auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller en J.F.M. Sterck
bron: J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Tweede deel 1620-1627. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1929
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
|
| |
| | | |
Antidotvm.
Tegen het vergift der Geestdryvers.
Tot verdedigingh van't beschreven woord Gods.aant.aant.*
Gods woord ghegoten word in alderhande vormen
Van 't wispelturigh breyn. een Christen door veel stormen vs. 2
beproeft en afgemat. Nae 't een volght'ander wee. 3
De waerheyd als een rots in sweerelds wilde zee
5
De woeste baren stuyt der sinnen, die oneven 5
Steeds worden van den wind der leeringen gedreven. 6
't Vernuft rust nimmermeer, maer in verandring leeft, 7
En noch op dese tyd Geestdryvers voedsel geeft: 8
Een schadelycke pest, voor lang van d'oude vaders
10
Gepleystert, en geheelt, door hun geschreven bladers: 9-10
Nu weder vanden Ryn na dese kust gewaeyt, 11
Gekoestert, en gequeeckt, en yverigh gesaeyt
| | | |
Van menschen sonder geest, van Droomers, en Propheten, vs. 13
Van Sienders, met den geest der dwalingen beseten,
15
Tot land, en siel-bederf: vermids 's Geest-dryvers vier 15
Verteert d'aensienlyckheyd van het gewijd pampier, 16
Als hy in twijffel treckt, en listigh soeckt te planten: 17
Dat niemand als Gods woord 'tgheschrift van Gods Gesanten
Omhelsen sal, maer eer den Geest die heymlijck blaest, 19
20
En het gheloovigh hert met seldsame inspraeck aest. 20
Op dat dees loghentael bet waerheyd soude schynen 21
Leent hy ghetuygenis van Epicurus swynen, 22
En smaelt op 't heyligh boeck, en raed ons op den leest 23
Te schoeyen van een drift, en innerlycken Geest: 24
25
Waer door noodsaeckelyck, die drinckt wt desen beker,
Syn vastigheijd verliest, en tuymelt gants onseker:
Ghelyck een dronckebolt, versopen inden wijn,
Waent dat de weereld draeyt, om dat syn herssens syn
Bestoven vanden most. of als een kiel van vlagen 29
30
En buyen overheert, als 't roer is afgeslagen, 30
Op Gods ghenade dryft. of als een wandel-gast 31
Die synen leydsman derft den wegh soeckt by den tast:
Want maecktmen 'sHeeren woord elx menschelycke invallen 33
Soo is het veelderley, soo raeckt 'tverstand aen 't mallen, 34
35
Soo kryght de dwalingh kracht, die voormaels was onnut, 35
Soo breeckt de Duyvel los, soo komen wt dien put
De Rasernyen voort, die onlanx uytghelaten 37
Met fackels moedernaeckt vervulden merckt en straten:
En Christus word een klucht, daer yder van ghelooft
40
Al wat hem schiet, en maelt in 't los, en breynloos hoofd: 40
| | | |
Soo staen de Tempels leegh, en niemand van de leken
Den Bybel geeft gehoor, maer acht het sondaegs preken
Voor enckel letterwerck en pryst den predikant vs. 43
Den wonderbaren Geest gheboren in 'tverstand:
45
Is wyser als die geen welcke in Gods naem voorhenen 45
Als lichten onder Ioon, en Heydenen verschenen,
Bevestighden hun leer, en ampt door 'tperckement,
Waer in des Hemels wil met letters was gheprent,
En porden yeder een aendachtelyck te letten 49
50
Niet op een spoock des Geests, maer op beschreven wetten, 50
En uyt der Priestren mond, op pene van den ban,
Te leeren Moses last, te smaecken Hemels Man',
Verboden strengh, en scherp der sielen dorst te laven 53
uyt putten, die 'tvernuft verdicht had, en ghegraven.
