 467
Sijn weeldigh twee tot een gesmolten door het vier.
Geef, geef, godinne, dees' gelieven uwen segen,
470
Dat elck sijn' weerga niet onlieflijcker bejegen, 470
| | | |
Tot bouwing van dit hoogh en overoud geslaght;
Waer uyt Batavien den nieuwen held verwacht. 472
Soo song de blijde rey, en loegh, wen onder 't singen
Verborge vlam bestond door been en merch te dringen: 474
475
Gelijck het moederlicht, met heymelijcken brand, 475
Na wintervorst doorkruypt en murruwt teere plant. 476
Daer stond een oude kop, en blonck van goud en steenen; +477
Daer Keyser Adolf, doen sijn balssemt hayr beschenen 478
Werd van 't heylheyligh cier, den keyserlijcken hoed, 479
480
Den eersten dranck uyt dronck; doen der keurvorsten stoet
Aenrechte sijnen disch, en weereldlijck en geestelijck
Met armelijnen praelde, en rood schaerlaecken feestelijck; 482
Een wonderbaere pracht: vrou Cypris desen had 483
Gewijd ten slaepdranck, en vermengt met 't selfde nat
485
Daer 't breyn van Iupiter wel eer me' was beschoncken,
Doen hy Alcmenaes min soo diep had ingedroncken; 486
En aen haer winnen ging dat overgodlijck saed, 487
Gesielt met strijdbre deughd, en dwingelandenhaet: 488
Dien heeft de schoone bruyd, tot wellekomst en eere, 489
490
Haer' bruygom toegebrogt, en lang verwachten heere; 490
En met der lippen boord den soom van 't goud genaeckt;
En reyckte het Frederick; die van haer' jonst geraeckt, 492
Dien toefdranck van liefs hand nam niet onaengenaemer. 493
De met tapijt rondom bespannen princekamer,
495
Daer marmorschorsteen blinckt, de balcken sijn vergult, 495
Had Venus onder des tot boven toe vervult +496
Met waere godheyd: want 's lands veldheer uyt d'oorlogen 497
Weer hofwaert keerende, had sy daetlijck uytgetogen 498
| | | |
De sichtbaere gedaente, en over 't bedde een' lucht
500
Gehangen, mild genoegh om een' gewenschte vrucht 500
En doorluchtige ranck, tot glori van Nassouwe,
Te wecken uyt den schoot der hooghgemelde vrouwe. 502
Het lieve paer, nu lang verovert door veel gloeds, +
Treed met verlangen naer de seer gewenschte koets.
505
De kinderlijcke schaer 't geleyde geeft met toortsen, 505
En voed met vlam en roock den brand der minnekoortsen.
Sacht swaenendons, bespreed met geborduurde sprey,
Onthaelt en wellekomt de vorsten allebey.
'k Sou hier, ô Venus! in uwe heylighdommen treden, +509
510
Had ghy met vlercken niet van dicke duysterheden
Vw' legers overschaeut; en d'ongemete vreughd
Met nachten afgeschut voor d'oogen van de jeughd:
Had eerbaerheyd dit niet behangen met gordijnen.
Mèt dat de dagh begon ter venster in te schijnen, 514
515
Hy stokebrandjes vond van minnepijlen bluts, 515
De polverflesschen leegh, na'et losen van veel schuts; 516
En Cypris uytgedient borst door de tralie henen; +517
En sommige, op haer' streeck navolgende, verdwenen 518
Naer Paphos; daerse een' kerck en honderd auters heeft,
520
Die stadigh warm sijn; daer 't vol wieroockluchjes sweeft;
Daer versche krans 't gesicht verheught met blijde kleuren,
En 't hart verquickt word door toeaessemende geuren.
Maer onse AEmilia bleef van die salige uur +
Beswangert van een' vrucht; daer dagelijcx natuur
525
Merckteeckenen van gaf; tot datmen, na het rollen
Der maenden, soetelijck den boesem sagh geswollen:
Gelijck een' koorenayr van westewind geleckt,
Of frissche rooseknop, daer son een' siel in weckt.
De hemel droegh haer gunst; als schepte hy sijn behagen 529
530
Te segenen de vrucht, in 't vrolijck kinderdragen.
Het winterweder was gedwee en handelbaer,
En Boreas getemt: en Zephyr vroeger 't jaer +532
| | | |
Met laeuwen adem weer quam troetelen en smeecken; vs. 533
En 't nieuwe koesterlicht de telgen uyt deed breecken.
535
Al 't aerdrijck swelt tot kruyd. men siet door veld en bosch
Wtpuylen 't nieuwe groen, en knoppen, bot, en blos. 536
De bloemgodin ging prat op haer' kleynoodjen treden. 537
Violen loken op bestipt met lieflijckheden. 538
De roosen trocken aen een' roodigheyd als bloed,
540
De tulpen blinckend goud, jenoffels eenen gloed 540
Van purper onder 't sneeu: wech purper, 'twelck de borsten
Der koningen bedeckt, en weereldlijcke vorsten;
Vw' stacytabberds sijn met greynverwe opgesoôn; 543
Mijn' bloemen sijn gedoopt in 't sap en bloed der goôn.
545
O Ajax, Hyacinth, Adonisen, Narcissen! 545
'K wil troon en kercktapijt om uwen luyster missen; 546
Apelles rijck pinceel om dese schildery; 547
Mosaische tempelpracht en kunst is doof hier by. 548
Besiet eens dat yvoir, die vlammende robijnen,
550
Dat goud, en dien turkois. helaes! ick sla aen 't quijnen, +550
Ick worder op verlieft. ô wat veldjonffer sal 551
My kroonen in een heel aenminnigh bloemendal; 552
Daer 't voorjaer eeuwigh jong van rimpels weet nocht kreucken,
En tot sielstercking steeds uytlevert maght van reucken;
555
Daer ick in laurenschaeu vlietwater ruysschen hoor;
En wey met vry gesicht de mengsels door en door; 556
Daer Iunoos paeuweprael, of Partsche konings gordel, 557
By bloemverscheydenheyd, hebb' luttel kans en vordel, 558
Wen 't op een praelen gaet. komt, Nymphen, breyd een' stool 559
| | | |
560
Van bloemen hem, die 't licht eerst sagh in een' viool; 560
En zedert, kiesche bie, versmaende alle andre tuynen, 561
Op Pindus heuvelen en spickelige kruynen 562
Soogh godenleckerny. och of na mijne dood
Napaeae violet, wit, purper, blaeu, en rood, 564
565
Levender, incarnaet, en paers, en geel schaeckierden, 565
En weefden tot een' pel; en 's dichters uytvaert vierden 566
Met Floraes dierste draght. maer seghme, lieve lent, 567
En soete koele May; noyt was mijn oogh gewent
Soo veele schats en pracht te sien geopent t'evens; 569
570
Hoe sijtghe soo vol siels, vol juychings, en vol levens?
Sy antwoord: wondert u wat bloeylust my ontvonckt? +571
Aenschouse die daer met haer swanger lichaem pronckt:
(Mèt weesse de Princes in 't midden der princessen)
Ick heb om haerent wil gaen all' mijn' maght oppressen 574
575
Van geur, van kleur, van lof, op Erycijns gebod; 575
Die reede haer moeder spelt van eenen jongen god: 576
Sy selve voelt hem oock bywijlen spartelbeenen;
En wenscht het kortelijck, vol groeys, te hooren stenen, 578
En is vol salige hope: en moedigh op dat pand, 579
580
Merckt somtijds, met het plat van rechte en slinckehand, 580
Den zetel daer hy rust. kroondraeghster van Britanje! 581
Daer, seydse, leyd de Prins en glori van Oranje.
Aldus genaeckte d'uur, waerinne vrou Lucyn, +583
Die voor het kraembed waeckt, door prickelende pijn
585
En weedom, teecken gaf der korts aenstaende baering:
Waer over daetelijck, tot lichting van beswaering,
Vergaderde 't verwante en hooghgeboren saed.
| | | |
De drijmael negenste en beschore dageraed
590
Doen Phoebus en het kind sich spoeyden ter geboorte:
(Geboort, die my verruckt. Parnas en Helicon 591
Strijckt meyen voor mijne Haegsche en vyverberghsche son) 592
En soo hy 't glinstrigh hoofd, met druppeldau bepeerelt, +593
Ten zeegroen uytsteeckt, siet hy 't licht der Christe weereld, 594
595
Van keyserlijck van hoogh heylheyligh bloed geteelt:
Op wiens glad voorhoofd glans van princelijckheyd speelt.
De moeder, de verloste heeft lang de smart vergeten +
Nu sy haer' soon aenschout; en daut, van vreughd bekreten,
De vochte perlen uyt ten biggeltranend oogh;
600
En heft haer hart, vol lofs, tot haeren god om hoogh:
Wat sal ik best den heer voor sijn' weldaden geven, +601
Die my na tegenspoed, heeft op den troon geheven?
Die my tot Princebruyd en Princemoeder maeckt;
En ter gewenschte tijd mijn' vrucht haer' banden slaeckt? 604
605
Wat eyscht ghy? rijcke God! is 't ongelsmeer van rammen?
Is 't bockenbloed, of veers, of wieroockreuck of vlammen? 605-606
Vw' dienstmaeghd is bereyd: maer leyder! sy is schuw; 607
Sy kent haer' onmaght heer. al 't vee, al 't vee is uw,
't Welck langs d'omwenteling der berregen gaet dwaelen; 609
610
Of klavergroen erkaeut in diep gesoncke daelen. 610
Al 't ongediert is uw dat in sijne holen huylt. 611
Vw is 't gevogelt, dat sich buytenbaens verschuylt; 612
Of eyeren uytbroed, en nestelt in de telgen. 613
Wijde ick u hier van yets, ghy moght u billijck belgen. 614
| | | |
615
Ick sal my evenwel verstouten, en voor elck
In 't openbaer uw' lof, met zidderenden kelck, 616
Verkonden overluyd; en uwen roem herhaelen,
En mijn' beloften heer met danckbaerheyd betaelen.
Na dat Elisabeth, met hartoginnenring
620
En drang omschittert, in haer' purpren schoot ontfing 619-620
't Met goud beswachtelt pand; en datse vol vermaecken, 621
Te saemen lonckten op sijn' glinsterende kaecken:
Gelijck de Najades op 't lieve wicht Adoon: 623
(Doen 't lagh op AEgles knie, soo suyverlijcke schoon; 624
625
Dat Cypris namaels, van haer' duyven voortgetrocken,
Den hemel liet, om hem tot minnen aen te locken) 626
Soo hiefse, Keurvorstin en koninglijcke bruyd, +
Haer' stem en handen op; en sprack den segen uyt,
In aller vrouwen naem: luyck op, ô vorst der vorsten!
630
Suygh enckle saligheyd en heyl uyt saelge borsten:
Luyck op, ô Hollandsch hart! geteelt van Hollandsch bloed:
Bewaer uw grootvaers naem, verstand, en oorlooghsmoed, 632
En d'edelmoedigheyd uws vaders: jonge Welhem!