55
Soo die Gods aenschijn sagh ons tot Gods woord vermaent, 55
Dat besight als syn sweerd, hoe ydel, en verwaent 56
Is hy, die dompen wil soo Goddelijcken lampen, 57
En dwalen in een nacht vol nevelen, en dampen,
Gestegen in een hoofd dat altyd suft, en waelt, 59
60
En daer de blinde waen slechts doode beelden maelt, 60
En oordeelt geest en God al wat 'tghepeyns verwildert 61
Begrypt in 'tbeckeneel, en sich voor oogen schildert: 62
Als een krancksinnigh mensch, die syn gedachten pynt
En raest, en slaet gheluyt op al wat hem verschynt.
65
Noch kan dit sotte volck syn hoovaert niet bedwinghen, 65
Maer berst tot schelden uyt, en oordeelt poppe-dinghen
Den waren Godesdienst, Gods woorden sonder kracht, 66-67
En letters sonder siel, een doncker helsche gracht,
Den stoel van Lucifer, een deur van ketteryen,
70
En baent alsoo den pad tot duysend rasernyen.
Die redelycker schynt treed wat bedeckter voort, 71
| | | |
Acht eyghentlyck schrifts sin niet voor 'twaerachtigh woord, 72
Maer een ghetuychenis van 'teeuwigh woord daer boven,
Twelck de Gesalfden is dien alle tongen loven, 74
75
Ia draeft hier op soo hooch, dat wie sulx niet bestemt 75
Is Nicodemus maet, en blyft van 'tlicht vervremt, 76
Heeft Swinckveld noeyt gesmaeckt, die hooger was gestegen
En hoorde een stem des troosts langs ongemeene wegen.
Dus vecht hy met syn schim wat dertel, en wat trots: 79
80
Want wie ontkent Gods woord te syn de sone Gods, 80
Die 'sVaders wil verklaert, en uyt syn schoot komt dalen,
En leert hoe God door hem laet syn genade stralen
Op 'tmenschelyck geslacht. maer daerom niet te min 83-vlgg.
En laet het heyligh boeck, of liever Godes sin
85
Door letters uytgedruckt, niet nae Gods woord te wesen.
'tsy of wy 'sHeeren wil dan inden Bijbel lesen,
Of hooren Christus self, of die hy tot ons send,
Het is een selve woord, en 'tworter voor bekend: 88
Dat op verscheyden wijse hy yeder laet betuygen 89
90
By monde, of by geschrift, om 'tsondich hert te buygen
tot syn gehoorsaemheyd. Dit woord dan inder daed
Gelyck een hamer is die rotsen stucken slaet, 92
Ia een tweesnydent sweerd, een kracht Gods, en een leeringh
Waer door hy krachtigh werckt gemoed, en sielbekeeringh, 94
95
'tZaed dat ons wederbaert, een levendige spys, 95
Een licht op Davids pad, een Christen paradys,
Een bron die overloopt van geestelycke gaven.
Wat meerder het vermagh als 'truychste slechts beschaven 98-vlgg.
| | | |
Gelyck een timmerman bereyd een vlack panneel,
100
En effent, om de verw t'ontfanghen van tpinceel.
De Dichter der Hebreen roemt anders in sijn dichten, 101
En leert dat Godes Wet onse ooghen kan verlichten,
Den dwasen levert wijs, en in benautheyds graf 102-103
Vertroost het bangh gemoed. 't is s'Konings schat, en staf. 104
105
Wy willen met die staf ons op den wegh begeven,
En wandelen getroost na 't altijt-durend leven,
En schouwen Swinckvelds geest, die van sijn droomen pocht, 107
En in't onseker tast, en vecht als inde locht.
'T Amsterdam,
By Iacob Aertsz. Boeckvercooper in de vierighe Calom,
By de nieuvve Brugh.
|
*Van 1626. Afgedrukt volgens de eerste druk in plano in 2 kolommen; 't geheel gezet met gotiese letter, behalve 't opschrift, 't drukkersadres en de ondertekening. (Bibliographie van Vondels werken, nr. 152).