Helm uwes vaderlands, aenstaende vrijheyds hellem: 634
635
Elck even toegedaene, elck even lieve son: 635
Elck even milde springfonteyn, en nectarbron:
Oranjeboomspruyt, schiet uw' tacken naer de wolcken,
Vw' wortels afgrondwaert: den vrijgevochten volcken
Ion soete koele schaeu, den hemel bosch en loof: 638-639
640
Was' tot een pronck, vermast met sege en wapenroof: 640
Ruck ruck, oranje leeu, met segenrijcke tanden,
Den grooten standaerd weer uyt 's vyands ysere handen;
Dat het tot vre gedije, en hy verwonnen blijf,
En elck beschaduwt sy met telgen van olijf. 644
645
Sy stemden altemael, met handgeklap en wenschen. 645
De faem in 's Graevenhaegh drong door tot alle menschen, +
| | | |
En sloegh de ruyme lucht met brommend klockgeluyd;
En lockte Melckerbuur, en schrander Elsken uyt: +vs. 648
Die quaemen in het hof de moeder saligh roemen,
650
En offerden het kind goudgeele boterbloemen,
En room, en schaepewey, en uchtendversche melck,
En noch een' pijpkan; daer tot wondering van elck, 652
Een' waterlandsche deerne in scheen, met luyd geschater, +
Te lachen, soose sagh een' swarten kop te water 654
655
Wtsteken, tusschen twee uytstekende armen, als
Van uyt een' melleckschuyt, hy over hoofd en hals
Gesneuvelt was in 't diep, heel ongereed tot weerstand. 655-657657
De boerman, met een' haeck, die dreygt hem van den meerkant; 658
Wiens blaeuwe toppers hoed waeyt over 't groene veld. 659
660
De Spanjaerd singt genade, en looft vast maght van geld. 660
Oranje loofwerck hangt met appelen geladen,
En ciert den hals om hoogh, met krunckelende bladen. 662
Na dat het boersche paer, eerst schaemsaem om de pracht,
't Nieuboren kind, 't welck hun uyt joffers schoot toelacht,
665
Met gaven heeft vereert; neemt Melleker een' hallem, 665
En seyd: dat is u voor: waer op met soeten gallem 666
Sijn' vrijster rustigh volght, en op dees' wijse stemt: 667
Al 't onweer is versacht, de buyen sijn getemt. +
Ons dorp sijn' adem haelt: de landlie sich verblijen.
670
Prins Willem brengt ons weer te voorschijn d'oude tijen. 670
't Is bruyloft in de wey; 't is boter tot den boôm. 671
De koe is klaverkiesch: de hemel druppelt room. 672
Ons' fuycken sijn vol visch, dat mercktmen aan 't gespartel.
De leeuwerck quinckeleert: ons' kalvers springen dartel.
675
't Is vrede in onse buurt: geen mensch benijd een' aêr.
Men brandmerct niemand meer voor schelm, voor landverraêr. 676
Geen' schouten en beslaen de rijmers meer in boeten. 677
| | | |
Dese edele Princes kan allen druck versoeten.
Het wichtje lacht, en sy word nimmer lachens moe.
680
Soo kleene soete knaep, soo Willem, ga vry toe, 680
Versacht met lach op lach de sorgen uwer moeder;
Terwijl uw vader leyd te velde, als 's lands behoeder.
Ick sie den tijd te moet, dat Willem sal te peerd
Op Spanjaerds rennen aen, met lans, pistool, en sweerd;
685
En hen noch dier doen staen den moordschoot van sijn' grootvaêr: 685
Of waecken op de grens, beducht of ergens nood waer:
Of boven Lillo slaen sijn' schipbrug over 't Scheld, 687
En gaen sijn burghgraefschap verovren met geweld. 688
Soo kleene knaep, versacht de sorgen uwer moeder;
690
Terwijl uw vader leyd te velde, als 's lands behoeder.
Of wint hy 't Handwerpsch slot door list en buytekans, 691
Dan salmen sien in vier den Haeghschen toorentrans: 692
Dan vloeyt oranjebier uyt Rotterdamsche tonnen: 693
Dan roeptmen luyder keels: Prins Willem heeft gewonnen!
695
Dan schatert en dan lacht de pachter in sijn' vuyst; 695
Die somtijdts al te vreck ons' drooge keeltjes kruyst. 696
Soo kleene knaep, versacht de sorgen uwer moeder;
Terwijl uw vader leyd te velde, als 's lands behoeder.
Op 't vrolijck boerelied, uyt boesem sonder ergh, +699
700
Krioelt van pluymgediert de groene vijverbergh.
De lusthofs marmorbron van vreughd schreyt soete traenen,
En 't bosch vol harten juyght. het spuy dat bromt vol swaenen. 702
De duyn van knijnen woelt. de klepper briescht op stal. 703
Het speelsieck Hollandsch hof vol tiers is, vol geschal. 704
705
De dingtael viert sijn' tong, de schrijvers hand haer' veder. 705
De tabbaerd houd gemack, en 't volleck speelt moy weder. 706
| | | |
Niet min en toonde sich de Vyvernymph terstond +vs. 707
Genegen, en quam opgeborrelt uyt den grond; 708
Daer 't hofwed wortels laeft van jofferlijcke linden; 709
710
Met sleep die sich gereed tot haeren dienst laet vinden, 710
Van beyderleye sex, te weten: Pruyckjenat,
Spuytverre, en Lobberigh, gehult met leliblad, 712
Loerooghje, Roodelip, Muurweeckster, Baerekemster, 713
Sandsifster, Duyvekuyf, Treckbeckje, en Oeverswemster; 714
715
Met ongegorden kleede, en boven navel naeckt: 715
Duyckin, en Stommeldier, die Danslichts tepels laeckt: 716
Alle afgerecht ten reye, op spel, op rijm, op vaersjes;
Altsamen blanck van vel, gehoost met paersse laersjes 718
Ten kuyt toe, om de scheen: wier lieve vrijers sijn
720
Keyraeper, Grondelief, Belblaeser, Traligrijn, 720
Met hoên van kroost gevormt; Kuylgraever, Angeltaecker, 721
En Fuyckelichter, korts getoenaemt Visscheschaecker; 722
Rietplucker, Zegenself, en Raeckwat nimmer stil: 723
Voorts Krijtluyd, Liesekop, Kijckuyt, en Waterkil: 724
725
Altsaemen groen van baerd, en 't onderlijf bevlochten
Met mosch en kruyd, daer rijp nocht winters op vermoghten. 726
+Sy selve, silvren nat uytgietende, uyt een' kruyck
Van glinstrigh berghkristal; haer' parlesnoerde pruyck 728
Beurde in de bladen, daer 't gevogelt tjilpt en snatert: 729
730
Van d'eene schouder hangt een mantel van gewatert
Blancketblaeu kamelot, der Nereïden gift: 730-731
En swenckende 't gelaet eens over heen de drift 732
Der dienstbre godheên, die met parlemoere lijven,
| | | |
Alreede dartelheyd op glaesen stroom bedrijven;
735
't Is, seydse (al lachend, en niet luttel in haer schick)
Nu tijd, dat elck ten dans sijn' wederga uytpick,
En Willems wiegh vereer met feestelijcke spelen.
Vier Tritons op dat woord, die elck van toon verschelen, 738
Kinckhorens luyen doen, en blaesen schor geluyd. 739
740
Blaeuooghde juffers flucx gepaert, sijn vrijers buyt;
En na een' heuschen kus elck huppelt, wuft van trede: 741
Sy danssen, en hun beeld danst in de baeren mede.
De Tegenvoetse en wy malkandren soo betreên, 743
Met hoofden naer om hoogh, met soolen naar beneên. 744
745
't Gulhartigh danssers hart door geyle wulpscheyd steygert,
Wen 't kristalijn ontdeckt, 't geen kleeding d'oogen weygert.
Nu springtmen hand aen hand; nu los, nu rechts, nu slincx,
Nu voor, nu achterwaert: elck treed wat sonderlings. 748
Sy weten na'et geklanck de lichaemen te mengelen, 749
750
t'Ontwarren, warren weer, t'ontknoopen en te strengelen:
Ten lesten afgemat, soo duyckense allegaer
Gelijcklijck grondewaert; tot met bedruppelt hayr, 752
Elck op een' dollefijn geseten, opkijckt ylings. 753
De Nymphen sitten dwars, de gollefridders schrylings.
755
Nu stekense den ring; nu rennen sy om strijd; 755
Nu is het vechten ernst; nu is 't aftreckens tijd. 756
De vijver ruyscht van schuym: de stomme kudden hygen. 757
Geen bloed word hier gestort, schoon ofse vinnigh krijgen.
De faem, die Holland nu had opgeweckt in 't rond, +
760
Trompetster, gieren ging, en maeckte het Brussel kond: 759-760
En laetende achter sich de stroomen en de bosschen,
Sy Vranckrijck juychen deed. men hoorde Oranje lossen 762
Tot sevenmaelen toe al't grof en kleen geschut.
| | | |
Berghgoden keken uyt, vol twijffels en bedut. vs. 764
765
Het gansche vorstendom doock in oranjespruyten. 765
De feest werd ingewijd met trommelen en fluyten.
Al't volleck riep: die dagh moet eeuwigh heyligh sijn,
Die Willem eerst bescheen. geen' wolck dien sonneschijn
Bedroef. geen damp betreck den glans van sijn' geboorte; 769
770
En't hof sijn' borgerije onthael met ope poorte.
De hovling wijnen pleng. de juffer suycker stroy
En geld; en't feestgewaed vloey neerwaert, rijck van ploy:
En wat Oranje lieft dan aen den maeghdenrey koom, 773
En, leef Prins Willem leef! singe om oranjemeyboom. 774
775
Daer rijst een groot gevaert en hemelhooge kerck, +775
De weereld door geroemt het achtste wonderwerck,
In't vleck Escurial; gelegen weynige uuren
Van't konincklijck Madrid. de pracht en prael der muuren
Wtheemsche wandelaers als voor het voorhoofd slaet; 779
780
't Sy 't oogh in't meesterstuck van binnen weyen gaet,
Of buyten: d'een verheft de stoffe na'et bedaeren; 781
En d'ander looft de kunst en geest der kunstenaeren.
Wat schatten 't oosten geeft van parlen en gesteent;
Wat rijckdom jaer op jaer de westerkust verleent;
785
Wat silver en rood goud, ten mijnen uytgegraeven,
Philips sijn gouddorst swelght, met spilling veeler slaeven, 786
Dat dijde hier voedsel toe; tot heughnis van den slagh, 787
Waer in de lelivorst sijn' adel sneven sagh: 788
Sint Laurens, om't geloof geroost op heeten rooster,
790
Hier sijne autaeren heeft, en rijck gesegent klooster;
De Koning sijn paleys; 't welck een ding slechts ontbeert, 789-791
Dat namelijck de poort geen' sorge buyten keert:
Dese hiel den avondvorst (soo met saffraende wiecken 793
Het morgenrood verrees, en't licht begon te kriecken) +
| | | |
795
Onledigh, en verselt met sijnen myterdrigh, vs. 795
D'eertsbisschop van Toleed, des priesterdoms ontsich, 796
In't eensaem kabinet. hier drijven op hunne assen
Twee silvre klooten, die soo groot een' heerscher passen: 798
Vijf mannen souden niet, al hieldense hand aen hand,
800
Omvaemen yeder rond. d'een is met diamant +
Besaeyd en overciert. Twee groote lichten swieren, 801
En trecken hunnen kreys door schoon bestarnde dieren. 802
Dees' starre is flonckerlicht, die droef en luysterflaeu. 803
In't noorden grimt de beer. in't suyden pruylt de paeu. 804
805
Orion met sijn swaerd doet d'oppergoden tsaegen; 805
En Hyades bedruckt voorseggen regenvlaegen. 806
De midlijn wordter van den Zodiack gesneên. 807
Maer op den andren kloot, de groote en kleyne zeen +
Met golven bruysen, die de drift der wolcken trotsen; 809
810
En 't schijnt als of'er wier gekaetst word aen de rotsen. 810
Te seldsaem is't om sien, hoe d'Oceaen omvangt 811
Den ganschen aerdboôm, die hier alsins boômloos hangt. 812
De zee haer' seylen draeght, het aerdrijck volck en steden,
Gesplist door heerschappije, en tempelsinlijckheden. 814
815
Philips ernsthaftigh hing en overgaepte al stil 815
Den aerdkloot, recht als een die't al opslocken wil.
d'Eertsbisschop aen sijn' sijde, in overleg niet trager, 817
Sijn' rug had toegekeert den heldren starredrager. 818
Het breyn met goud vermast, nu maelde en overdocht, +819
820
Door welcken treck het best de vleugels korten moght 820
Van sinte Marck sijn leeu; die altijd even wacker 821
Op Hollands wachter ooght, en moedight sijnen macker.
Nu was hem in den wegh, in't Zwitsersche geberght, 823
| | | |
Het vrijgevochten volck, dat Habsborghs heyren terght. 824
825
Nu sagh hy Parthenoop, ontbloot van Castiljanen, 825
Ligurien ten dienst, en't Hartoghdom Milanen. 826
Dan schoot hem in den sin, gedoodverwt in sijn' ziel, 827
Dat onversiens de Turck in sijn' galeyen viel;
En had yet wightighs voor op eenigh Christen eyland.
830
De Toletaen bestorf, bekommert om 's rijcx heyland; 830
En ried hem, dat hy flucx sou stijven, waer hy kon, +831
Met logens of met geld den chan van Babylon: 832
Of doen Ianitser 't hart, van vrees getroffen, popelen, 833
Wen hy den Sophiaen siet voor Constantinopelen 834
835
Self over Bosphorus zijn' legerbrugge slaen; 835
Den Persischen kameel met rijcken roof gelaên;
En't heyr van Machomet op Machomet ontsteken 837
Aentrecken, onder schijn van Osmans moord te wreken. 838
Flucx siet de Koning weer naer Limaes stranden om: +839
840
Hier dondert Hollandsch schut; daer dunckt hem slaet de trom;
Hier rooct een' lange streeck; daer blickt hem vlam in d'oogen:
Mèt komt de faem op slagh al snorrende aengevlogen, +842
Die ongewijd, sich op gewijden kercktrans set; 843
En dese tijding wringt door boghtige trompet:
845
Prins Welhem, eer te Delf door moordenaers pistolen
Geschoten, liet de wraeck de vierschaer gods bevolen; 846
Die weer een' Willem weckt uyt Henrick zijnen soon:
Swight Spaensche Koningstaf; swight Duytsche Keyserkroon.
Dat was een donderslagh in des monarchen ooren.
| | | |
850
Hy draeyt zijn' lichten vast; en barst in't lest met tooren
Op dese woorden uyt: hoe wrockt dit heyloos bloed, vs. 850-851
Dat dus veel marrens brout, en op ons' kusten woed. 852
Best gun ick Holland vrede, en soeck den vorst te paeyen; 853
Eer d'oorlooghstormen hier op't land bestaen te waeyen; 854
855
Reael met Willougby, van Hollander en Brit 855
Met vlooten afgestiert, in onse rijcken sit,
En brande, en blaecke, en roof, en plonder, en verover.
Wacht na geen' beternis; sy maecken 't langs hoe grover. 858
Is d'oude graeflijckheyd mijn' hope en toeverlaet, 859
860
Soo leef ick hopeloos. wy sien hoe dat hun staet
Van bondgenooten steeds gestut word en gesteven. 861
Door't vorstenqueecken sal Oranjen eeuwigh leven;
Handhaevende Hollands saeck, en staet, en landbestier;
En groeyen onder Mars, gelijck in vlam en vier 864
865
De Salamander leeft. ick ben tot pays genegen.
De myter neegh hem toe, en gaf den vorst zijn' segen. 866
Maer soo Prins Frederick, vermoeyt van hartejaght, +867
Diep in den avondstond, lagh van den slaep verkracht, 868
Op ouden Rijnkant, nau bewaeckt van rieckende honden; 869
870
En dat zijn pagie had 's paerds teugel vast gebonden 870
Aen bladerigen wilg, die over't water hing;
Waer in sich bevend lof en maenlicht spieglen ging: 872
Genaeckte hem een' godin, die sedigh voor hem buckte. +873
Eene ope starrekroon het blinckende hoofdhayr druckte: 874
875
't Welck nedervloeyende, als een vierige komeet,
Den rug ten hielen toe met krunckelgolven kleed;
En tusschen't schitteren en schemeren der wiecken,
Spreyd geuren, die een lijck opwecken, door 't welriecken; 878
Geur van ambrosivocht, slechts heyligheên gemeen. 879
| | | |
880
Hoogh hemelsblaeuwe keurs deckt voeghelijcke leên, 880
Bestickt met Hyacinth, welck gansch doorluchtigh barrent; 881
En voorts met diamant tot beelden rijck bestarrent: 882
Op wien een gordel sluyt, die cestus overtreft, 883
Waer sich robijnevlam uyt gouden grond verheft,
885
Met levendigen glans; robijn onvergeleken
In waerde, en opgesocht met moeyte langs de beken
Des hemelschen Olymps; riem die zelf god Iupijn, 887
Tot loon van wellust, schonck haer' moeder Mnemosijn. 888
De slincke een' passer voerde, haer rechte een' gulde roede. 889
890
O alderbraefste Prins van Keyserlijcken bloede! 890
(Soo sprack sy, en hiel stal) ick ben Vrania, 891
Die't eeuwigh blinckend hof vol starren gade sla. +
Ick wichel niet alleen 't beloop van 's vorsten leven 893
Door starrekund; maer oock door inspraecx geest gedreven, 894
895
Ontvou 't geen doncker noch den mensch verborgen is; 895
En draegh de sleutelreecx van gods geheymenis:
Dies tsaegh niet. 'k heb gemerct hoe d'opperlampen wemelen, +897
En de gesteltenis en kreyssen aller hemelen, 898
Mèt dat uw' gemaelin verloste van haer' vrucht; 899
900
Een' Maysche son, die 't hoofd beurde in de Maysche lucht; 900
Doen Titan met sijn' torts den droeven nacht beschaemde, 901
En voor sich rijsen sagh de plaets, daer hy versaemde 902
Soo onlangs met Diaen: hem volleghde Erycijn, 903
Mercuur daer op; om heer van dees' geboort te sijn: 904
905
Latonaes dochter trad den roedrigh op sijne hielen: 905
'tGeluck steeds aengebeên van sterffelijcke zielen, 906
| | | |
In het horoscopus dese hemelstacy sloot; vs. 907
Waer over Iupiter sijn' soete straelen schoot
Wt Cypris elpentroon. ick koom van d'hooghste plecken,
910
O vader, seyd sy, u het lot uws soons ontdecken:
De vorst haer hoofd omringt van duysendtongde vlam:
Het aensicht sy verschiep in verwen heel verscheyen;
En't hoofd geschud begon sich 't hangend hayr te spreyen, 914
915
Gelijck een bruysend meyr: en hygende sy dol, 915
Sibylle in't woen geleeck; behalven dat in't hol 916
Dese een' Troiaen berichte, en die in open velde 917
Aen onsen Batavier Prins Willems noodlot spelde.
Nu met beseten mond besweet aen't woên gebragt, 919
920
Sy grooter scheen, en van gods mogentheyd verkracht. 920
Bedaert ten lesten, schudse haer' krop uyt met dees' woorden: 921
'k Sie Willem daer in 't spits der Hollandsche slaghoorden +922
Aengrijpen 't westersch heyr van Phlippes. 'k hoor hem ree 923
Verwinner getrompet te lande en oock ter zee.
925
'k Sie Willem keeren van Castiljens nederlaegen, 925
En sitten gelauriert in god Augustus wagen: 926
En laetende achter sich den Taegh, die schuymt van bloed,
Sleept groote Donnen na, in ketens afgewoed. 928
De Nieuwe weereld juycht, en swarte en geele Mooren, 929
930
Dat Willem endelijck verlosser is beschoren; 930
Tot wraeck der schimmen, die de goudsucht heeft verdelght: 931
Dat Willem dien, die heeft den aerdboôm ingeswelght, 932
Wt overladen maegh doet scepterstaven braecken.
| | | |
Ick hoor der dichtren rey, in allerhande spraecken,
935
Basuynen zijn verstand, zijn' gaeven, zijne daên, vs. 935
Sijne huwelijcken en verbonden, aengegaen
Met Keysers, Koningen, zijn' broeders en zijn' maegen;
Gewent hoofdheyligh cier en purperverw te dragen.
Sijn bloed, de Keurvorst roemt hem aen den Neckerstroom, 939
940
En Rijnsche muscadel huwt aen Oranjeboom. 940
Hem roemt Britanjens pronck, in't midden van haer' soonen, 941
Gewijd met hayrband, wrong, en rijck geslote kroonen; 942
En al't Nassausch geslaght, 't welck heerelijck en prat,
Meer gloors heeft onder hem, als't onder Adolf had. 944
945
Hem vieren soo veel' steên met neyging haerer toornen; 945
En Indus buyght voor hem zijne altijd vochtige hoornen; 946
De Muldau desgelijcx, de Donau, en de Rijn.
Mevrou AEmilia, die nau den wederschijn,
Van haer' vergoden soon, in sterflijck oogh kan doogen; 948-949
950
Sit tweede Olympias met sinnen opgetogen, 950
Van d'aengedronge schaer gesmeeckt en aengebeên; 951
En moeder maeckt uyt jonst haer' voorspraeck elck gemeen. 952
Wt had sy, en verdween. Wie komt mijn' geest verwarren +
(Soo volghde haer 's vorsten stem) die noyt aen wichelstarren
955
Sich ydelijck vergaepte, in voorspoed of in druck;
Maer van den waeren god mijn heyl hoop en geluck,
Gelijck 't een Christen voeght. mèt was zijn' rust ten ende:
En opgeseten 't ros veel peynsende hofwaert wende. 958
Terwijl was Graevenhaegh in strijd geraeckt met Delf: +
960
Elck socht den meesten roem te schaecken voor sich self; 960
d'Een quam de pallemtack; die was der glori nader:
d'Een moedigh op den soon, en d'ander op den vader:
d'Een stofte op't vorstenhof, en die op't Princegraf.
Elck was de saelge schoot, die Princen 't leven gaf.
965
Na datmen vinnigh had van wedersijds gekeven,
Werd endelijck 't geding aen 's veldheers mond verbleven, 966
| | | |
Die uytspraeck dede aldus: mijn' landslie, hoort na my, +
Oprechte Delvenaers, en Haeghsche borgery:
Mijn naem is Vrederick; dies schep ick geen behaegen
970
In borgerlijcken twist, maer Christelijck verdraegen.
Indien mijn' dood u bey kon strecken tot geluck,
Ick sneed mijn hart in twee, en deelde u elck een stuck.
Wilt mijnent halven dan malkanderen omarmen,
Als broeders vry van nijd. ick sal u bey bescharmen.
975
Ick sal uw vader zijn in oorloogh en in vre:
En erf ick segen gods, ghy erft mijn segen me.
Soo sprack hy, en elck een sich geerne liet geseggen.
De zee werd stil en kalm, en ging haer' baeren leggen.
Ick endighde mijn lied: 'tgedy tot Welhelms prijs, +
980
En u tot eeuwige eer, ô Hollands paradijs! 980
Lucksaelge vorstenwiegh! 't sy u te dank gesongen, 981
Wiens naem klinckt overwyd op soo veel' duysend tongen.
Roemt Delos op Apol, stoft Creten op Iupijn, 983
Ghy Graevenhage, sult op Willem moedigh sijn: 984
985
Ghy sult uw voesterling met eedle borsten koesteren:
Hy, goedertieren god sijn' voester weer sal voesteren;
Soo sal sijn' moeder oock vorst Fredericx gemael; 987
Die't harte van dien held kan kneden met haer' tael,
Steenrotsen murwen, doen bedaeren ruysschende elsen;
990
En wie 't gebeurt twee goôn te kussen en t'omhelsen, 990
Met geurigh rood korael, en wit gesielt albast;
Gelijck 't een' vorstenbruyd en princemoeder past.
Nec puer Iliaca quisquam de gente Latinos
In tantum spe tollet avos, nec Romula quondam
Ullo se tantum tellus jactabit alumno.
EYNDE.
|
TEKSTKRITIEK: vs. 1 Den hemel, de oude uitgave heeft De hemel.
Vs. 1heyligh, te verstaan in de mythologiese vergodingstijl van 't hele stuk.
2gloor: glans, schoonheid.
5Hollands bondgenooten: Nederlands zeven Verenigde Provincieën.
7Kallioop: Kallíope, de voortreffelikste der Muzen, de Muze in 't biezonder van de ernstige, epiese poëzie.
8van Christe weerelds grooten: door de groten van de Kristen wereld.