In 't Opschrift: Antidotvm: tegengift, later (1650) ‘Geneesdranck (der Geestdryveren’); Geestdryvers hier te verstaan in dubbele zin: drijvers van de menselike geest, en met woordspeling in de biezondere betekenis van 't woord in vs. 15, in verband met den Geest in vs. 19; 't beschreven woord Gods: de H. Schrift.
Dit gedicht heeft Vondel geschreven naar aanleiding van 'n twist over de waarde van de H. Schrift, in 1625 begonnen tussen twee doopsgezinde leraars, Hans de Ries en Nittert Obbesz. De Ries volgde min of meer de leer van Kaspar Schwenkfeld, die in 1547 in zijn ‘Bekandtniss’ leerde, dat ‘ 't beschreven woord Gods’ van de H. Schrift niet 't woord is van God zelf, maar 'n getuigenis over Gods woord door vrome mensen geschreven, dus mensewerk; 't eigenlike woord Gods spreekt de Geest in ieders persoonlik binnenste, en dat staat ver boven de Schrift (vs. l8-vlgg.). Dit ‘ tweeërlei woord Gods’ leerde ook Hans de Ries, hoewel hij zeker niet de buitensporigheden doorzag en aanvaardde, die hiervan 't noodlottig gevolg moesten zijn. Vondel doelt op hem vs. 71-vlgg.; zijn hoge verering voor De Ries blijkt uit 't bijschrift op diens portret (Dl. 1, blz. 776). Nittert Obbesz bestreed die leer (blijkbaar eerst alleen mondeling door De Ries verdedigd) November 1625 in Raegh-besem.
vs. 2Van't wispelturigh breyn: door de wispelturige hersenen van de Schriftverklaarders
3beproeft en afgemat: (wordt) beproefd en afgemat.
5der sinnen: van de menselike geest, 't menselik verstand; oneven: onevenwichtig.
6den wind der leeringen: de wisselende wind van allerlei leerstelsels.
7't Vernuft: 't almaar redenerend verstand.
8Geestdryvers: zie In 't Opschrift.
9-10voor lang.... bladers: reeds in de kristelike oudheid door de Kerkvaders in hun geschriften bestreden en genezen (V. denkt aan de Gnostieken).
11Nu weder: in de nieuwste geschiedenis andermaal door Schwenkfeld; van vs. 11-70 schildert V. de verschrikkingen die de gevolgen zullen zijn van die leer; vanden Ryn: uit Duitsland.
16't Aanzien, 't gezag ondermijnt van de H. Schrift.
17Als: waar; planten: ingang doen vinden.
19Aannemen zal, maar veeleer....; heymlijck blaest: in iemands binnenste, in 't verborgene ingeeft, inspireert ( heymlijck hier nog in z'n oorspr. betekenis: in 't huis, intiem, verg. Palamedes vs. 455: geheymste).
20seldsame: buitengewone; aest: voedt.
22Beroept hij zich op sensuele Epicuristen; Epicúrus (Epikouros) Grieks wijsgeer uit de 4e eeuw v. Kr., die alle onstoffelikheid verwierp, en alleen de stof ('t materiële) als werkelikheid erkende.
23en raed ons...: en geeft ons de raad ons inwendig te richten naar...
29Bestoven vanden most: bedwelmd door de wijn, van zijn verstand beroofd (de eigenlike uitdrukking is van de molen (of 't meel) bestoven zijn: 'n slag van de molen beethebben, niet goed wijs zijn); als: gelijk; van vlagen: door stormen.
30overheert: overmeesterd; als: wanneer.
31wandel-gast: wandelaar, reiziger.
33Want verklaart men invallen van de eerste de beste mens voor 's Heren Woord.
34Soo is het veelderley: dan is Gods woord niet meer een en onveranderlik, maar veelvuldig en wisselvallig.