9hoefysers bron: de Hippokréne of Hengstebron, een teug van wiens water dichterlike geestverrukking wekte (Appollo's gevleugeld ros Pégasus had met 'n slag van z'n hoefijzer de bron doen ontspringen op de Zangberg, de Parnassos).
10de hoorn van Amalthe: de hoorn van overvloed; de hoorn van de geit Amaltheia, met wier melk de jonge Jupiter (Zeus) gevoed was; die hoorn werd door Zeus onder de sterren geplaatst ( Cornu Amaltheae of copiae).
13Zielsgelukkiger dan ooit Jupiter's schenker, Ganymédes, was.
14schaft: opdient; ghebeden: genodigd.
+[Randschrift:] Aenspraeck des dichters aen 'sGravenbaegh.
Vs. 1Hofjonffer: (joffer, juffer, jonkvrouw) personificatie van de Hofstad; vermetel: trots.
3van Vyverstroom: door de Hofvijver die langs 't prinselik paleis vloeide.
5Tempe: lustdal in Thessalië (zie blz. 762, aant. op vs. 16).
7Prieelnymph: nimf van deze lusthof (Den Haag).
8telgh: tak; en lentsche nachtegaal: en als 'n nachtegaal in de lente.
9't quicxste: 't vrolikst.
12lockt spelen: verlokt tot spelen, zich verlustigen (vgl. vs. 101: voeren spelen.)
+[Randschrift:] Onschuld over sijne vrijpostigheyd.
13preutsche: fiere (Den Haag); in 't Randschrift: Onschuld: verontschuldiging.
14Vw' lindetacken: n.l. de lindebomen in 't Voorhout (door Huygens bezongen).
15Constantin: Constantijn Huygens, 's Prinsen geheimschrijver en min of meer Hofpoëet.
16voet en vingerdans: 'tzelfde als ‘dicht en snaerspel’ van vs. 19 (de ‘voeten’ van de versmaat zijn oorspronkelik 't rietme van de dans); vorstelijcke bruyd: prinses Amalia ( bruyd: jonggehuwde vrouw).
17Phoenixveder: onsterfelike pen.
TEKSTKRITIEK: de oude uitgave heeft achter vs. 28 'n puntkomma.
18vernoeght: voldaan, volbracht (z'n ambtsplicht als geheimschrijver).
19joockt: jeukt; daerghe: waar ge.
20slechtste: eenvoudigste, simpelste.
23Vijverbergh: (de aanzienlike bewoners van) de dreef langs de Hofvijver.
24uw' swaenen vergh: uw zwanen (in de Hofvijver) vraag.
+[Randschrift:] Aenroepinge der sanghgodinnen.
25Myterbergh: de Parnassos met zijn twee uitstekende toppen (als van 'n mijter).
30Al sit sy: n.l. de zon.
33O dochters van Iupijn (Jupiter): andere benaming voor de aangeroepen Muzen. (Het gezegde is: Vwe ooren herwaerts neygt, vs. 39); uw' bevelen: nml. om te dichten.
34-38Omschrijven de met ijver geleverde dichtproeven; 'tsy dat ick.... biggeltraenenvloed: hetzij dat ik de tonelen (onder 't vertonen van mijn spelen) luid deed zuchten ( opsteenen), en daarbij een vloed van tranen stromen deed. Bij vs. 36 denke men aan de treurspelen Hiervsalem en Palamedes, bij de ode aangeduid in vs. 37, aan de Begroetenis van Frederick Hendrick, bij de lichte landelike poëzie van vs. 38 aan Vecht- en Wyck-zang; ried: rietfluitje; ried had oorspronkelik 'n d.
40met gulden inckt: met gulden (heerlike) verzen (door mij geschreven).
43ghetoest voor getoetst ( tst wordt st).
43-44Gheeft.... diamant: Schenkt mij verzen, die, bij toetsing, door de dichtkennis der wijzen, de kennis der dichtkundigen, gewaardeerd mogen worden als pracht van diamant; klaeu: omsluiting.
+[Randschrift:] Aenvang genomen van 't huvvelijc tusschen Frederick en Amelia.
Vs. 45D'alstovende Godes: de godin der liefde, Aphrodíte of Venus; haer' boesemprickel: haar opwekking tot liefde; in 't Randschrift: Aenvang genomen: aanvangneming; letterl. 'n aanvang (is) genomen met.
46als Saturnus met sijn' sickel: dan de Tijd met zijn doodzeis.
47-48nam de sorg ter harte van: ernst maakte met te zorgen voor.
58een kind: 't minnewicht Cupído; schicht: minnepijl.
59koegelen bijvorm van kogelen (zie blz. 439 vs. 155).
60roof: buit, overwonnene; Cypris evenals Cypria in vs. 68, de Cypriese, bijnaam voor Aphrodite naar 't eiland Kupros (Cyprus), waar haar dienst in hoge ere was.
61den oorlooghsgod: Mars.
+[Randschrift:] Prins Frederick ghetrout trect te velde.
63-64Wederom ( weer aen) naar de grenzen, met gespannen ( ontrusten) geest, de vreugde van de Huweliksgod ( Hymen) in 't midden van zijn feest verstorend ( feest een de-woord).
65Doen...: Toen veranderde.
67De bont geschakeerde bloemen vaak treft en deerlik ontluistert.
69na lust te pluycken: naar hartelust te plukken ( pluycken ouwere vorm bij plukken).
70treken: slimme streken; tot mijn voordeel bet gebruycken: des te beter tot mijn voordeel aanwenden.
71Het uitstel dat Mars me berokkent, door elders oorlog te verwekken.
+[Randschrift:] En Venus na Idalien.
74Meer brands: sterker minnegloed.
TEKSTKRITIEK: vs. 95 drijmael, de oude uitgave heeft driemael.
Vs. 75Idalien: Idalië, voorgebergte van Cyprus (zie aant. op vs. 60).
76De Charites: de Gratiën of Bevalligheden; daer toe: bovendien; vlugge: gevleugelde; schutterschaer: een schaar van pijl en boog hanterende Cupidootjes.
77wijdese van nieus: wijdde ze opnieuw, bevestigde ze opnieuw.
78Te maecken: te vormen, uit te maken.
+[Randschrift:] Sy keert weder naer den Haegh, vergeselschapt met de Charites en een schaere van Cupidons.
De Princes onthaelt Venus, en ontdect hare bekommernis.
80eersleep: eregevolg; verreyst: afgereisd, vertrokken.
83Onthaeltse: ontvangt ze.
84Vergelijk vs. 32; eerwaerde: die ere waardig is.
85verslegen: (verslagen) verstomd van bewondering; goddelijck vermogen: goddelike majesteit.
88d'heylge pruyck: het hemelse hoofdhaar.
89'thoflijck welfsel: de hofgewelven.
90nau bedaeren: nauweliks tot zich zelve komen.
92Feesteertse: feesteren (Frans fêter) feestelik verwelkomen; beleeft: minzaam (zie blz. 71 vs. 41).
95te pas: op 't gewenste ogenblik.
+[Randschrift:] De godin vertroostse.
99De schepgodin: de levenwekkende godin.
100Op wie.... lacht: wie toelacht.
101spelen voere: voere naar 't oorlogspel.
104uyt sijn' rusting: ongewapend; ongheschent: ongedeerd.
Vs. 105krijgens sat: 't oorlogvoeren moe.
+[Randschrift:] Beschrijvinge vande Cupidons.
108'tlodderlijcke volck: 't lieflike, aanminnige volkje.
108-vlgg.De beschrijving en 't optreden van de Cupidootjes vrij gevolgd naar Magnificence de Salomon van Gvillaume Salvste du Bartas, zie bladzij 264, vs. 615-vlgg.
109breyn: schedel; kruyfde pruyck: gekruifde, gekroesde haren.
114De als druppels aan de goude oorringen hangende parels.
115De veelkleurige, vrolik met jufferogen beschilderde vleugels.
117streng: strak gespannen.
119Vrijpostigh: zonder terughouding; uyt genade jont: en vindt goed uit vriendelikheid.
120vast: voortdurend, telkens.
+[Randschrift:] Die de Princes noch vieriger doen blaecken.
123Door adems gift verspreed: door 't zoete venijn der kussende kinderen verspreidt (verg. kinderlijck venijn in het volgende vers).
125Dies Cytherea groeyt, wanneerse: daarin groeit Cytheréa, nu ze....; Cytherea: andere bijnaam van de liefdegodin naar het eiland Cythéra, waar zij 'n tempel had.
126wenschelijck: naar wens.
127stout: stoutmoedig, ondeugend.
128Na datse: omdat ze (Amalia).
131lodderoogh: vriendelik stralend oog.
135Hoe langer hoe bleker doodstint laat zij haar anders blozende wangen overdekken.
TEKSTKRITIEK: vs. 145 verziert, de oude uitgave heeft versiert.
136Als 't Cupidootje een klein pistool lost op haar naakte boezem ( bus: buks).
139ick flaeu: ik word flauw, ik bezwijm; Aglay, Euphrosin (vs. 140) en Thalië (vs. 142): de drie Charites of Gratiën van vs. 76; Sabeesche: van Saba in Gelukkig Arabië.
144Dit jocken my mishaeght: dit spelletje bevalt me niet; graeut: snauwt; Paphos: stad op Cyprus.
145quetselijcke: zeerdoende; verziert: verzint.
+[Randschrift:] Onder decxsel van verschooningh speelt Cypris hare personagie.
146Bellone: de godin van de oorlog. Het Randschrift betekent: quasi om 't goed te maken, speelt Cypris haar rol ( personagie), die hierin bestaat, dat zij 't nog erger maakt met dat oorlogspelletje.
147niet als boertenswijs: niet als voor de grap.
150het veld behoude: overwinnaar wordt (letterlik meester blijft van 't slagveld).
151er op: nml. op de prijs, genoemd in vs. 149.
152Doet.... oprechte proef: levert 't overtuigend bewijs.
154slaghoorde: slagorde ( oorde ouwere bijvorm naast orde).
155't gedrommel: 't krijgsgewoel, krijsrumoer ( gedrommel: gedrang).
158paste: vrijstond; eer: weleer; Amazoonsche heldinne: de Amazonen, 'n krijgshaftig volk van vrouwen (zie blz. 94, aant. op r. 245) die te paard streden; uitspr. Amazoons'eldinne.
159met forssen moede: ouwe 3e naamval.
161handhaven: verdedigen.
162stof: aanleiding, reden.
163onder des soo: onderwijl nu (zo vroeger aan 't begin van 'n zin, die niet met 't onderwerp begon); schemerschim: schemerschaduw, schemerdonker.
164drenckt sijn vier: (dompelt zijn vuur); de zonnegod daalt in de oceaan.
167toght: trekt, verlangt; Het drytal: de Charites of Bevalligheden (zie vs. 76).
168de keurssen: de (vrouwelike) kledingstukken.
169vlijd: schikt, legt goed.
170't vleyen van de pluym: de streling van het beddedons ( vleyen woordspel met vlyen van 't vorige vers).
171rou: smart (oorspr. betekenis).
+[Randschrift:] Amelia wakende wil dat een Cupido haer in slaep koute.
Beschrijving van deses kouters bevalligheyd.
174Laat een wichtje [Cupidootje], zegt ze, hier op mijn sponde komen ( geef: begeve).
175Of't ons' gedachten moght verleyen: (naar de Latijnse konstruktie met si = of, indien) misschien kan 't onze gedachten afleiden.
177d'opvoeding had vergouden (vergolden): eer gedaan had aan zijn opvoeding.
178verr' voor: ver boven, veel liever dan; Hylas: Hérakles' lieveling, met wie de waternimfen in haar bron waren verdwenen, toen hij voor de Argonauten (zie blz. 432, aant. op vs. 25) water kwam scheppen.
180Hyble of van Hymet: Hybla, berg op Sicilië, en Hymettos, berg in Attika, beide beroemd om hun honing; honighdau: fijnste honing (als 'n dauw uit de hemel gevallen op de planten).
182en daer een God: en waar een god (als Hérakles in het geval van Hylas).
184onderhoud: bezighoudt.
+[Randschrift:] Sijne vertelling van Prins Henricx verscheyde toghten, ten dienst van 't vaderland.
187vermaelde: beschilderde.
188meyrgroen: zeegroen, het groene zeewater.
189Dit slaat op de slag bij Nieuwpoort (zie blz. 514, aant. op vs. 120).
192Jacobus I was koning van Engeland, Schotland, Ierland en maakte aanspraak op de tietel van koning van Frankrijk.
vs. 191-194‘Noch vóór den veldtocht van 1603 zonden de Staten-Generaal hem [graaf Henry] als hoofd van een statig gezelschap naar koning Jacobus I van Engeland om dezen met zijn troonsbeklimming geluk te wenschen en tevens zijn bekende vredelievende gezindheid tegenover Spanje te peilen. De met de eigenlijke diplomatieke taak belaste leden van die zending waren natuurlijk de ervaren Oldenbarnevelt en de Zeeuwsche tresorier Jacob Valcke, terwijl graaf Henry en de aanzienlijke Hollandsche edelman Walraven van Brederode veeleer tot verhooging van glans medegingen, vergezeld door een “groot hofgezin” van edelen en pages. Op Staatsche oorlogsschepen overgebracht, kwam men 14 Mei te Londen aan en werd er ingehaald onder grooten toeloop der bevolking, die zelfs wat al te belangstellend werd voor den zoon van den beroemden Willem.’ (P.J. Blok: Frederik Hendrik blz. 27).
195In 1615 trok Frederik Hendrik met 12 kornetten ruiterij, 3000 man voetvolk en enig geschut Duitsland binnen om 't door de hertog belegerde Brunswijk te ontzetten. De hertog brak 't beleg op bij 't bericht van Frederik Hendrik's nadering; aemloos: ademloos, uitgeput.
196In 1620 ter verdediging van de Nederpalts tegen Spinola. De Prins stak de 4de Oktober de Main over bij Hanau.
197Bij de strooptocht in Brabant van Mei 1622 (zie blz. 515, aant. op vs. 155).
198Zie blz. 516, aant. op vs. 159; prieelen: buitenverblijven.
200Maurits en Frederik Hendrik deden Spinola in 1622 't beleg van Bergen-op-Zoom opbreken; holp: ouwere vorm van hielp, hier ironies voor dwong.
201Zoom, die roodgeverfd door 't Spaanse bloed; Iber: Ebro.
203Tarquijn: Tarquinius Superbus, met wie 't Romeinse koningschap onderging.
205de kouter: het snappende minnegodje van vs. 177; elcx: alles stuk voor stuk.
207morde: gonsde, prevelde met gonzend geluid.
208Morpheus: god van de slaap.
209gerustigheyd: sluimerrust.
211Doen: toen; 't saffraenlicht: goudgeel licht, naar 't Latijnse Aurora crocea; Auroor: Auróra, de Dageraad.
vs. 212En dat: en toen ( dat in plaats van een herhaald doen).
214in't quicksilver: in 't vloeiend zilver van 't vijverwater.
+[Randschrift:] De Princes droomt tweederleye droomen.
216Beroert: ontrust; omgrijpende: rondtastende; onsteld: als dikwels voor ontsteld.
217min en jonst: minnegunst, verliefde tederheid.
218trock: haalde diep; waer van: waarover.
219hier over: hierom; met der haest: ouwe 3e n.v.
220vinden: zien, bezoeken; al verbaest: gans ontsteld.
+[Randschrift:] 1. Dat een Oranjeboom uyt haere ledekant wies.
230spruytelgroen: pas ontsproten groen, jonge groen; geschaeckeerde vlogelen: kleurige vleugels.
232Gelijk de aangelokte vogels deden op 't geluid van Orpheus' goddelike vedel.
233Verg. Oranje May-lied, vs. 44 (blz. 762).
237Vloecken: Vloekgodinnen, Furiën of Rasernijen; weken hem: bleven hem uit de weg.
238geveegt: schoon geveegd, bevrijd; Harpyen: bij Vergilius monsterachtige roofvogels.
239Sphynx: de Sphinx, 't lokkende monster bij Thebe, dat ieder voorbijganger 'n raadsel opgaf, en hem verslond als hij 't niet kon oplossen.
240Chimeren: vlammespuwende gedrochten.
241Gorgons: Gorgonen, vrouwelike monsters met op 't hoofd slangen, die sissend hun koppen omhoog steken (Stheno, Euryale en Medusa); Hydraes: Hydra was de vreselike slang met tal van koppen waarvan de middelste onsterfelik was.
242Scylla: schrikwekkend huilend monster met twaalf wanstaltige voeten en zes halzen van een ongelooflike lengte, op ieder waarvan zij 'n afgrijselike kop had met drie rijen puntige tanden. Haar voeten waren vastgeklemd aan de rots in de zeeengte tussen Sicilië en Italië. In haar nabijheid woonde 'n twede monster: Charybdis (zie blz. 443, aant. op vs. 237); Pythons: Python, een monsterdraak; biesen: krachtig sissen.
243tot sijn wit: tot zijn doelwit.
242-244Naar Vergilius' 4e Ecloga, vs. 24,25.
244aconith: dodelike giftplant.
246Maer dit....: maar deze droom was aangenaam.
+[Randschrift:] 2. Dat de Prins haer in den lusthof verscheen.
248keurigh: zorgvuldig kiezend.
249roosenhoeden: kransen van rozen.
251dat ick.... moght: of ik.... kon (opdat ik hem zou kunnen kransen).
253verschoot: nml. van kleur ( verschieten nog in 't Vlaams en Brabants gebruikelik voor verschrikken); doodse: dodelik, doodse schrik verwekkend.
254sluymerval: slaperigheid ('t in sluimer vallen).
256gerack: handreiking, gedienstigheid.
258streelt: strijkt glad; houd in't toyen: houd vast bij 't toiletmaken.
+[Randschrift:] Hoese den tijd doorbrengt met gepeynsen en wandeling.
263daer...: waar verschillende fonteinen spuiten.
263-vlgg.Deze tuin zal wel de prinsessetuin zijn achter 't tegenwoordig koninklik paleis op 't Noordeinde; daar verbleef Frederik Hendrik voór zijn stadhouderschap. Bij 't Binnenhof was geen ruimte voor die fonteinen en wandeldreven.
266linde en ypegaelderijen: overdekte wandeldreven van linden en iepen; yp uitspr. ijp, bijvorm van iep.
+[Randschrift:] En met borduuren.
268voltreckt: voortgaat met afmaken.
271-272En bootst.... met sang de klaghten na....: en zingt de minneklagende liederen door P.C. Hooft (de slotswaen) op't Muiderslot gedicht.
273Door: in; is: komt; Pallas: godin o.a. der schone en nuttige kunsten, vooral van de borduurkunst.
+[Randschrift:] Namelijc van twee saecken.
274aerdigheyd: bevallig vernuftig werk; dees': zij; D'oudgrootvaer: de voorvader, de Duitse keizer Adolf van Nassau.
275hier: in Amalia's kunsthandwerk.
+[Randschrift:] 1. Het verbond eertijds opgerecht tusschen keyser Adolf en Eduard koning van Engeland.
276naer van schadwe: somber van schaduw (in schadwe is de u, als toonloos, uitgevallen om het metrum; lees: schaadwom.
279Op een porfiere vloer treden, handen in elkaar geslagen, in verbond ( Porphyr: voor de maat uit te spreken Pórphyr).
280door eên geheylight met den mond: door uitgesproken eden in geweten gebonden (bedoeld is 't Verbond van de keizer met Engeland tegen Frankrijk in 1294).
281De ene [keizer Adolf van Nassau] die 'n aardbol [op de hand] draagt....
283hoogh van roem: glorievol.
284ongelijck van bloem: verschillend in het bloemmotief.
285'n Eergeving, die de nazaat in ere zal doen houden ( reknen uitspr. reeknen) zulke voorouders.
+[Randschrift:] Wat in 's keysers mantel geborduurt is:
286'tOmhangsel: de staatsiemantel.
287Belaên is met Iupijn; die....: draagt de voorstelling van Jupiter, die in goddelike grootheid zetelt op de Romeinse adelaar (Romeinse: omdat de adelaar de Romeinse standaard was).
290-292Op wederspannigh volck en spits...: op de drom van 't weerspannig volk, dat beeft door 't slingeren van 't ( swavelige) bliksemvuur, beneden in de mantelboord, waar in 't verschiet 'n landschap te zien is, dat verschrikt de donder hoort; volck en spits: de spits, de drom van 't volk.
293En: en dat in 't luchtblauw zich verliest; verdreven van verdrijven, bij Vondel synoniem met doezelen: 't in elkaar doen vervloeien der tinten.
+[Randschrift:] wat in koning Eduards.
295archengel: aartsengel (naast archangel: 't Lat. archangelus).
297met gekeerden neck....: terwijl de (duivelse) draak wijkt voor Michaël, braakt hij met omgewende kop.
298gekamt: met kammen; sproeten: vlekken.
301dar rusting wraecken: 'n harnas durft versmaden; uitlaten; ( dar oorspr. vorm voor durft).
303cherubin: een cherubijn; 's ridders: Michaëls.
304ciert dees' draght: het vaandel kleurt mooi bij de kleding.
305paradijsweb: hemels weefsel.
306Van: door; suyverlijcke: (zuiver)mooie.
307-308Naar de bekende voorstelling op 't Engelse wapenschild, maar waar niet de aartsengel Michaël, doch St. Joris de draak bestrijdt; dus ten toon: zo uitgedost.
309frisch: helder; wtgewosse ouwe vorm voor uitgewassen: uitgegroeide; pennen: vleugels.
+[Randschrift:] 2. Prins Willems toght over de Maes, om den Hartogh van Alba slagh te leveren.
311-vlgg.Nu komt de vader haers Bruygoms van vs. 274/5 aan de beurt, Prins Willem I, in 'n twede borduurwerk, en wel bij de merkwaardige overtocht van de Maas in September 1568, toen hij, door zijn ruiterij in de rievier te plaatsen en de kracht van de stroom aldus te breken, 't zijn voetvolk mogelik maakte al wadend de overkant te bereiken; perck: afgebakend terrein; geraes: gedruis.
314't weldigh ebben: 't geweldig afvloeien, afstroomen.
318te krijgen: slag te leveren.
319prangde: omknelde; broosen: laarzen.
321-322kende: herkende, zag; by de maenschijn: nu de avend al viel, en zij op haar werk staarde bij maan- in plaats van daglicht, zag zij de zoon in de beeltenis van de vader; door ommetreck....: verbeeld in de hoofdlijnen van 's vaders gelaat.
325En sporegespster: de sporengespende Aemilia; noopte: vuurde aan. (De zin is: 't borduren der sporen betekende voor Aemilia zelf 't aanjagen van, 't sporen geven aan haar toch reeds sneljagende liefde).
326Pygmalion: 'n koning van Cyprus, die 'n prachtig ivoren vrouwebeeld had gemaakt, waarop hij verliefde. Hij smeekte Aphrodite, de liefdegodin, het levend voor hem te maken. Wat geschiedde. Waarna Pygmalion het meisje trouwde en een zoon bij haar kreeg, Paphos geheten.
327Gelijckenis: beeld, 't vrouwebeeld door hem vervaardigd.
328yet levens: iets van leven.
332't pijldragend volck: de schaar Cupidootjes.
333werd geboren: werkelikheid werd.
334In 't rijpste van den oegst: op 't eind van Augustus, woordspeling met Venus' oegst: Venus' oogst; oegst en oogst betekenen Augustus en oogst (nu nog in 't Vl.); over oegst zie blz. 116 aant. op vs. 284; beschoren tot: bestemd voor.
+[Randschrift:] De Prins komt wt het leger, en word van de Princes gewelkomt.
335meeremin: zeenimf; dar: durft.
341Bekende: erkende, weerzag; gluurende: doordringende.
+[Randschrift:] Cupidons ontwapenen hem.
342Cupidons met klem op i volgens de Latijnse uitspraak, en n naar 't Frans.