37onlanx: nog niet lang geleden (nml. in 1535 de Wederdopers, de naaktlopers, te Amsterdam).
vs. 43pryst den predikant: prijst, erkent als de (eigenlike) predikant, de eigenlike verkondiger van Gods woord.
45Wil wijzer zijn dan de door God geïnspireerden.
50op een spoock des Geests: op 'n (vermeende) verschijning van de Geest.
53Verboden hangt nog af van die geen welcke in vs. 45.
55Wanneer Mozes zelf, die God heeft aanschouwd op de Sinaï, en daar Gods wetten, de twee stene tafelen, heeft ontvangen.
56En dat woord gebruikt als 'n zwaard....
59suft, en waelt: broeit op verandering ( waelt: draait).
60En daer: en waarin; doode beelden maelt: levenloze voorstellingen schildert, niet bezield door de levende Geest Gods.
61En beschouwt als geest en God, al wat 't verwilderd gepeins....
62Begrypt in 'tbeckeneel: haalt in zijn hoofd.
65hoovaert: hovaardij (ouwere kortere vorm, gevormd als welvaart).
66-67en oordeelt poppe-dinghen....: en houdt poppekast, speelgoed voor de ware godsdienst, maar Gods eigen woord voor krachteloos, voor dode letters, voor....
71Die redelycker schynt: die verstandiger lijkt.... Hier eerst wordt de theorie van Hans de Ries aan kritiek onderworpen, zonder namen te noemen. (Zelfde houding als later in de Roskam tegenover sommige wereldlike gezagdragers).
72Ook Hans de Ries hield de H. Schrift alleen voor 'n menselik getuigenis over Gods woord (zie de toelichting, blz. 808); Gods Woord is de twede persoon der H. Drieëenheid, Kristus.
74de Gesalfden: de Kristus.
75En draaft met die vondst zó door....; sulx niet bestemt: daar niet mee instemt.
76Nicodemus maet: de gelijke van Nicodemus, 'n twijfelaar ( Joan. 3, 1-vlgg.).
79Op die manier vecht hij met zijn schaduw (slaat in de lucht) al te loszinnig en trots.
80Immers, wie is er die ontkent dat Gods Woord de Zoon Gods is?
83-vlgg.maer daerom niet te min....: maar daarom houdt het heilig boek, of liever Gods wil in 't beschreven woord van de H. Schrift uitgedrukt.... nog niet op Gods woord te zijn ( En laet niet nae te wesen: blijft evengoed; En.... niet dubbele ontkenning).
88een selve: eén en 'tzelfde; en 'tworter voor bekend: en 't wordt ervoor erkend.
89Dat: nml. dat woord; wijse hy: uitspr. wijz'ij; yeder: aan ieder.
92stucken: in stukken, stuk ( stucken uit t'stucken = te stukken: in stukken, stukkend).
94gemoed, en sielbekeeringh: wij zouden schrijven: gemoed- en zielbekering.
95wederbaert: doet herboren worden; een levendige spys: 'n spijs die 't leven (van de ziel) geeft, onderhoudt.
98-vlgg.De Schwenkfeldianen spraken kleinerend over 't Bijbelwoord als ‘creatuurlik’, als 'n stoffelik instrument e.d. als op z'n hoogst 'n middel tot voorbereiding van Gods werking; Wat meerder het vermagh...: dat woord heeft heel wat hoger vermogen dan slechts 't ruwste ( 'truychste) wat glad en gereed te maken voor 't ontvangen van Gods inwerking, zoals de timmerman 'n paneel klaar maakt om de schilderij van de kunstenaar op te nemen.
101David, de psalmdichter, slaat 'n heel andere, 'n verheerlikende toon aan over het geschreven Woord.
102-103In psalm 18(19) vs. 8, 9. - levert wijs: wijs oplevert, wijs maakt. - in benautheyds graf: in diepe, donkere beproevingen.
104s'Konings nml. koning David's; schat: psalm 18 vs. 11.
|
|