343oostersteentjens: edelstenen uit 't Oosten (op 't gevest).
345aengrijnende: aangrijnzend.
346slangenhayr van Medusa; na Medusa's ontering door Vulcanus in Minerva's tempel, waren door deze godin haar blonde vlechten in slangen veranderd.
347van lood: door lode kogels.
348-349daer de dood.... proef af nam: waar de dood proeven op nam.
vs. 350Aan 't zware harnas hadden ze met z'n zovelen nog 'n vracht.
+[Randschrift:] Frederix wapendaden in sijne wapenen gewrocht. Gevecht op 't veld voor Harwerden.
352Waarop Mulciber of Vulcanus, god van de metaalbewerkkunst, 's prinsen dapperheid en oorlogsroem had afgebeeld; In 't Randschrift: Herwerden is Heerewaarden (bij Zaltbommel), in de buurt waarvan hij met 'n aantal ruiters in'n hinderlaag viel; hij sloeg er zich dapper doorheen, echter niet zonder zware verliezen en met ernstig levensgevaar.
353Hier ziet hij zich verrast door de Spaanse hinderlagen.
355Briauté, 'n Normandies edelman.
358't braecken der pistool: 't losbranden van 't pistool ( pistool zowel de- als het-woord).
359-360loefwaert wel te ty: de bovenkant houdend met het getij mee, in tegenstelling met die leggen in de ly (aan de lager, weerloze, zij); wel te ty: goed op 't getij, op 't juiste getij.
+[Randschrift:] Prins Henrick rijd door de haven van Nieupoort den vyand tegen.
361Hier sagense hem....: hier zagen de Cupido's de prins op 't harnas afgebeeld, bestuwd....
362Op sijnen moor De Groot: op zijn Arabies paard ‘De Groot’.
363Ascanius: de zoon van AEneas, die met zijn vader en zijn volk in Italië landde.
365beroert: in beweging; nau: nauweliks.
+[Randschrift:] Slagh van Vlaenderen.
369draeght moed: is trots; sijn' gedragen meester: op 't dragen van zijn meester (Lat. zinsvorm).
371omheynd of ontrent: bij de hand, nabij of in de omtrek.
372die maecken hem bekend: daaraan is hij te kennen.
375die min voor grijse suft: die minder vervaard is voor ouder (meer ervaren) krijgslieden.
+[Randschrift:] De glori heerlijck uytgebeeld.
377De glori, groots en prat: de glorie (als 'n godin) groots en fier.
381aernen: arenden ( aren 't oorspr. woord); parrele: parele, bijv. naamw.
382vaert uyt spelen: uit rijden gaat ('n plezierrit maakt).
383De faem: ook als 'n godin.
386De Admiraal (van Arragon) gevangen en Albrecht van Oostenrijk ternauwernood ontsnapt (bij de slag van Nieuwpoort, zie blz. 514 vs. 135, 136).
+[Randschrift:] Strijd bij de Roer daer vorst Frederick handgemeen was met den vyand, en graef Trivultius verslagen werd.
390Bacx: Marcelis Bax, 's prinsen kommissaris-generaal die, zich zelf er door heen moest slaan, en hem bijsprong in 't gevecht bij Mühlheim aan de Roer tegen Velasco.
391doods: dodelik ontsteld; geeft op: slaakt.
394Trivultius: de Milanese kommandant in Spaanse dienst Trivulzio; te stroopen: te doden ( stroopen 't Lat. spoliare: de gedode vijand van z'n wapenrusting beroven).
395wijck: toevlucht, hulp.
+[Randschrift:] Prins Henrick plondert en verbrand Erckelens, en vangt Graef Henrick van den Bergh.
397Titons bruyd: Auróra, de dageraad.
399vernam: leerde kennen.
400petard: houwitser, door 'n schot van 'n houwitser werd de stadspoort van Erkelens (ten N. van Gulik) vernield.
+[Randschrift:] Onderling onthael der beyde Princen.
404de jeughd: de minne-jongskes.
412Dus: aldus; de minnerey: de rei minnegoodjes; pijp: 'n blaasinstrument.
+[Randschrift:] Lofsang van de Cupidons tot Venus.
417ontsichelijck: vol ontzag ( ontsich: ontzag).
419met geschrey: met luid geroep.
420lentische landau: 't lentse landschap.
422met levendige sprongen: met stromende waterwellen ('t Latijnse fontes vivi).
423-424Begeerlijck alle siel.... vw spoor volght: begerig volgt al 't bezielde uw spoor.
425versien met: voorzien van.
426woende: (woedende) hartstochtelik gejaagd.
428groot maeckt op sijn' tael: verheft op z'n eigen manier.
430onendelijck: zonder onderbreking; der dingen beurtige eeuwen: de schepselen in de altijd wisselende tijden.
437-438Die Mavors.... neer kunt setten: die Mars kunt kalmeren; Mavors (of Mavortius) is de oud-Lat. en dichterl. naam van Mars; Salpeterblixemen en donders: 't vuur en de donders der kanonnen ( salpeter werd dikwels gebruikt voor buskruit, omdat salpeter een der bestanddelen ervan is).
TEKSTKRITIEK: vs. 456. De oude uitgave heeft achter kranck 'n puntkomma.
+[Randschrift:] Wellust genoten van Mars en Venus:
442Gegoten: liggende (naar 't Latijnse fusus = jacens) ; dick': dikwels.
445gierigh: vol begeerte.
447stuuren: hangt nog af van ging in vs. 444.
454sich spreyen en vergaderen: uiteen en naar elkaar toe lopen.
460was van uw' godheyd wan: bleef van uw goddelik wezen onvervuld ( wan: ledig).
+[Randschrift:] Ende van Venus en Anchises.
461Anchises ging niet min...: niet minder (dan Mars) ging Anchises...
462dochter van de zee: Venus, zij was uit 't schuim van de zee geboren; myrtebladen: de myrt was biezonder aan Venus toegewijd.
464En verwekte (Aeneas) den held van Troje, die de vloot leidde.
465u rechtende: u oprichtende.
466't kruydigh bedde: 't bed van kruiden (planten en bloemen).
467Venus (in Italië oorspr. godin van de tuinbouw) deed nieuwe bloemen ontspruiten op de plaats, waar ze met Anchises was samengekomen, als herinnering aan hun vurige liefde; zo deed zij meermalen op plaatsen haar dierbaar; o.a. toen ze op Cyprus, na haar geboorte uit de zee, aan land ging, ontsproten de bloemen onder haar voeten.
470niet onlieflijcker; even lieflik als de genoemde paren.
472Batavien: Nederland ('t land der Bataven).
475het moederlicht: de zon.
476murruwt: murw, week maakt.
+[Randschrift:] Dranck vande godinne toebereyd om de versameling vruchtbaer te maecken.
477kop: beker; en blonck: die blonk (middel-Ned. zinsvorm); in 't Randschrift: versameling: samenkomst.
478Daer: waar; doen: toen; balssemt: gebalsemd; beschenen: overglansd.
479heylheyligh: hoogheilig (vertaling van 't Lat. sacrosanctus) ; cier: sieraad; keyserlijcken hoed: keizerskroon.
482armelijnen: hermelijnen, gewaden van hermelijn; ( praelde hier niet in ongunstige zin).
483desen: de oude beker namelik.
486Alcmenaes: Alcmena's. Alkméne was de vrouw van Amphitryo, Zeus (Jupiter) nam de gedaante van Amphitryo aan, en werd zo bij Alkmene de vader van Herakles (Herkules).
487aen haer: bij haar; dat saed: Herkules, die verder wordt geprezen in 't volgende vers.
488strijdbre deughd: strijdhaftige kracht.
490toegebrogt: aangeboden; lang verwachten: op wie zij zo lang had gewacht.
492reyckte het: (spreek uit: reyckte 't) ; het: 't goud van 't vorige vers, de goude beker dus; jonst: gunst, liefheid.
493toefdranck: toef-drank, onthaaldrank in tegenstelling met afscheids-drank of -dronk; (vgl. blz. 329 aant. op vs. 29); van liefs hand... niet onaengenaemer: des te aangenamer uit liefs hand.
+[Randschrift:] Cypris heeft de sichtbaere gestalte afgeleyd en is aen lucht gesmolten.
496onder des: ondertussen.
497waere godheyd: pure hemelsheid; 's lands veldheer.... keerende: Latijnse zinsvorm: toen hij keerde.
498uytgetogen: uitgetrokken, afgelegd.
502hooghgemelde: hooggeroemde (eigenlik: bovengenoemde voorname vrouw).
+[Randschrift:] De Princen gaen na hunne slaepkamer.
505De kinderlijcke schaer: de Cupidootjes.
+[Randschrift:] Voegelijcke onschuld des dichters.
509uwe heylighdommen: (lees: uw'eiligdommen) uw heilige geheimen; in 't Randschrift: Voegelijcke onschuld: gepaste verontschuldiging.
514ter venster: venster ook 'n de-woord.
515stokebrandjes: de minnegoodjes; bluts: blut.
516polver: pulver, kruit; veel schuts: veel geschut, veel schoten (2e n.v. achter veel).
+[Randschrift:] Cypris vertrect met sommige van haren sleep.
517borst.... henen: vergelijk ons uitbreken; tralie: venster.
518op haer' streeck navolgende: op haar spoor meevliegende.
+[Randschrift:] De Princes blijft swanger.
529droegh haer gunst: droeg haar genegenheid toe, was haar genegen.
+[Randschrift:] Beschrijvinge der lente.
532Boreas: N.-Oosten of Noordewind; Zephyr: de lauwe Westewind (van Italië).
536bot, en blos: wat uitbot en bloesemt.
538loken op: loken open, ontloken.
540jenoffels: anjelier (ook genoffel, uitspr.: zjenoffel; 't Frans girofle).
543met greynverwe opgesoôn: gekookt in, door-trokken van mineraalverf, in tegenstelling met plantverf.
545Deze eigennamen noemen mythologiese personen, uit wier bloed purperrode bloemen zijn ontsproten; Ajax' bloeddruppels veranderden in de purperrode hyacinthen (niet onze hyacinth, maar wschl. 'n ridderspoor, zie Ovidius' Metamorphosen XIII, vs. 391-vlgg.); Hyacinth: Hyacinthus (Huakinthos), 'n Spartaanse jongeling door Apollo bij ongeluk gedood, uit zijn bloed ontsproten purperrode bloemen (riddersporen) naar hem genoemd, Metam. X, 209-vlgg.; Adonisen: Anemonen, uit het bloed van Adónis geproten, Metam. X, 735-vlgg.; Narcissen genoemd naar Narcissus (Narkissos) 'n schone jongeling die op z'n eigen beeld in 't bron-water weerspiegeld, verliefde, en wegkwijnend in 'n bloem veranderd werd.
547Apelles de beroemde Griekse schilder.
548Pracht en kunst van mozaïek in tempels is dof, glansloos hierbij; Mosaische: van mozaïek.
+[Randschrift:] Bloemsucht des dichters.
550In 't Randschrift: Bloemsucht: verliefdheid op bloemen.
551veldjonffer: veldgodin.
552heel aenminnigh: volmaakt beminnelik.
556de mengsels: de kleuremozaïeken der natuur.
557Iunoos paeuweprael: Juno's wagen werd door pauwen getrokken.
558luttel kans en vordel: weinig kans op de prijs (op 't voordeel) zou hebben.
559Wen 't op een praelen gaet: Wanneer 't 'n schoonheidswedstrijd geldt; stool: hals- en schouderkleed.
560eerst: bijwoord: voor de eerste maal; in een' viool: Vondel is geboren in 'n huis te Keulen, dat ‘Zur Fyolen’ (In 't viooltje) heette.
561kiesche bie: als een kieskeurige bij.
562Pindus: Thessalies grensgebergte, aan Apollo en de Muzen gewijd; spickelige: kleurige.
564Napaeae: (Napaien of Napaeën): dalnimfen.
565Levénder bijvorm van lavendel (zie Dl. 1, blz. 818 aant. op vs. 2202).
567dierste draght: kostelikste kleed.
569t'evens: tegelijk, tevens (dit is ontstaan uit te even met bijwoords- s).
+[Randschrift:] Oorsaeck van de meer als gemeene genoeghelijckheyd der lente.
571In 't Randschrift: meer als gemeene: meer dan gewone.
574oppressen: te samen roepen.
575Erycijns: Erycina's; Venus (Aphrodite) heette zo naar de berg Eryx op Sicilië, waar zij 'n beroemde tempel had.
576Die al voorspelt dat ze moeder zal zijn van 'n jonge god, 'n jonge vorst.
578kortelijck: binnenkort.
581De aangesproken ‘Kroondraegster’ is Elisabeth, dochter van Jacobus I van Engeland en echtgenote van Frederik V van de Palts, verdreven koning van Bohemen; Amalia was in Den Haag haar hofdame geweest. Later verandert Vondel haar betieteling in: ‘eere van Britanje.’
+[Randschrift:] De Princes gaet in arbeyd.
583vrou Lucyn: Juno Lucína (die aan 't licht brengt), de godin der barenden; in 't Randschrift: gaet in arbeyd: gaat baren.
TEKSTKRITIEK: vs. 588 drijmael, de oude uitgave heeft driemael.
vs. 588-589De zeven en twintigste, de bestemde, dageraad in Mei had de Oosterpoorte geopend, toen de Zon en 't kind zich spoedden ter geboorte. (Verg. de woorden op 't tietelblad: ‘geboren met de son, den 27 van May....’ en van 't randschrift) ; Nabatheër: van Nabathéa in Arabië, bekend om z'n kostelike specerijen.
591Parnas en Helicon: zangbergen.
592Strijckt meyen: strooit lovertakken neder; vyverberghsche: bij de Vijverberg geboren (zie aant. op vs. 3).
+[Randschrift:] Prins Willem met de songeborenden 27 May, 1626.
593soo: als; met dat; hy: Phoebus.
594Ten zeegroen uytsteeckt, siet hy....: uit de oceaan opheft, aanschouwt Phoebus....
+[Randschrift:] Blijschap der Princesse over haeren eerstgeboren soon.
+[Randschrift:] Haere danc-segging tot God.
601Dit vers is als 'n vertaling van 't Latijnse randschrift rond 't portret van Amalia, door Delff gesneden naar de schilderij van Mierevelt (zie blz. 525): Quid reddam Domino, letterlik: Wat zal ik de Heer wedergeven?
604mijn' vrucht haer' banden: de banden van mijn vrucht ( vrucht vrouwel. genomen).
605-606Deze offerbee, nagevolgd naar psalm 49 (50), vandaar ook de verdere verbeelding van 't Oosterse berglandschap; ongelsmeer: vet; wieroockreuck of vlammen: (klassieke stijlfiguur hendiadys) brandende wierook ( of hier in plaats van 't gewone en, door de andere verbindingen met 't vraagwoord of).
607leyder: helaas; schuw: beschroomd.
609d'omwenteling: de ommekring; gaet: loopt.
611't ongediert: de wilde dieren.
612buytenbaens: buiten de begane weg der mensen.
614Wijde ick: indien ik wijdde; ghy moght u billijck belgen: gij zoudt met recht kunnen vertoornen.
619-620Elisabeth: zie aant. op vs. 581; hartoginnenring en drang: (hendiadys, verg. vs. 606) omstuwende ring van hertoginnen ( drang: omstuwing).
621en datse: en toen ze (hangt samen met soo hiefse in vs. 627: toen hief ze); vol vermaecken: vol vreugde.
623Adoon: Adónis, zie blz. 270 aant. op vs. 752.
624AEgle: de schoonste der Najaden ( Nájades) of Bronnimfen; suyverlijcke: oude bijwoordelike vorm: zuiver, smetteloos.
+[Randschrift:] Mevrou Elisabeths segen over den jongen Prins uytgesproken.
634Helm: beeldspraak voor kampioen, verdediger.
635toegedaene: toegenegen, toegewijde.
638-639den vrijgevochten volcken ion....: gun aan de vrijgevochten volken (der Verenigde Provincieën) koele schaduw, gun aan de hemel (het gezicht op een) loverrijk bos.
640Groei op tot 'n pracht van 'n held, beladen met....
644telgen van olijf: olijftakken; de olijf was 't zinnebeeld van de vrede (door overwinning bevochten).
+[Randschrift:] De geboorte word ruchtbaer.
+[Randschrift:] Het landvolc nieusgierigh comt het kind begroeten en begiftigen.
vs. 648Melckerbuur: eigennaam in herderspoëzie, verg. blz. 764, vs. 47.
652En noch: en bovendien; een' pijpkan: 'n tinne kan met 'n zuigpijpje voor zuigelingen; daer tot wondering: waar tot bewondering.
+[Randschrift:] Wat op de pijpkan gesneden was.
654soose sagh een' swarten kop: met dat ze zag een zwarte (Spaanse) kop.
655-657als.... hy over hoofd en hals gesneuvelt was in 't diep: daar hij hals over kop gevallen was in 't diepe water.
657heel ongereed: helemaal niet in staat.
659toppers hoed: hoed in 'n punt uitlopend (zie Lof der Zee-vaert, blz. 431, aant. op vs.5).
660looft vast: belooft stellig.
662den hals om hoogh: omhoog lopend om de hals van de pijpkan.
665een' hallem: 'n rietfluit (naar 't Latijnse calamus of avena: riet en rietfluit).
666dat is u voor: dat (fluitspel) gaat u voor, zet voor u in (en begeleidt uw zang).
667rustigh: dapper; stemt: zingt.
+[Randschrift:] Boerelied den jongen Prins toegesongen.
670brengt ons weer te voorschijn: doet voor ons herleven.
671't is boter tot den boôm: er is boter tot de bodem van 't vat toe, er is volop overvloed.
672klaverkiesch: kiesch, verlekkerd op klaver.
676Zinspeling op 't lot van Oldenbarneveld en op 't Palamedes-vonnis.
677Zinspeling op de beboeting van Schrijver (zie blz. 759).
680Soo.... ga vry toe: ga vrij zó door.
685den moordschoot van: 't moordschot op.
687Lillo: 't bekende fort ten N.W. van Antwerpen; 't Scheld: de Schelde.
688sijn burghgraefschap: van Antwerpen namelik, waarvan Frederik Hendrik (en later ook Willem) burggraaf was.
691Of wint hy; indien hij wint; Handwerpsch: Antwerps (met West-Brab. voorgevoegde h; ook met zinspeling op de bekende sage, dat de reus van Antwerpen van de voorbijvarende schipper de hand afkapte en in de Schelde wierp.
692in vier: in feestverlichting.
693Rotterdam was bekend om z'n bierbrouwerijen.
695de pachter: de pachter der accijnzen.
696kruyst: kwelt (door ons dorst te laten lijden vanwege zijn te hoge belasting); al te vreck: al te inhalig.
+[Randschrift:] Algemeene Haeghsche blijschap.
699sonder ergh: argeloos, oprecht.
702harten: herten; het spuy: 'n gracht in Den Haag (nu gedempt); bromt: schittert.
703De duyn: als verzamelwoord nu het-woord.
704vol tiers: vol tier, vrolikheid.
705De dingtael: de pleittaal, voor: de pleiter; viert sijn' tong.... haer' veder: geeft vrijaf aan zijn tong.... aan haar pen.
706De tabbaerd: voor de drager, de magistraat; houd gemack: heeft vakantie; speelt moy weder: maakt plezier.
+[Randschrift:] Dans en spel op den vyver, vertoont door water-godheden, welcke hier beschreven worden.
vs. 707Niet min en: niet minder ( en: ontkenning).
708Genegen: sympathiek, gezind om mee te doen.
709't hofwed: de hofvijver; jofferlijcke linden: linden, die behoren aan de hofjoffer, de Maeghd van vs. 1 en 13: de Haagse linden.
712Lobberigh: iets als waterpletser.
713Baerekemster: die de golven glad strijkt.
714Duyvekuyf: met haren in de vorm van 'n kuifje, als 'n duif.
715Met ongegorden kleede: met loshangend kleed.
716Stommeldier: diertje (meisje, nimfje) dat graag stommelt; Danslicht: die licht zwevend danst.
720Traligrijn: iets als bekkentrekker door de ruiten ( tralie: venster, zie vs. 517).
721hoên: kransen; Angeltaecker: iets als vistuigdief ( angel: vishaak, taecker van taken: wegnemen).
722Fuyckelichter: de guit, die de fuik (van een ander) licht en leegt (een fuik is 'n korfvormig over hoepels gespannen visnet, dat hoe langer hoe nauwer wordt); korts getoenaemt Visscheschaecker: onlangs ge-bijnaamd visdief.
723Zegenself: die met 'n zegen (sleepnet) vist? of: die zich zelf zegent, zich te goed doet?
724Krijtluyd: iets als schreeuwlelik; Liesekop: met 'n hoofd als de kop of pluim van 'n lies- of biesplant; Waterkil: watergeul, of: waterkou, of: zo kil als water.
726op vermoghten: vat op hadden.
+[Randschrift:] Namelijck de Vyvernymph.
728haer' parlesnoerde pruyck: haar met parelen doorvlochten lokken.
730-731gewatert blancketblaeu kamelot: gevlamd bleekblauw kemelshaar; der Nereïden gift: 'n geschenk van de vriendelike zeegodinnen (dochters van Nereus).
732swenckende: omwendende (behoort bij seydse in vs. 735); over heen de drift: over de menigte heen.
738die.... verschelen: die verschillen (hoort bij Tritons)
739Kinckhorens: de Tritons, zeegoden, bliezen op 'n zeeschelp (in gedraaide hoornvorm) (zie Dl. 1 blz. 510 vs. 103).
741heuschen: vriendelike.
743Zó betreden onze tegenvoeters en wij elkander ( betreên: betreden, met de treden van de voeten tegenover elkaar).
748elck treed wat sonderlings: ieder danst op 'n biezondere wijze.
749na'et geklanck: naar de muziek.
752Gelijcklijck: allen te samen.
753opkijckt ylings: komt plotseling boven water kijken.
755ringsteken is oorspr. 'n ridderspel (zie vorig vs. gollefridders), waarbij onder 't paardrijden 'n opgehangen ring met 'n lans moest worden afgestoken; nu nog als volksvermaak bekend.
756aftreckens tijd: tijd om uit te scheien.
757de stomme kudden: de dolfijnen.
+[Randschrift:] De faem vlieght over Brabant naer Parijs, Oranje en Spanjen. Blijschap in Oranje.
759-760De faem.... trompetster, gieren ging: de faam met haar trompet, hield een slingerende (geen rechte) streek (zie de reisweg beschreven in 't randschrift); gieren: geren, schuin lopen; Brussel: de residentie der aartshertogen.
762Oranje: de hoofdstad van 't Prinsdom (of vorstendom) Oranje (in Frankrijk), waar Frederik Hendrik soeverein was, en z'n prinsetietel aan ontleende.
765doock in oranjespruyten: was overdekt met oranjetakken (bloemtakken van de oranjeboom, sinaasappelboom).
774En zinge: ‘leef Prins Willem leef!’...
+[Randschrift:] Beschrijving van Sint Laurens-klooster in Escurial.
775groot gevaert en hemelhooge kerck: eén gebouw, nml. 't St. Laurens-klooster (klass.stijlfig.hendiadys).
779Wtheemsche wandelaers: vreemde reizigers ('t Duitse Wanderer); als voor het voorhoofd slaet: doet versteld staan.
781de stoffe: de bouwstof (kostbare steensoorten enz.); na'et bedaeren: na 't bekomen van de eerste verbazing.
786Philips sijn gouddorst: de gouddorst van Philips; spilling: roekeloze opoffering.
787dijde: strekte; hier.... toe: tot deze bouw; tot heughnis van: ter herinnering aan.
788Waarin de koning van Frankrijk zijn adel sneuvelen zag (te St. Quentin in 1557 in de slag tegen de hertog van Savoye, generaal van 't Spaanse leger).
789-791De heilige Laurens, gemarteld op 'n gloeiend rooster (verg. Lof der Zee-vaert, blz. 432 aant. op vs. 15) heeft hier altaren aan hem gewijd.... de koning (heeft hier) zijn paleis; een: eén.
793Dese nml. de zorg (uitspr. deez'iel) ; den avondvorst: de heerser over 't westen van Europa; soo: zodra.
+[Randschrift:] Koning Philips en d'ertsbisschop van Toledo in 't kabinet, daer twee groote silvere klooten staen.
vs. 795Bezig, samen met zijn mijterdragende broeder Ferdinand.
796Toleed: Toledo; ontsich: ontzag, overheid.
798Twee... klooten: aard- en hemelglobe.
+[Randschrift:] Beschrijving van den hemelkloot.
801Twee groote lichten: n.l. zon en maan.
802dieren: van de Diereriem namelik.
803flonckerlicht.... droef en luysterflaeu: schitterend licht.... duister en flauw van glans.
804pruylt: pronkt; pruilen, pralen en pronken verwisselden dikwels hun betekenis.
805tsaegen: vertsagen, bang worden.
806Hyades: de ‘regensterren’, zeven sterren in de kop van de Stier, wier opkomst (7-21 Mei) regen voorspelde.
+[Randschrift:] Beschrijving van den eerdkloot.
809de drift: de drijvende vaart.
810wier gekaetst word: zeewier gesmeten wordt.
811Te seldsaem is't om sien: buitengewoon (zeer zeldzaam) om te zien.
812alsins boômloos: aan alle kanten zonder rustbodem, zwevend.
814Gesplitst naar staatkundige en kerkelike grenzen; tempelsinlijckheden: kerkgezinten.
815hing en overgaepte: hing te overgapen.
817niet trager: even ijverig.
818den heldren starredrager: de schitterende hemelbol (de andere kloot).
+[Randschrift:] 's Konings verscheyde becommeringen.
819Het breyn met goud vermast: het gekroonde hoofd, de koning ( vermast: beladen); maelde: overpeinsde.
820het: nl. het breyn, van 't vorige vers; moght: kon.
821Slaat op Venetië, Holland's bondgenoot.
823Nu: dit is 't twede nu in deze opsomming; 't eerste staat in vs. 819, 't derde in vs. 825; de opsomming wordt besloten met dan in vs. 827.
TEKSTKRITIEK: de oude uitgave heeft achter vs. 834 een punt-komma.
824Habsborghs heyren: de legers van 't Habsburgse Huis van Oostenrijk.
825Parthenoop: de oud-klassieke naam van Napels, door de Spanjaarden verlaten.
826Om Ligurië (in 't Noorden van Italië) en Milaan te hulp te komen.
827gedoodverwt in sijn' ziel: 't bestervend in zijn hart (hangt af van hem).
830De Toletaen: de aartsbisschop van Toledo (met t naar de Latijnse vorm Toletanus) ; bestorf (oude vorm voor bestierf): was doodsbleek; heyland: redder.
+[Randschrift:] d'Eertsbisschop raed hem dat hy den Persiaen opruye en stijve tegens den grooten heer.
831stijven: steunen; in 't Randschrift: den grooten heer: de Sultan van Turkije, als hoofd van de mohammedaanse godsdienst.
832den chan van Babylon: de vorst van Perzië; chan of khan: oosterse (Tartaarse) naam voor opperhoofd; Babilon is hier genomen als hoofdstad van Perzië.
833Ianitser: de Janitsaar, Turkse soldaat; popelen: snel kloppen.
837De Perziese Mohammedanen op de Turkse Mohammedanen vertoornd; Machomet: Mahomed; ontsteken oorspr. vorm van ontstoken.
838Aentrecken: aanrukken; Osmans moord: Osman II, zoon van Achmed I, volgde in 1618 zijn afgezette oom Moestapha I op, en werd in 1622 (4 jaren dus voór de Geboortklock) vermoord door de Janitsaren.
+[Randschrift:] 's Konings sorge voor Westindien.
839Lima: hoofdstad van Peru, onderkoninkrijk van Spanje.
+[Randschrift:] De faem set sich op den toorentrans van Sinte Laurens kerk, en bootschapt hem Prins Willems geboorte.
842de faem: de Faam van vs. 759.
843ongewijd: de Faam is 'n heidense mythologiese personering, vandaar ongewijd.
846liet.... de vierschaer gods bevolen: liet aan de vierschaar, de rechterstoel van God over.
vs. 850-851lichten: ogen; vast: voortdurend, geweldig; en barst... op dese woorden uyt: en barst uit op de woorden der Faam.
852Dat dus veel marrens brout: dat zóveel tijdverlies veroorzaakt.
853Best: 't beste is dat; paeyen: tevredenstellen.
855Eer Reael met Willougby, door Hollander en Brit (zie Klinckdicht aan L. Reael, blz. 806 vs. 3, 4).
858Wacht na: wacht naar, op.
859d'oude graeflijckheyd: mijn oude graafschap; Holland en Zeeland hier voor heel de Noordelike Nederlanden.
861Van bondgenooten: door bondgenoten.
864onder Mars: onder de oorlog.
866De myter: de aartsbisschop.
+[Randschrift:] Prins Fredric sluymert aen den ouden Rijn.
867soo: toen; hartejaght: hertejacht.
868verkracht: overmeesterd.
+[Randschrift:] Hem verschijnt Vrania, die hier beschreven word.
873een' godin: Urania (zie Randschrift) = de hemelse, is de muze van de sterrekunde (zie vs. 892-vlgg.); sedigh voor hem buckte: zich ingetogen over hem heen boog.
874ope: 'n kroon die alleen uit 'n hoofdband bestaat, dus om 't hoofd alleen; blinckende hoofdhayr: lees blinkend'oofd( h) aar.
878Geuren verspreidt, die 'n bezwijmde (die als dood neerligt) opwekken door hun welriekendheid.
879heyligheên: hemelingen.
880keurs: van boven tot beneden neerhangend vrouwekleed; voeghelijcke: welgemaakte.
881Hyacinth: 'n edelgesteente; doorluchtigh: doorschijnend ( luchtigh bij licht, zoals verluchten en luchter).
882tot beelden rijck bestarrent: in afbeeldingen schitterend met rijke diamantsterren.
883Op wien: rond welke keurs; cestus: de gordel van Venus.
887zelf god Iupijn: god Jupiter zelf.
888Mnemosijn: Mnemósyne d.i. de Heugenis, de moeder der Muzen, die zij door hare verbintenis met Zeus (Jupiter) heeft ter wereld gebracht.
889slincke: de linkerhand; roede: staf, schepter.
890O alderbraefste...: O allerdapperste Prins, nakomeling v. 'n keizer (zie vs. 944).
891hiel stal: stond stil.
+[Randschrift:] Haere rede.
894inspraecx geest: de geest der inspiratie, der profetie.
895't geen doncker noch: wat nog in 't duister.
+[Randschrift:] Starkundige beschrijving van den stand des hemels ten tijde van Prins Willems geboorte.
897Dies tsaegh niet: daarom vertsaag niet; gemerct: waargenomen; d'opperlampen: de sterren.
900Hier begint de eigenlike beschrijving van de stand der sterren (zie Randschrift).
901Titan: bijnaam van Helios, de Zon; torts: toorts; droeven: donkere.
903Soo onlangs: heel onlangs; Diaen: de maangodin: Erycijn (zie aant. op vs. 575).
904Mercuur: Mercurius bracht geluk aan; viri Mercuriales = gelukskinderen.
905Latonaes dochter: Diana, zij bracht voorspoed en geluk aan; (ook beschermster van 't vrouweleven); roedrigh: roe-, stafdrager, Mercurius.
906't Geluck: de klassieke geluksgodin, Fortuna.
TEKSTKRITIEK: vs. 910 seyd sy, de oude uitgave heeft seyd hy.
vs. 907horoscopus: geboortekijker; hemelstacy: hemelstand; dus: sloot deze allergelukkigste hemelstand in de geboortekijker van de jonge prins.
+[Randschrift:] Vrania gaet in arbeyd van inspraeck en prophecye.
911-vlgg.Dit is nagevolgd (met hier en daar letterlike vertalingen) naar Vergilius' AEneïs 6, vs. 46-vlgg., waar de Sibylle van Cumae aan AEneas (zie vs. 916, 917) voorspellingen doet.
911hy: Jupiter; doen vernam: toen zag.
914't hoofd geschud: Latijnse zegwijze voor: doordat 't hoofd geschud werd.
915dol: door de godheid bezield ('t Latijnse insaniens).
916De Sibylle in haar geestverrukking geleek, met dit verschil....
917Dese: de Sibylle; een' Troiaen nml. AEneas; die: Urania.
919beseten: van de godheid vervuld.
920verkracht: overmeesterd.
921haer' krop: haar opgekropt gemoed.
+[Randschrift:] Sy propheteert.
922in 't spits: aan de spits.
923't westersch heyr: 't Spaanse leger in 't westen.
925Urania voorspelt'n gelukkige en beslissende krijgstocht van Willem in Spanje zelf.
926god Augustus wagen: in de zegewagen van deze Augustus (na z'n dood onder de goden opgenomen).
928groote Donnen: grote Spaanse heren; na: achter zich, mee; afgewoed: die zich woedend hebben afgetobd.
929en swarte....: met zwarte... (over swarte en geele Mooren, d.i. Negers en eigenlike Noord-Afrikaanse) Moren; zie blz. 726 aant. op vs. 1813).
930beschoren: bestemd als.
931Om de doden te wreken, door de Spaanse gouddorst geslachtofferd.
vs. 935Basuynen: (werkwoord) loftrompetten.
939de Keurvorst: de keurvorst van de Palts.
940muscadel: (bepaalde) wijndruif.
941Britanjens pronck: koningin Elisabeth.
942geslote kroonen: de koningskronen met 'n kruisband over 't hoofd (zie ope kronen vs. 874).
945met neyging....: met voor hem buigende torens.
946Indus: de rievier in Voor-Indië; hoornen: volgens de mythologiese voorstelling droegen de rieviergoden hoornen, als zinnebeelden van de overvloed.
948-949nau.... doogen: nauweliks.... uithouden.
950Sit tweede Olympias....: Zit als een andere Olympias (de moeder van Alexander) met opgetogen zinnen.
951Van: door; gesmeeckt: gevleid, vereerd.
952moeder: moeder AEmilia; jonst: genadigheid.
+[Randschrift:] Christelijck besluyt des vorsten van dese voorspelling.
958En opgezeten, wendde hij 't ros hofwaarts, onder veel gepeins.
+[Randschrift:] Tweedraght tusschen Haegh en Delf.
960te schaecken: weg te dragen.
966Werd.... verbleven: verbleef ('n mengvorm van verbleef en werd gelaten).
TEKSTKRITIEK: vs. 978, de oude uitgave heeft achter leggen dubbele punt.
+[Randschrift:] Prins Frederick beslecht vredelijck de gerese oneenigheyd en stemt tot Christelijcke verdraeghsaemheyd.
+[Randschrift:] Besluyt des dichters aen 's Graevenhaegh.
980Hollands paradijs: 's Gravenhage.
981Luckesaelge: gelukzalige ( luk oudere vorm naast geluk).
984moedigh sijn: trots zijn, groot gaan.
987gemael: gemalin (vroeger gemeenslachtig).
990En wie 't gebeurt: en aan wie 't te beurt valt.
*)Virgil.: afkorting van Virgilius, aan het zesde boek van wiens AEneis de 3 Lat. verzen ontleend zijn (vs. 875-877). In Vondel's eigen Virgilius-vertaling van 1660 worden ze aldus weergegeven (vs. 1316-1319):
Geen knaep, uit Troyschen stamme en Frigische afkomst gaf
Aen zijn Latijnsch geslacht die hoop van triomfeeren,
Noch Romulus landouw zal nimmer † dus braveeren,
† Noch.... nimmer: dubbele ontkenning; braveeren: roemen.
|
|